1.
Een ingekorte versie van de opera ‘Rienzi’ van Richard Wagner (1813-1883) werd tussen 7 en 12 januari 1953 in het Funkhaus van Wenen opgenomen. Ten tijde van deze opname lag het historische gebouw van de Wiener Staatsoper nog grotendeels in puin na de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog. Het operahuis heropende pas eind 1955. De artiesten van de Staatsopera weken in die periode uit naar andere theaters. Zij werkten veelvuldig samen met de radio-omroep om grote cultuurprojecten via de ether levend te houden.
De Duitse tenor Günther Treptow (1907-1981) vertolkte in deze radio-opname een machtige Rienzi. Treptow was al in 1926 lid van de nazi-partij geworden (NSDAP-Mitgliedsnummer 38.579) en werd lid van de paramilitaire Sturmabteilung. In 1934 werd echter ontdekt dat hij van moederskant als niet-Arisch werd beschouwd. Naar verluidt verleende Josef Goebbels hem een “Sondergenehmigung” om weer op te treden.*
Treptow trad tussen 1947 en 1954 in de Wiener Staatsoper in de belangrijkste Wagner-rollen op. De titelrol van Rienzi zingt hij hier met zijn ruwe en korrelige, soms licht geknepen, maar altijd indrukwekkende heldentenorstem. Zijn tenor is hier breder dan in 1950 (zie 5.), zijn vertolking van Rienzi is in 1953 echter muzikaler en hij neemt de tijd voor alle details van zijn partij.
Aan het begin van de finale II zingt Treptow slechts het “Seid mir gegrüsst” en slaat hij “Im Namen Roms” over, terwijl hij in 1950 nog beide had gezongen. Bijzonder interessant is Rienzi’s originele finale III “Jungfrauen, weinet!” uit 1842, daar waar dikwijls Wagners herziene versie uit 1843 wordt uitgevoerd. In deze originele, aangrijpende scène roept Rienzi op tot rouw om de gevallen soldaten. Treptow zingt het met pathos, tragiek en diepe emotie, als een emotioneel pleidooi aan het volk en onderstreept de ernst van de offers. In de finale V zingt hij Rienzi’s slotwoorden, die Wagner schreef voor de opvoering die hij op 26 oktober 1847 in Berlijn zelf dirigeerde.
De Duitser Treptow was omringd door Oostenrijkers. De Oostenrijkse radio wilde destijds de nieuwe, naoorlogse generatie topzangers van de Wiener Staatsoper vastleggen voor het nageslacht. Het waren talentvolle zangers aan het begin van een grote carrière.
De Weense sopraan Gerda Scheyrer (1923-1999) had in 1945 haar toneeldebuut gemaakt en al in 1951 voor het eerst opgetreden in de Wiener Staatsoper als Rosalinde. Hier pas 27 jaar, is haar Irene lyrisch en slank, soms nog dun en resonansloos. Schreyer zou van 1956 tot 1977 vast verbonden zijn aan de Wiener Staatsoper en er 44 rollen vertolken.
De Oostenrijkse alt Hilde Rössl-Majdan (1921-2010) had in 1951 haar professionele operadebuut gemaakt bij de Wiener Staatsoper als Antonia’s moeder in ‘Les Contes d’Hoffmann’. Zij is een schitterende, onstuimige jongeman Adriano. Rössl-Majdan zou van 1955 tot 1976 ensemblelid van de Wiener Staatsoper zijn en gaf er maar liefst 1553 voorstellingen in 62 rollen. Helaas zijn de drie duetten van Adriano en Irene uit de finales III, de finale IV en de derde scène van de vijfde akte geschrapt.
Opnieuw Walter Berry (zie 4.), hier pas 23 jaar en aan het begin van een grote carrière. Als Orsini bezit zijn stem nog niet het bas-baritonale van later, maar hoort men wel al het grote talent.
De Duitse bas-bariton Adolf Vogel (1897-1969) had al een grote internationale carrière achter de rug met optredens in Covent Garden, de Metropolitan Opera, Rome en Buenos Aires en was sinds 1938 ensemblelid van de Wiener Staatsoper. Inmiddels 56 jaar heeft zijn patriciër Colonna niet veel glans meer. Vogel bleef nog tot en met 1959 ensemblelid van de Wiener Staatsoper.
