Er is slechts een klein aantal studio-opnamen van de opera ‘La Fanciulla Del West’ van Giacomo Puccini.


1.

Dikwijls wordt gezegd dat de titelrol van Minnie in de opera ‘La Fanciulla Del West’ van Giacomo Puccini (1858-1924) de glansrol was van de Italiaanse sopraan Renata Tebaldi (1922-2004), maar niets is minder waar. Slechts vijf maal vertolkte zij de rol op het operatoneel, in februari en maart 1970 in de Metropolitan Opera van New York. Daarvoor had zijn in 1961 de partij in de RAI-studio in Milaan en in augustus 1958 in Santa Cecilia van Rome voor de studio-opname van Decca gezongen. 

Zij zou voor deze studio-opname zijn ingevallen voor de sopraan Anita Cerquetti. Het was dus hier de eerste keer dat Tebaldi de titelrol van ‘La Fanciulla Del West’ zong. Ongetwijfeld had zij de partij ingestudeerd met haar lerares Carmen Melis (1885-1967), die nog met Puccini zelf aan de rol had gewerkt.

Tebaldi schetst een schitterend portret van Minnie, de vrouw die wordt gezien als de moeder van de goudzoekers. Haar grote stem past uitstekend in deze harde mannenwereld. Zij bouwt het drama fraai op – in eerste instantie nog afstandelijk naar de bandiet Johnson – en zingt Minnie met hartstocht, charisma en nuance, ook al zijn de topnoten breed open en gespannen.

In de tweede akte als zij Johnson verstopt, bezorgt zij kippenvel met “T’amo! Su!”. Tebaldi’s “Tre assi e un paio” in de kaartscène van de finale II in de Met was legendarisch. Luister op de radio-uitzending en de twee in-house opnamen naar het applaus van het New Yorkse publiek als zij haar full house heeft neergegooid. Operageschiedenis!

Haar landgenoot Mario Del Monaco (1915-1982) is de bandiet Dick Johnson op wie zij verliefd wordt. Del Monaco had zijn roldebuut als Johnson op 15 augustus 1947 in Rio de Janeiro gemaakt en zong de rol daarna in nog zeven andere producties. Er zijn drie opnamen van Del Monaco als Johnson op CD verschenen: Firenze 1954 (zie Bonus), Scala 1957 en deze studio-opname.

Del Monaco en Franco Corelli (zie Bonus) geven de meest stoere interpretaties van Johnson. Zijn grote, brede, dramatische geluid en hoge Bs zijn opwindend. En zelfs tracht hij nog een week meelij te veinzen voor Minnie in “No, Minnie, non piangete” in de finale I.

De Amerikaanse bariton Cornell MacNeil (1922-2011) is sheriff Jack Rance, een jaar nog voor zijn debuut in de Met én in de Scala. In de Met zou hij 642 voorstellingen in 26 rollen geven. Met Leonard Warren, Robert Merrill, Sherill Milnes (zie 4.) was hij één van die Amerikaanse heldenbaritons met sterke stem en grote muzikaliteit. Zijn Rance straalt de autoriteit van de politieleider uit, maar is ook con amarezza in zijn “Minnie, dalla mia casa son partito”.

De reizende muzikant Jake Wallace is luxe bezet met de sonore, Amerikaanse bas Giorgio Tozzi (1923-2011), die de rol vier jaren eerder ook al in Florence had gezongen (zie Bonus).

De carrière van de Italiaanse dirigent Franco Capuana (1894-1969) concentreerde zich voornamelijk in zijn geboorteland en hij had ‘La Fanciulla Del West’ voor het eerst in 1940 in Bologna gedirigeerd. Met het Orchestra dell’Accademia di Santa Cecilia van Rome geeft hij een gedegen, maar niet de meest opwindende lezing op CD. Daarvoor dient men bij Von Matačić (zie 3.), Mehta (zie 4.), De Fabritiis en Mitropoulos  (zie Bonus) te zijn. De geluidskwaliteit van deze Decca-opname is overigens uitstekend. In november 1958 zou Capuana ‘La Fanciulla Del West’ opnieuw in Bologna dirigeren met Gigliola Frazzoni als Minnie (zie Bonus), Giangiacomo Guelfi als Rance (zie Bonus) en Roberto Turrini als Johnson.

