© Enrico Nawrath
Bayreuth
Statische ‘Rienzi’ in monotone grauwheid
Richard Wagner heeft expliciet bepaald dat alleen zijn tien volwassen opera’s in het Bayreuther Festspielhaus mochten worden opgevoerd. Aan dit voorschrift komt na 150 jaren een einde. In het jubileumjaar van de Bayreuther Festspiele wordt nu voor het eerst zijn vroege opera ‘Rienzi’ opgevoerd.
De derde opera van Richard Wagner (1813-1883) ‘Rienzi’ ontstond tussen 1837 en 1840 toen de componist zijn schuldeisers in Riga ontvluchtte en uiteindelijk in Parijs belandde. Om daar door te breken wilde hij een ‘Grand Opéra’ schrijven, maar de Parijse Opéra negeerde zijn werk. ’Rienzi’ werd uiteindelijk niet in Parijs, maar in Dresden geaccepteerd. Daar beleefde de opera op 20 oktober 1842 zijn wereldpremière, wat Wagners grote doorbraak betekende.
Wagner vond zijn jeugdwerken artistiek onrijp en weigerde later resoluut om zijn drie vroege opera’s in Bayreuth te laten spelen. Ze leunden volgens hem te veel op de traditionele Italiaanse en Franse operastijlen en pasten niet binnen zijn vernieuwde muzikale idealen. Zijn echtgenote Cosima heeft na zijn dood deze strikte scheiding streng bewaakt en gecultiveerd. Daaraan komt nu een einde nu ter gelegenheid van het 150-jarige bestaan van de Bayreuther Festspiele voor het eerst in het Festspielhaus ‘Rienzi’ wordt opgevoerd.
‘Rienzi’ is een opera over politieke hoogmoed en idealisme in het 14e-eeuwse Rome. De burger Rienzi leidt hier een opstand tegen de corrupte adel van Colonna en Orsini en roept zich uit tot volkstribuun. Daarbij heeft hij de steun van de Kardinal. Rienzi’s republiek wankelt echter wanneer hij de adel te mild straft en zijn twee handlangers Baroncelli en Cecco, de Kardinal en het volk zich uiteindelijk tegen hem keren. Rienzi sterft in het brandende Capitool, bijgestaan door zijn zus Irene en haar geliefde Adriano, de zoon van Colonna.
Het verhaal van ‘Rienzi’ wordt in Bayreuth door het Hongaarse regieduo Alexandra Szemerédy en Magdolna Parditka verteld in hun eigen grijs-grauwe, monotone en statische decorontwerp. De eerste akte toont een woonblok in verkiezingstijd met journalisten, camera’s, projectie en mobiele telefoons. Een woonblok, verkiezingstijd, journalisten, camera’s, projectie en mobiele telefoons zagen we al honderden malen in opera-ensceneringen.
Hun enscenering laat zich muzikaal reeds niet van haar beste kant zien. In de ouverture al overlijdt het broertje van Rienzi en zijn zus Irene tijdens opgetogen muziek. In de tweede akte is het pantomime geen dramatische of symbolische weerspiegeling van het hoofdverhaal van ‘Rienzi’, zoals Wagner het oorspronkelijke voor ogen had. In plaats daarvan worden op infantiele wijze de Wagners opera’s van het Bayreuth-canon (behalve ‘Tannhäuser’ en ‘Der fliegende Holländer’) in een kwartiertje uitgebeeld.
Ten slotte is er in de laatste akte geen vlammenzee, maar wordt Rienzi door zijn zus Irene om onduidelijke reden neergestoken. Daarna doet zij nog een mislukte zelfmoordpoging. Uiteindelijk blijven slechts de twee dames Adriano en Irene overeind, als een soort girlpower-projectie van het regieduo zelf. Een tenenkrullend moment… Kortom, een onbeholpen, kille, sfeerloze regie die men in ieder doorsnee Duits operahuis zien kan. Men wenst Bayreuth toe qua producties een eigen signatuur te vinden, waarmee het zich meer onderscheiden kan.
Wagnerzangers met een brede laagte én hoogte hoort men in Bayreuth al jaren nauwelijks nog (zie Discografie). In de nieuwe productie wordt de titelrol van Rienzi vertolkt door de Oostenrijkse tenor Andreas Schager. Hij “spuckt” de medeklinkers – inclusief brallende huig-“r” – ten koste van het legato en de lijnen. Er zit erg veel lucht tussen de noten. Zijn Stau-tenor is slank en in de hoogte dikwijls resonansloos. Toch komt Schager uiteindelijk zonder kleerscheuren door de partij.
De Zwitserse sopraan Gabriela Scherer zingt Rienzi’s zus Irene met een slank en scherp timbre. Haar stem biedt weinig contrast met de dunne sopraan van de Amerikaanse Jennifer Holloway als Adriano. Heel verstaanbaar zijn beide sopranen niet. De vijf kleinere mannenrollen zijn adequaat bezet met de Duitse bariton Michael Nagy als Orsini, de Duitse bas Andreas Bauer Kanabas als Colonna, de Oekraïense bas Vitalij Kowaljow als de Kardinal, de Duits-Zwitserse tenor Matthias Stier als Baroncelli en de Duitse bariton Michael Kupfer-Radecky als Cecco.
De Franse dirigente Nathalie Stutzmann – na haar afschuwelijke ‘Tosca’ in Amsterdam – laat de partituur autonoom spelen. Haar lezing is opvallend vanzelfsprekend, natuurlijk en instinctief met passende tempi. Het Bayreuther Festspielorchester bestaat uit musici van diverse Duitse orkesten, die hun partijen gespierd gestalte geven. Het Festspielchor zingt enthousiast, nauwkeurig en geconcentreerd, met slow motion bewegingen, die we eerder al in tientallen andere operaproducties zagen.
Er zijn vele kleine, grotere en ongebruikelijke coupures, maar uiteindelijk is de essentie van het verhaal behouden. Het schrappen van Rienzi’s monoloog “Im Namen Roms” in de finale II met zijn hoge tessitura is een grote faux pas. In de finale III wordt de versie van de wereldpremière uitgevoerd, waar meestal Wagners herziene versie uit 1843 wordt gebruikt. Het gebet “Allmächt’ger Vater” van Rienzi is vreemd genoeg van de vijfde naar het begin van de vierde akte verplaatst. En de finale V is er een rare hybride van de wereldpremière-versie en Rienzi’s slotwoorden, die Wagner schreef voor de Berlijnse opvoering die hij in 1847 zelf dirigeerde.
‘Rienzi’ beleefde voor de Tweede Wereldoorlog in Nederland maar liefst zes producties (1868, 1888, 1890, 1894 (met Désiré Pauwels), 1899 (met Jacques Urlus) en 1934 (met Magda Spiegel als Adriano). Na de Tweede Wereldoorlog werd de opera niet meer gespeeld. ‘Rienzi’ was besmet geraakt door Hitlers bewondering van het werk en het gebruik ervan door de nazi’s. En dat is jammer want ‘Rienzi’ is een interessant drama met goede muziek, vooral voor de titelrol en het koor. Wellicht draagt deze Bayreuth-productie ertoe bij dat ‘Rienzi’ ook in Nederland weer op het vaste operarepertoire terugkomt.