Vogel was docent van onder anderen Gundula Janowitz, William Blankenship en de Weense tenor Waldemar Kmentt (1929-2015). Kmentt had in 1951 zijn professionele operadebuut gemaakt bij de Wiener Staatsoper. Met slanke, lyrische tenor geeft hij fantastisch portret aan de burger Baroncelli. Hij zou in de Wiener Staatsoper 1480 voorstellingen in 79 rollen geven en trad er in 2005 voor de laatste keer op.
Baroncelli’s medeburger Cecco wordt gezongen door Kmentts stadsgenoot, de Weense bariton Otto Wiener (1911-2000), die laat aan zijn grote operacarrière begon. Hier als Cecco toont hij zijn open en sonoor heldenbaritonale kwaliteiten. Wiener zou in 1953 zijn professionele operadebuut maken als Boccanegra in Graz en daarna optreden in alle belangrijke operahuizen als Bayreuth, Covent Garden en de Metropolitan Opera.
De Oostenrijkse bas Oskar Czerwenka (1924-2000) had in 1947 zijn professionele operadebuut in Graz gemaakt en was sinds 1951 ensemblelid van de Wiener Staatsoper. Hier pas 28 jaar is hij nog een slanke kardinaal Raimondo met weinig resonansen in de hoogte. Czerwenka zou in de Wiener Staatsoper tot en met 1986 1084 voorstellingen in 75 rollen geven.
De Duitse dirigent Robert Heger (1886-1978) had zich in 1937 aangesloten bij de nazi-partij (NSDAP Mitgliedsnummer 5.917.569). Op 12 april 1945 had Heger één van de laatste concerten van de Berliner Philharmoniker voor het einde van de Tweede Wereldoorlog gedirigeerd, vier dagen voordat het Rode Leger de Slag om Berlijn begon. Na dat concert zouden leden van de Hitlerjugend het publiek bij het verlaten van het gebouw cyanidecapsules hebben aangeboden.
Met het Grosses Orchester der Ravag – de toenmalige Oostenrijkse openbare radio-omroep, de voorloper van de ORF – geeft Heger een strakke, compacte en geladen lezing, die naast de grootsheid ruimte laat voor lyriek. Ondanks een wisselvallige bezetting en vele coupures, een interessante uitvoering.
Walhall Eternity Series WLCD 0221 (2CDs) / 1°50’13”
2.
De wereldpremière van ‘Rienzi’ vond plaats op 20 oktober 1842 in het Königliches Hoftheater Dresden. Deze uitvoering duurde zes uren, inclusief pauzes.
Ook in Dresden werd in augustus en september 1974 en in februari en april 1976 in de Lukaskirche de eerste “integrale” studio-opname van ‘Rienzi’ gemaakt. Men nam Wagners complete, ingekorte versie van 1843 op aan de hand van één van de vroege gedrukte uitgaven. Dit wordt algemeen beschouwd als de meest getrouwe weergave van de door Wagner geautoriseerde, gepubliceerde editie.
De Berlijnse tenor René Kollo (1937) was qua timbre niet echt een Heldentenor en zijn stem komt in de opname nog dunner over dan live. Toch weet hij de menselijke kant van Rienzi overtuigend neer te zetten. De finale II opent hij met “Im Namen Roms” en laat het eerste deel “Seid mir gegrüsst” weg, terwijl de meest tenoren het omgekeerde doen. In de finale III hoort men dus de 1843 versie met Rienzi’s “Hört nicht den Rasenden” en niet de 1842 versie met “Jungfrauen, weinet”. In de finale V zingt Kollo ook Rienzi’s slotwoorden van de Berlijnse opvoering uit 1847.
De Zweedse sopraan Siv Wennberg (1944) is een stralende Irene. Adriano is hier helaas bezet met een sopraan, waardoor het contrast met Irene minder groot wordt. De Amerikaanse Janis Martin (1939-2014) heeft een licht timbre voor de partij en mist resonansen en glans in de hoogte van haar aria “Gerechter Gott”. Martin heeft niet het donker dramatische wat Schlüter, Klose, Ludwig, Rössl-Majdan en Anday zo interessant maakte, maar ze klinkt wel jongensachtig.
De dames zijn omringd door Duitse zangers. De bas-bariton Theo Adam (1926-2019) geeft goed portret aan Paolo Orsini. Met zijn karakteristieke timbre domineert hij de ensembles in de eerste en tweede akte. De bas-bariton Nikolaus Hillebrand (1948) was hier pas 26 jaar en nog geen heel statige Colonna en de bas Siegfried Vogel (1937) is een slanke Raimondo zonder veel autoriteit.