Decca 421 595-2 (2CDs)

2.

De Radiotelevisione Italiana (RAI) verzorgde op 23 november 1950 een radio-uitvoering van ‘La Fanciulla Del West’ in Milaan. Voor de microfoon stond een compleet Italiaanse cast.

De sopraan Carla Gavazzi (1913-2008) heeft naar alle waarschijnlijkheid Minnie nooit live in een operahuis gezongen. Vanwege haar is deze opname interessant. Haar stem bezit kracht en warmte en haar opwindende middenregister gaat haast onhoorbaar over in haar borststem. Haar portrettering is boeiend en haar enorme expressie vol energie en vuur en haar muzikaliteit met aandacht voor details passen uitstekend in de veristische partij. Carla Gavazzi nam op 46-jarige leeftijd afscheid van het operatoneel vanwege familieopstandigheden.

De Egyptisch-Italiaanse tenor Vasco Campagnano (1910–1976) had op 4 april 1948 zijn Scala-debuut gemaakt als Calaf. Hij heeft niet het dramatische of spinto geluid van Del Monaco (zie 1) of Franco Corelli (zie Bonus), maar een meer lyrisch timbre à la Beniamino Gigli. Zijn Johnson overtuigt dan ook meer in de liefdespassages, maar de hoge Bs staan als een huis en hij zet Johnson uitstekend neer. Voor de RAI zou Campagnano nog meewerken aan radio-uitzendingen van ‘Aroldo’ (1951) en ‘Manon Lescaut’ (1953). Hij werd slechts 65 jaar. Gavazzi en Campagnano maken de ongemakkelijke verlegenheid in de eerste akte hoorbaar en de gepassioneerde uitwisselingen in de tweede akte spannend.

De Italiaanse bariton Ugo Savarese (1912-1997) had in 1934 zijn operadebuut in Napels gemaakt en zong daarna ook internationaal alle grote baritonpartijen van het Italiaanse repertoire. Hij had op 31 augustus 1946 zijn Scala-debuut gemaakt als Escamillo en zong er in de daaropvolgende 18 jaren. Hij heeft een fluweliger en minder scherp gefocust timbre dan de andere heldenbaritons in de rol van Rance, maar portretteert de sheriff met Italiaanse natuurlijkheid. Savarese zou in 1953 voor Cetra nog Germont in ‘La Traviata’ zingen naast Maria Callas.

Dirigent Arturo Basile (1914-1968) geeft met het Orchestra Lirica e Coro della RAI di Milano een uiterst sfeervolle lezing, is bedacht op elk detail en zorgt voor een schitterende vaart. Basile kwam in 1968 op de top van zijn roem op 54-jarige leeftijd om het leven tijdens een auto-ongeluk. De geluidsopname klinkt benauwd en dompig, maar de stemmen zijn goed voorop en helder.

Warner Fonit 8573 87488-2 (2CDs)

3.

Een maand voor de Decca-opname van ’La Fanciulla Del West’ maakte EMI tussen 16 en 23 juli 1958 een studio-opname van de opera in het Teatro alla Scala van Milaan. Men wilde in eerste instantie het trio Maria Callas, Franco Corelli en Tito Gobbi hebben, maar Callas sloeg de aanbieding af en ook de andere twee zangers zegden af.

De Zweedse sopraan Birgit Nilsson (1918-2005) zou de rol van Minnie in de trein van Stockholm naar Milaan hebben geleerd. Als het niet waar is, is het leuk verzonnen… Feit is in elk geval dat haar portrettering – zoals zo vaak bij Nilsson in het Italiaanse vak – interessant is. Wie door het Scandinavische staal – opnieuw, zoals zo vaak bij Nilsson – heen luistert, hoort een prachtige frasering, fraai inlevingsvermogen en stralende hoge Cs (van de Cis op “via di qua” in de finale II maakt zij van de achtste een vol gezongen kwartnoot). Nilsson zong Minnie nooit live. Zij beschouwde de partij volgens sommigen als één van de moeilijkste die ze ooit had gezongen en verklaarde dat een complete ‘Der Ring des Nibelungen’ gemakkelijker was dan één enkele ‘La Fanciulla Del West’.