De tenor Peter Schreier (1935-2019) met zijn enigszins geknepen geluid als Baroncelli en de bariton Günther Leib (1927-2024) als Cecco zijn prima bezet. De mezzosopraan Ingeborg Springer (1939) is een ridderlijke Friedensbote.
De Duitse dirigent Heinrich Hollreiser (1913-2006) dirigeerde tussen 1951 en 1994 meer dan duizend keer aan de Wiener Staatsoper. Zo had hij er is 1952 de Oostenrijkse première van ‘The Rake’s Progress’ van Stravinsky gedirigeerd met Ludwig Hofmann, Erna Berger, Rudolf Schock, Alfred Jerger, Else Schürhoff en Elisabeth Höngen.
Aan de Wiener Staatsoper en de Deutsche Oper Berlin – waar Hollreiser tussen 1961 en 1964 chefdirigent was – stonden alle grote Wagner-opera’s op zijn repertoire. Met het Staatskapelle Dresden laat hij horen dat de opera ook zijn wortels in het Singspiel heeft.
Hoewel het destijds de meest complete commerciële opname was, bevat zij aanzienlijke – over het algemeen door Wagner geautoriseerde – inkortingen. Zo is het grote ballet ingekort tot ongeveer 15 minuten en ontbreken er diverse herhalingen en koren.
Wie de meest complete reconstructie van de opera wil horen die aansluit bij het musicologische werk van die tijd, moet uitwijken naar de BBC-radio-opname uit 1976 onder leiding van dirigent Edward Downes. Downes reconstrueerde nauwgezet de “originele” onverkorte versie uit 1842 aan de hand van overgeleverde schetsen. Die uitvoering duurt ruim 4,5 uur en bevat bijna alle muziek die De musicologen Reinhardt Strohm en Egon Voss hebben verzameld, inclusief het volledige ballet van 40 minuten, misschien wel de meest banale muziek ooit geschreven.
CMS 7 63980 2 (3CDs) / 3°38’01” (52’42” / 1°04’22” / 44’05” / 23’46” / 33’06”)
3.
De nazi’s hadden al in 1935 de eerste bruikbare bandrecorder – de Magnetophon van AEG/Telefunken – ontwikkeld. Hiermee kon geluid op magneetband worden opgenomen met een revolutionair hoge geluidskwaliteit, zonder de kwaliteitsverliezen van de oude wasrollen of grammofoonplaten.
Op 11 oktober 1941 vond in de Masurenallee Saal 1 in Berlijn – onderdeel van het Haus des Rundfunks – een concert plaats waarin fragmenten uit ‘Rienzi’ werden uitgevoerd. Dit concert werd met de Magnetophon opgenomen om een “perfecte”, storingsvrije radioversie maken.
Het concert – vaak een “Wunschkonzert” of speciale omroepuitzending – bevatte onder meer de ouverture en grote scènes uit ‘Rienzi’. Opgenomen werden de finale I, uit de tweede akte het openingskoor en de finale na het ballet, van de derde akte de aria van Adriano plus de complete laatste scène en ten slotte de vijfde akte met grote coupures.
Dezelfde dirigent en solisten stonden in diezelfde tijd – in oktober/november 1941 – ook in een nieuwe productie van ‘Rienzi’ van de Berlijnse Staatsopera (Deutsche Zeitung in den Niederlanden; 5-11-1941). De zangers waren allen ensembleleden van de Berlijnse Staatsopera en de drie hoofdrollen hier zijn niet te overtreffen.
De tenor Max Lorenz (1901-1975) was vanaf 1933 ensemblelid van de Berlijnse Staatsopera en had de titelrol van Rienzi al in april 1933 – net na de machtsovername van Hitler – in de Staatsoper Berlin vertolkt ter gelegenheid van de 50ste sterfdag van Wagner. Er waren begin jaren veertig in de Berliner Staatsoper dertig uitvoeringen van deze ‘Rienzi’ in twee seizoenen (Deutsche Zeitung in den Niederlanden; 5-11-1941).