De jonge, Braziliaanse tenor João Gibin (1929-1997) was opgetrommeld voor de partij van Johnson. Hij had in januari en februari van het opnamejaar twee maal Calaf naast Birgit Nilsson gezongen in de Wiener Staatsoper en de rol in mei van het jaar in Nederland gezongen. Hij is een ondergewaardeerde zanger met slechts een handjevol opnamen. Men hoort een werkelijk heroïsche tenor, die een uitstekende schets van de bandiet annex minnaar geeft. Gibin zou een jaar later Chenier in Nederland en Calaf in de Scala zingen.

Voor de partij van Rance hier geen bariton maar een bas. De Italiaan Andrea Mongelli (1901-1970) zong vooral basrollen als Filippo II, Sparafucile, Zaccaria, Basilio, Raimondo en Ramfis, maar ook Scarpia en Wotan en had Rance in 1957 vijf maal in de Scala gezongen. Zijn bas heeft een groot bereik en zijn diepe timbre geeft de gemene sheriff extra karakter. De partij van Jake Wallace is luxe bezet met de Italiaanse bas Nicola Zaccaria (1923-2007), die de rol dikwijls in de Italiaanse operahuizen vertolkte (zie Bonus).

De Joegoslavische (Kroatische) dirgent Lovro von Matačić (1899-1985) geeft een interessantere lezing dan Capuana. Hij zweept het Orchestra del Teatro alla Scala op en de uitvoering heeft een prikkeling en pulsatie. Destijds klonk de Decca-opname briljanter en had interessantere geluidseffecten, maar nu, op goede apparatuur, is de EMI-opname rijker, ronder en heeft zij meer diepte.

EMI CMS 7 63970-2 (2CDs)

4.

Het Royal Opera House Covent Garden van Londen presenteerde tussen 24 mei en 10 juni 1977 zes voorstellingen van ‘La Fanciulla Del West’ met Carol Neblett, Plácido Domingo en Silvano Carroli. De productie van regisseur Piero Faggioni werd aangeboden ter gelegenheid van het zilveren jubileum van Queen Elizabeth II, die toen 25 jaren op de troon zat. In januari 1978 werden nog eens vier voorstellingen met dezelfde cast gespeeld. In september 2008 zong de Nederlandse sopraan Eva-Maria Westbroek (zie Bonus) in de laatste zes voorstellingen van deze productie.

Naar aanleiding van het evenement werd na de eerste opvoeringsreeks in juni 1977 een studio-opname van ‘La Fanciulla Del West’ gemaakt in Watford Town Hall te Londen. Minnie was de glansrol van de Amerikaanse sopraan Carol Neblett (1946-2017), die de rol onder andere al in 1974 in Turijn en in 1976 in de Wiener Staatsoper had vertolkt. Zij zong Minnie in de Metropolitan Opera van New York slechts één keer, in 1993 met Nicola Martinucci en Sherrill Milnes. Haar ronde, egale spintosopraan maakt vooral indruk in de tedere momenten van Minnie, ook al is zij niet altijd even verstaanbaar.

De Spaanse tenor Plácido Domingo (1941) is Dick Johnson. Zijn stem is hier nog slank en heeft nog niet de breedte van zijn Otello’s van de jaren tachtig. Hij is een bezielde minnaar en prachtig in het liefdesduet in de eerste akte.

Niet Silvano Carroli maar de Amerikaanse bariton Sherrill Milnes (1935) werd geëngageerd voor de partij van Jack Rance in de studio. Met zijn open en hoge stem en soms bijtende timbre portretteert hij genuanceerd de complexiteit van de sheriff, zijn hartstocht voor Minnie, de wraak en de onderdrukking, alles in de geest van Tito Gobbi (zie Bonus).