De stem van Lorenz was in de jaren veertig enorm breed geworden en zijn tribuun straalt autoriteit en macht uit. In de finale III zingt hij Rienzi’s “Jungfrauen, weinet!” van de oorspronkelijke versie uit 1842. Het “Allmächt’ger Vater” neemt hij wel heel erg langzaam. In de finale V zingt ook hij Rienzi’s slotwoorden van de Berlijnse opvoering uit 1847. Het is eeuwig zonde dat er geen opname van Max Lorenz in de integrale partij van Rienzi bestaat.
Overigens zou Lorenz als homoseksueel met zijn Joodse echtgenote in nazi-Duitsland deportatie onder ogen hebben moeten zien als hij niet de favoriete tenor en symbool van zijn tijd was geweest en beschermd werd door Winifred Wagner, Hitler en Göring.
De sopraan Hilde Scheppan (1907-1970) was tussen 1934 en 1952 verbonden aan de Berlijnse Staatsopera en was een favoriet van de Duitse dirigent Heinz Tietjen. Zij zingt in de traditie van die tijd, waarin jugendlich-dramatische sopranen de partij van Irene met hun hele stem zongen en toch jong klonken. Scheppan overleed op 63-jarige leeftijd in Bayreuth.
De mezzosopraan Margarete Klose (1899/1902-1968) was tussen 1932 en 1949 verbonden aan de Berlijnse Staatsopera en had Adriano ook al in 1933 in Berlijn gezongen naast Lorenz. Haar machtige, enorm brede mezzo imponeert in de aria van Adriano van de derde akte. Klose was een bewonderaar van Hitler: “Ihnen, mein Führer, meinen herzlichsten Dank zu sagen für die grosse Freude […] mein Führer, bedeutet für mich die Kröhnung meines Schaffens”.* Zij zou tussen 1955 en 1961 opnieuw aan de Berlijnse Staatsopera verbonden zijn.
Ook de Weense Heldenbariton Jaro Prohaska (1891-1965) was ensemblelid van de Berliner Staatsoper, tussen 1931 en 1952. Prohaska was hier 50 jaar en inmiddels uit overtuiging nazi (NSDAP-Mitgliedsnummer 1.604.225). Hij is als Paolo Orsini slechts kort te horen in zijn “düst’re Mahnung” van de finale II. De Zweedse tenor Gustav Rödin (1890-1949) zong tussen 1931 en 1944 bij de Berlijnse Staatsopera en vertolkt hier Baroncelli in de finales van de eerste drie akten.
De Duitse bas Wilhelm Hiller (1900–1964) zingt de rol van Cecco in de finales van de eerste twee akten. De bas Robert von der Linde (1884–1966) is te horen als Colonna in de finale II.
De Duitse dirigent Johannes Schüler (1894–1966) was sinds 1937 NSDAP-lid (Mitgliedsnummer 5.377.245), dirigeerde in 1940 het orkest bij de feestelijke nazi-première van de propagandafilm ‘Jud Süss’ en stond op de Führerliste. Hij was in 1936 aangesteld bij de Berlijnse Staatsopera, kreeg in 1938 in het kader van Hitlers verjaardag de titel Staatskapellmeister en werd in 1939 ter gelegenheid van Hitlers 50ste verjaardag benoemd tot Generalintendant.*
Met het Orchester und Chor der Staatsoper Berlin en het koor van de Reichssender Berlin geeft Schüler een lezing met de te verwachten grootsheid van die tijd. De finale III eindigt met de herziene versie van 1843 “Hört nicht den Rasenden!” De ouverture ontbreekt op de CD uitgave van Preiser, maar staat wel op de dubbel CD-uitgave van The Radio Years.
Preiser Records 90223 (1CD) / The Radio Years 106.07 (2CDs) / 1°7’29”
4.
Een concertante uitvoering van ‘Rienzi’ werd op 14 juni 1960 tijdens de Wiener Festwoche met publiek gegeven in de Großer Saal van de Musikverein Wien. Voor deze uitvoering werd de opera door dirigent Josef Krips zelf bewerkt en ingekort tot een versie van twee uren.
De Zweedse tenor Set Svanholm (1904-1964) debuteerde al in 1930 als bariton en in 1936 als tenor. Hier als Rienzi na een carrière van dertig jaren is zijn tenor slanker dan die van Treptow en Lorenz en in de hoogte klinkt zijn stem gespannen, maar hij weet de tribuun goed neer te zetten. De finale II zingt hij – net als Treptow in 1950 (zie 5.) – zowel “Seid mir gegrüsst” als “Im Namen Roms”. In de finale V zingt ook hij Rienzi’s slotwoorden van de Berlijnse opvoering uit 1847. Svanholm nam drie jaren later afscheid van het operatoneel als Tristan in Düsseldorf. Kort daarna werd bij hem een hersentumor geconstateerd.