De Indiase dirigent Zubin Mehta (1936) leidde alle voorstellingen van ‘La Fanciulla Del West’ in 1977 en 1978 in Covent Garden en toont zich opnieuw een Puccini-autoriteit. Zijn lezing met het London Philharmonic Orchestra is opwindend, met oor voor details en hij stuwt het drama uitstekend voort.

DG 474 840-2 (2CDs)

5.

‘La Fanciulla Del West’ werd tussen 16 en 28 juni 1991 opgenomen in Studio 1 van de Bayerische Rundfunk te München. Het is een grootste romantische uitvoering.

De Hongaarse sopraan Éva Marton (1943) zong – net als Carla Gavazzi en Birgit Nilsson – zover bekend de rol van Minnie nooit op het operatoneel. Zij biedt vocale breedte en haar hoge noten zijn uitstekend en toch krijg je de indruk dat Marton haar grote stem zo nu en dan probeert klein te houden. Zij weet Minnie op haar manier neer te zetten. Haar Minnie is groot, moedig, vroom, tragisch en vol energie, maar zonder flair of sensualiteit.

Daarentegen tracht de Welshe tenor Dennis O’Neill (1948) zijn lyrische stem groter te laten klinken dan hij is. Hij heeft niet het spinto, dramatische of heldengeluid voor de bandiet Johnson en slaat zich met slanke, soms geknepen tenor door de partij. Voor het eerst horen we hier overigens in het liefdesduet van Minnie en Johnson in de tweede akte, de vijftien maten die Puccini voor de herneming van ‘La Fanciulla Del West’ in 1922 in Rome componeerde, inclusief de hoge C voor beiden.

De Franse bariton Alain Fondary (1932) had als Rance op 25 november 1985 zijn debuut in het Royal Opera House Covent Garden van Londen gemaakt en brengt die toneelervaring mee op deze opname. Hij kruipt met zijn heldenbariton in de huid van de sheriff en geeft een overtuigend portret. Hij zou Rance in 1993 nog zes keer in de Met zingen.

De Amerikaanse dirigent Leonard Slatkin (1944) geeft met het Münchner Rundfunkorchester een romantische uitvoering. De tempi zijn over het algemeen aan de trage kant en de tempowisselingen klinken te geforceerd. Luister naar de te uitgesponnen versnelling en vertraging na Minnies “Eccolo! È tuo!” in de tweede akte. Meer Wagner dan Puccini.

RCA Red Seal 09026-60597-2 (2CDs)

BONUS

1.

Zonder chauvinisme kan men gerust zeggen dat de Nederlandse sopraan Eva-Maria Westbroek de meest interessante Minnie is sinds Renata Tebaldi. Zij zong de rol in 2008 in de onovertroffen enscenering van Piero Faggioni in Londen (zie 4), in 2009 in Amsterdam, in 2016 in de Wiener Staatsoper en in 2018 in de Metropolitan Opera van New York. In mei 2013 vertolkte zij de rol in een enscenering van Christof Loy uit 2011, die de Oper Frankfurt vanuit Stockholm had overgebracht.

Eva-Maria Westbroek was hier op de top van haar indrukwekkende carrière. In vergelijking met Nilsson, Neblett en Marton is haar vertolking van interessanter wat betreft portrettering, energie, muzikaliteit, frasering en verstaanbaarheid en haar gulle spinto-sopraan biedt eindeloze kleuren en gloedvolle, opbloeiende, ronde tonen. Haar Minnie is warm en menselijk. En de hoge Bs en Cs zijn trefzeker!

In de Uruguayaanse tenor Carlo Ventre vond zij een schitterend viriele Dick Johnson met een rauw borstregister en een prachtige hoogte. De Britse bariton Ashley Holland is een wollige Jack Rance, die vaak door het orkest wordt ondergesneeuwd.

Dirigent Sebastian Weigle heeft niet veel kaas gegeten van Puccini. Zijn strakke directie van het – overigens uitstekend spelende – Frankfurter Opern- und Museumorchester is zonder gevoel voor rubato, zonder de kleurmenging en zonder de warmbloedigheid van Puccini. Van Puccini’s 1922 toevoeging in de tweede akte worden slechts een paar maten gespeeld, zonder de hoge Cs. De geluidsopname is uitstekend!

Oehms OC 945 (2CDs)

2.

‘La Fanciulla Del West’ werd in juni 1954 vier maal opgevoerd tijdens de 17e Maggio Musicale Fiorentino in Florence. De première op 15 juni 1954 is als geluidsopname bewaard gebleven en is een historisch document.

Eén van de heldendaden van de Amerikaanse sopraan Eleanor Steber (1914-1990) was haar inspringen als Minnie op 17 januari 1966 in de Met. Vier uren van tevoren hoorde zij dat zij moest invallen voor Dorothy Kirsten, terwijl Steber de rol al jaren niet  meer gezongen had. En haar vertolking was opwindend! Corelli gaf na de eerste akte op, sommigen zeggen omdat hij de zenuwen kreeg van Steber.

Hier twaalf jaren eerder in Florence was het Stebers roldebuut als Minnie, in de tijd dat zij zich op zwaardere rollen ging concentreren. In haar autobiografie schrijft zij over de frustraties tijdens de repetities met regisseur Curio Malaparte slechts aan de kant “looking gorgeous” en “wasn’t even concerning himself with Minnie”. Opvallend haar technische beheersing, haar stralende hoogte, maar daar waar nodig expressief ten koste van de noten. Een prachtige, ontroerende Minnie! Haar witte cowboyhoed en handschoenen bevinden zich in het operamuseum van Florence. 

Opnieuw Mario Del Monaco (1915-1982) als de meest viriele Johnson. De rol lijkt gecomponeerd voor zijn grote, ronde dramatische tenor en trompetachtige geluid. Hier is Del Monaco op zijn best en zingt hij zo nu en dan zelfs fraai lyrisch. Hij krijgt applaus bij zijn opkomst in de eerste akte. Ook krijgt hij na “Or son sei mesi” in de tweede akte én na “Ch’ella mi creda” enthousiast applaus.

Een bonus zijn de opwindende maten die Puccini voor de Romeinse herneming in 1922 voor het liefdesduet van de tweede akte componeerde (zie 5). Steber en Del Monaco gaan hier samen naar de hoge C, door het Florentijnse publiek dankbaar beloond met applaus. Steber writes in her autobiography that Dimitri Mitropoulos warned her about Del Monaco’s jealous wife. Steber en Del Monaco zouden overigens in oktober 1956 opnieuw naast elkaar staan in ‘La Fanciulla Del West’ in Chicago.

De Italiaanse bariton Giangiacomo Guelfi (1924-2012) was hier pas 29 jaar en naast Tito Gobbi (zie Bonus 3) de meest bijtende Rance. Zijn bariton heeft daarentegen nog het ronde en de grootte die bij Gobbi ontbrak. Guelfi krijgt zelfs applaus na “Minnie, dalla mia casa son partito” in de eerste akte. De Amerikaanse bas Giorgio Tozzi (1923-2011) was hier pas 31 jaar en zong Jake Wallace in “Che faranno i vecchi miei” in de eerste akte. Twee jonge, talentvolle, Italiaanse bassen meldden zich hier aan: de 25-jarige Agostino Ferrin (1928-1989) als Happy en Paolo Washington (1932-2008) – geboren in Florence en hier pas 22 jaar ! – als Billy Jackrabbit.

De Griekse dirigent Dimitri Mitropoulos werkte tussen 1950 en 1957 vijf seizoen mee aan het festival Maggio Musicale Fiorentino. Hij geeft drive aan het drama en biedt met het Orchestra del Teatro Comunale di Firenze een lezing vol theatrale spanning. Mitropoulos heeft een verbluffende grip op de tempi, neemt rust voor alle details, maar  het wordt nooit traag. Hij spoort de zangers aan en volgt ze. Luister naar zijn vuur in de liefdesduetten van de eerste en tweede akte. 

Mitropoulos dirigeerde ook de voorstellingen van ‘La Fanciulla Del West’ met Steber en Del Monaco in 1956 in Chicago, waar hij het publiek vermaande vanwege het overmatige applaus. Ondanks dat noemde hij die voostellingen in zijn brieven “perfect… much better than in Florence”.