De Deense sopraan Anne Lund-Christiansen (1928-1993) had in 1957 haar professionele operadebuut in Oslo gemaakt toen haar talent in Denemarken niet werd onderkend. Haar Irene is jong, stralend en slank. De Duitse mezzo Christa Ludwig (1928-2021) zingt de rol van haar minnaar Adriano. Josef Krips noemt in zijn autobiografie de “dramatisch hochbegabte” Ludwig ideaal bezet voor Adriano. Ze is echter niet altijd goed verstaanbaar. Helaas is Adriano’s waarschuwing aan Rienzi voor de aanslag uit de tweede akte geschrapt.
Vier jaren eerder was Ludwig getrouwd met de Weense bas-bariton Walter Berry (1929-2000). Berry had zich in 1949 al bij het ensemble van de Weense Staatsopera gevoegd, was in 1955 doorgebroken toen hij er de titelrol in ‘Wozzeck’ overnam en gaf sinds 1957 gastoptredens in alle grote operahuizen in Europa. De partij van Orsini had hij al in 1953 voor de radio gezongen (zie 1.) en de stem heeft hier inmiddels kern, focus, breedte en prachtig legato.
De Duitse bas-bariton Paul Schöffler (1897-1977) was vanaf 1937 verbonden aan de Wiener Staatsoper en hier inmiddels 62 jaar. Met zijn ouderwets brede, open en verstaanbare bariton geeft hij een indrukwekkende vertolking van Colonna. Schöffler nam in 1972 afscheid van de Wiener Staatsoper.
De hier pas 22-jarige, Weense bas-bariton Heinz Holecek (1938-2012) is Raimondo. De Weense tenor Karl Terkal (1919-1996) is een heldere Baroncelli en de Weense bas-bariton Alois Pernersdorfer (1912-1978) – hij was in 1940 nog lid van de NSDAP geworden (Mitgliedsnummer 7.886.156) – een sonore Cecco.
De partij van de Friedensbote is luxe bezet met de Amerikaanse sopraan Teresa Stich-Randall (1927-2007), de beste op CD. Zij had in 1952 haar debuut aan de Wiener Staatsoper gemaakt. Haar Friedensbote is engelachtig met een bescheiden vibrato en strakke coloraturen. Teresa Stich-Randall kreeg in 1962 als eerste Amerikanse de titel Österreichische Kammersängerin. Op 26 mei 1972 nam zij afscheid van de Wiener Staatsoper als Ariadne auf Naxos. Zij overleed ook in Wenen.
De Oostenrijkse dirigent Josef Krips (1902-1974) was van Joodse afkomst. Hij werd geboren in Wenen als zoon van een Joodse vader, een arts en amateurzanger. Vanwege zijn Joodse achtergrond werd Josef Krips na de Anschluss in maart 1938 door de nazi’s gedwongen zijn muzikale activiteiten te staken. Tot 1941 musiceerde hij in Belgrado onder moeilijke omstandigheden. Daarna kwam hij terug in Wenen waar hij in armoede leefde en zwaar werk verrichtte in een fabriek voor augurken en voedingsmiddelen. Na de oorlog speelde Krips een cruciale rol bij het nieuw leven inblazen van de Weense muziekwereld en was hij de eerste dirigent die na de Tweede Wereldoorlog weer voor de Wiener Philharmoniker stond.
Krips had ‘Rienzi’ in 1927 al in Karlsruhe gedirigeerd en ook de laatste uitvoering in de Wiener Staatsoper voor de Anschluss in het seizoen 1933/34 (zie Bonus). Zijn lezing is opwindend, energiek en fris. Er zijn vele coupures maar de essentie van het verhaal is goed behouden. In de finale III werd gekozen voor Wagners herziene versie uit 1843. Het “Te Deum” van de vierde akte is geschrapt. Uit de vijfde akte zijn de tweede en derde scène geschrapt en daarmee helaas een groot deel van Irenes partij (haar duetten met Rienzi en Adriano).
Opera d’Oro OPD-1262 (2CDs) / 2°1’4”
5.
Deze befaamde radio-opname van ‘Rienzi’ vond plaats in 1950 in het Funkhaus van Frankfurt. De uitvoering werd geproduceerd door de Hessischer Rundfunk. De exacte opnamedatum is niet bekend. Destijds werden dergelijke producties vaak over meerdere dagen verspreid opgenomen voor latere radio-uitzending, in plaats van op één specifieke concertdatum.
De hoofdrolzangers waren allen te gast. Opnieuw de Duitse tenor Günther Treptow als een machtige, krachtige Rienzi, ook al iets meer geknepen nog en slanker in de hoogte dan drie jaren later in 1953 in Wenen (zie 1.). Hier zingt hij aan het begin van de finale II zowel het “Seid mir gegrüsst” als “Im Namen Roms”! Ook hier kiest Treptow – net als in Wenen – voor de oorspronkelijke finale III “Jungfrauen, weinet!” in een aangrijpende vertolking. En ook hier zingt Treptow in de finale V Rienzi’s slotwoorden van de Berlijnse opvoering uit 1847.
Het is te bepalen of de geluidskwaliteit of de verschillende opnamedagen ervoor zorgen dat de Duitse sopraan Trude Eipperle (1908-1997) op sommige momenten meer en minder glans heeft in de partij van Irene. Zij had in 1930 haar operadebuut gemaakt en was ten tijde van deze opname verbonden aan de Oper Köln. Haar lyrische sopraan straalt pas in de duetten van de laatste akte. In 1965 nam Eipperle afscheid van het operatoneel.
De Duitse hochdramatische sopraan Erna Schlüter (1904-1969) had 25 jaren eerder al haar operadebuut gemaakt en was sinds 1940 in vaste dienst in Hamburg als Hochdramatische Sopran. Hoewel zij geen officieel lidmaatschap had, was zij wel actief binnen het nazi-regime en stond zij op de Gottbegnadeten-Liste van Adolf Hitler. Helaas klinkt haar Adriano hier geknepen, rauw en belegen, te oud voor de jongeman. Schlüter bleef in Hamburg zingen tot het einde van haar loopbaan in 1956. Vanwege een schildklieraandoening trok zij zich terug van het toneel en gaf vervolgens les. Erna Schlüter overleed in 1969 na een herseninfarct.
Ook de andere vijf mannenpartijen zijn niet sterk bezet. De Duitse bas-bariton Rudolf Gonszar (1907-1971) stond eveneens op de Gottbegnadeten-Liste des Reichsministeriums für Volksaufklärung und Propaganda. Hij was ensemblelid hier in Frankfurt, had in 1937 in Leipzig de rol van Colonna vertolkt (zie Bonus) en zingt hier in Frankfurt Orsini met open bas-bariton. De Duitse bas Helmut Fehn (1915-1993) is een sonore vader en mede-patriciër Colonna en de Duitse bas Heinz Prybit (1899–1990) is een slanke Raimondo. Alle drie verliezen zij in de hoogte aan resonansen.
De Duitse tenor Willy Hofmann (1909-1984) werd geboren in Frankfurt, maakte in 1938 zijn operadebuut en speelt hier een thuiswedstrijd als een buffo Baroncelli. De Duitse bariton Josef Lindlar (1890-1953) had grote rollen gezongen, zoals in Düsseldorf Macbeth in 1932 – met Schlüter en Henk Noort – en Hans Sachs in 1940. Hier inmiddels 60 jaar zingt hij een bedaagde Cecco. Hij zou drie jaren later komen te overlijden.
De Duitse dirigent Winfried Zillig (1905-1963) had in Wenen bij Schönberg gestudeerd en componeerde in Tweede Wereldoorlog muziek voor de nazi’s (NSDAP-Mitgliedsnummer 7.818.245). Hij was tussen 1947 en 1951 dirigent bij de Hessischer Rundfunk in Frankfurt en een Schreker-expert. Met het Chor und Orchester des Hessischen Rundfunks Frankfurt neemt hij vlotte tempi. Hij heeft niet de grandeur van dirigenten als Krips, Schüler en Heger. Zillig overleed in 1963 plotseling op 58-jarige leeftijd.
Er zijn ondanks de speelduur van bijna drie uren toch nog diverse opvallende coupures. Daarentegen is er tien minuten ballet in de tweede akte. in het Funkhaus van Frankfurt
Urania URN 22.157 (3CDs) / Membran 223064 (4CDs) / 2°48’
Bonus:
1.
In het Funkhaus van Leipzig werden op 13 november 1937 grote fragmenten uit de eerste drie akten van ‘Rienzi’ opgenomen. Waarschijnlijk werd de registratie op de radio uitgezonden. Gespeeld werden de ouverture, de eerste scène en de finale van de eerste akte, de eerste twee scènes en finale na het ballet van de tweede akte en de complete derde akte. Er zijn meerdere, kleine en grotere coupures.
De titelpartij werd gezongen door de Duitse heldentenor August Seider (1901-1989), tussen 1930 en 1945 eerste Heldentenor in Leipzig. Seider had in de Wiener Staatsoper in 1935 al Lohengrin en Manrico gezongen, dus had hier al een belangrijke carrière. Hij zet in Leipzig de tribuun Rienzi groot neer. Zijn opkomst in de eerste akte “Zur Ruhe!”, het “Erstehe, hohe Roma, neu!” in de finale I en het “Sancto Spirito cavaliere!” in de derde akte zingt hij met gezag, ook al is de stem zo nu en dan geknepen. In de finale III is gekozen voor het slot van 1842, maar wordt het “Jungfrauen, weinet” weggelaten!
De Duitse sopraan Franziska von Dobay (1900-1999) is inmiddels in vergetelheid geraakt. Haar carrière concentreerde zich op het Duitse gebied. In 1934 had zij in Bayreuth als Woglinde en als bloemenmeisje opgetreden en in juni 1936 Senta in de Berlijnse Staatsopera gezongen naast Heinrich Schlusnus. Haar enigszins glansloze sopraan is te horen aan het begin van de eerste akte – tijdens haar mislukte ontvoering – en in de finales II en III. Helaas ontbreekt haar duet met Adriano “Ja, eine Welt voll Leiden” van de eerste akte, maar er is wel hun vurige “Leb’ wohl, Irene” in de finale III.
Haar minnaar Adriano is opnieuw de machtige mezzo van Margarete Klose en haar grote aria “Gerechter Gott” in de derde akte wordt een prachtig verscheurde smeekbede over haar liefde voor haar vader en voor de zus van diens vijand.
De Duitse bas-bariton Ferdinand Frantz (1906-1959) was hier pas 31 jaar, bevond zich tussen zijn engagementen in Chemnitz (1932-37) en Hamburg (1937-43) en zong toen nog baspartijen. Zijn pauselijke legaat Raimondo is te horen in de eerste akte en zijn granieten geluid valt onmiddellijk op. Frantz kreeg in 1939 ter ere van Hitlers 50ste verjaardag de titel Kammersänger.* Hij zong overigens nooit in Bayreuth.
Opnieuw Rudolf Gonszar (1907-1971) – te gast vanuit Frankfurt (zie 1.) – maar nu niet als Orsini, maar als Colonna en de Duitse bariton Theodor Horand (1895-1973) is Orsini. De Duitse tenor Hanns Fleischer (1890-1969) is te horen als Baroncelli in de finale II “Ihr saht, Signori, das Verbrechen”. Zijn zus Edytha zong grote rollen in de Metropolitan Opera van New York. De Oostenrijkse bariton Rudolf Schmalnauer (1883-1939) had meegewerkt aan de wereldpremières van ‘Der Rosenkavalier’, ‘Die schweigsame Frau’, ‘Arabella’ en Busoni’s ‘Doktor Faust’ en zingt hier Cecco. De lyrische sopraan Lore Hoffmann (1911-1996) is een mooie Friedensbote aan het begin van de tweede akte.
Ook de Duitse dirigent Hans Weisbach (1885-1961) was niet geheel zuiver. Vanaf 1932 was hij al lid van de NSDAP (Mitgliedsnummer 276.915) en hij zou ook gastdirigent van het Orchester des Führers zijn geweest.* Tussen 1933 en 1939 leidde hij het Leipzig Rundfunk Sinfonieorchester – nu het MDR-Sinfonieorchester – en in dat kader dus deze ‘Rienzi’. Zijn lezing met dit orkest en het Chor des Senders Leipzig bezit zowel de grandeur als de poëzie van dit Grand Opéra / Singspiel werk. In 1939 werd Weisbach naar aanleiding van de 50ste verjaardag van Hitler GMD van het Städtischen Orchesters in Wenen.*
De CD wordt aangevuld met het gebed van Rienzi uit de vijfde akte die Seider tien dagen later opnam met hetzelfde orkest, nu onder leiding van de Duitse dirigent Hilmar Weber (1890–1956). Weber was vanaf 1925 dirigent en Kapellmeister van het Mitteldeutsche Rundfunk A.G. (MIRAG) en uiteindelijk van het Rundfunk-Sinfonieorchester Leipzig.
Walhall Eternity Series WLCD 0111 (2CDs) / 1°43’34
2.
Tussen 1933 und 1944 nam Hermann May – de hoofdsouffleur van de Wiener Staatsoper – heimelijk of semi-officieel fragmenten van live-uitvoeringen op. Hij deed dit met een vroege opnamemachine vanaf de souffleursbak of direct vanuit de coulissen. May installeerde een draagbare platensnijmachine direct onder zijn werkplek. Een kleine microfoon verborg hij in of net buiten de souffleursbak, gericht op het podium en de orkestbak.
Deze lakplaten (decélith-platen) konden per kant slechts vier tot vijf minuten aan audio opnemen en May moest handmatig een nieuwe plaat opstarten zodra de vorige vol was. Hoewel het vaak gaat om korte fragmenten legde hij hiermee een uniek tijdperk vast.
Zo maakte May ook opnamen van de voorstelling van ‘Rienzi’ op 15 mei 1933 in de Wiener Staatsoper. ‘Rienzi’ beleefde tussen 25 maart 1933 tot en met 8 februari 1934 acht voorstellingen in de Wiener Staatsoper in een nieuwe enscenering van regisseur Hans Duhan. De uitvoering op 15 mei 1933 was de vierde in de reeks en was een “Veranstaltung des Bundesmininisteriums für Unterricht (Volksbildungsstelle) für die studierende Jugend Operntheater”.
May legde 16 minuten van de uitvoering op grammofoonplaat vast en de zeven fragmenten concentreren zich op de titelpartij. Deze titelrol werd vertolkt door de Duitse tenor Franz Völker (1899-1965), die tussen 1931 en 1935 verbonden was aan de Wiener Staatsoper. In alle acht voorstellingen van deze ‘Rienzi’-reeks zong hij de titelrol. Te horen is hij in (1) “Erstehe, hohe Roma, neu!” in de finale I, in twee korte optredens aan het (2) begin en (3) einde van de tweede akte, in drie fragmenten uit de derde akte – het (4) “Santo Spirito cavaliere!”, (5) de interactie met Adriano en in de finale het (6) “Heil, Roma, dir!” (helaas zonder het slot) – en ten slotte het gebed (7) “Allmächt’ger Vater”. Völkers klank is ideaal voor de tribuun, heroïsch, open in het forte, buigzaam en “abgedunkelt” in de lyrische momenten. Zijn “Allmächt’ger Vater” is een langzaam gebed, net als bij August Seider en Max Lorenz.
De Hongaarse mezzo Rosette Anday (1903-1977) is kort te horen als Adriano in de interactie met Rienzi in de derde akte. Zij zong tussen 1921 en 1962 aan de Wiener Staatsoper en zat vanwege haar Joodse achtergrond in de Tweede Wereldoorlog ondergedoken.
Twee Weense ensembleleden zijn te horen als de Baroncelli en Cecco aan het begin van de tweede akte, de buffo-tenor Hermann Gallos (1886–1949) – Scaramuccio tijdens de wereldpremière van de herziene versie van ‘Ariadne auf Naxos’ (1916) en later de docent van onder andere Walter Berry (zie 4. en 5) – en de bas Karl Ettl (1899-1956), die er tussen 1924 en 1945 135 rollen in 86 opera’s vertolkte.
Opnieuw Josef Krips (zie 4.) in een heldere, spannende en vurige lezing. Een indruk hoe ‘Rienzi’ voor de Anschluss in Wenen werd uitgevoerd. Na deze voorstellingsreeks duurde het tot 1997 voordat weer een nieuwe productie van ‘Rienzi’ in de Wiener Staatsoper zou worden opgevoerd.
Koch Schwann 3-1466-2 (2CDs) / 16’8”
* Klee – Das Kulturlexikon zum Dritten Reich; Wer war was vor und nach 1945 (Frankfurt am Main: Fischer Verlag, 2007)