Regis RRC 2080 (2CDs)

3.

De première van ‘La Fanciulla Del West’ in het Teatro alla Scala van Milaan was op 29 december 1912 onder leiding van Tullio Serafin en Tina Poli-Randaccio als Minnie, Giovanni Martinelli als Johnson en Carlo Galeffi als Rance. In het seizoen 1955/56 werden in april 1956 vier voorstellingen van ‘La Fanciulla Del West’ in de Scala gegeven, waarvan een geluidsopname van de première op 4 april 1956 bewaard is gebleven.

De cast was 100% Italiaans. Minnie was de glansrol van de sopraan Gigliola Frazzoni (1923-2016). Haar carrière speelde zich voornamelijk af in Italië – naast onder andere één maal Tosca in Wenen – en zij had Minnie al in 1955 voor de Milanese RAI televisie gezongen (zie YouTube). De partij van Minnie paste als gegoten in haar stem. Het slot van “Laggiù nel Soledad” is hartverscheurend, luister hoe zij de tijd neemt voor de bijbelscène en op het moment dat zij Johnson in de tweede akte verstopt, krijg je kippenvel van haar “T’amo! Su!”. De hoge Cis daarna op “Via di qua” laat zij weg.

Frazzoni zou Minnie daarna nog dertien keer in de Scala vertolken. In 1957 zong zij het zes maal naast onder andere Del Monaco en Tito Gobbi (alternerend met Mongelli). Van die première bestaat een geluidsopname, maar die verscheen nooit op CD. In 1960, 1963 en 1964 was zij nog als Minnie te horen in Rome. Ook zong zij de rol in 1964 nog zeven maal in de Scala naast Franco Corelli (alterenerend met Bruno Prevedi) en Guelfi.

De tenor Franco Corelli (1921-2003) had op 26 januari 1955 zijn roldebuut als Johnson gemaakt in Venetië onder leiding van Oliviero de Fabritiis naast Guelfi als Rance. In datzelfde jaar zong hij de rol nog in Trieste. Corelli kwam dus goed voorbereid naar de Scala.

Bij zijn opkomst hier krijgt hij applaus van het Milanese publiek. De helden-dramatische partij en het temperament van de rol pasten hem volkomen. Zijn hartstocht uit zich in zowel de krachtige gedeelten met volle, hoge noten als de mooi gezongen, lyrische fragmenten. Na zijn “Or son sei mesi” in de tweede akte en na “Ch’ella mi creda” krijgt hij applaus van het Milanese publiek. Corelli zou daarna Johnson nog in 1960 in Verona (met Magda Olivero en Guelfi onder De Fabritiis) en zoals gezegd in 1964 opnieuw met Frazzoni in de Scala zingen.

De karakteristieke bariton van Tito Gobbi (1913-1984) hoor je overal doorheen. Zijn bijtende Jack Rance domineert de ensembles en biedt legendarisch theater. Hij zou Rance in 1960 nog in San Francisco zingen. Opnieuw Nicola Zaccaria als de melancholische troubadour Jake Wallace.

Dirigent Antonino Votto (1896-1985) had in 1923 zijn Scala-debuut gemaakt met ‘Manon Lescaut’. Met het Orchestra del Teatro alla Scala geeft hij een sfeervolle interpretatie, maar minder volbloedig als de drie Ms: Von Matačić, Mehta en Mitropoulos. Votto zou in 1970 zijn laatste voorstelling (‘Ernani’) in de Scala dirigeren.

Standing Room Only SRO 506-2 (2CDs)

4.

‘La Fanciulla Del West’ werd in 1952 vier maal – op 24, 27 en 30 januari en 2 februari – in het Teatro dell’Opera van Rome opgevoerd. Een integrale live-opname van de opera met dezelfde Italiaanse bezetting van deze serie is bewaard gebleven. Het CD-label vermeldt echter als opnamedatum 25 november 1950, terwijl het archief van de opera van Rome in 1950 geen uitvoeringen van ‘La Fanciulla Del West’ vermeldt.

De bezetting is volledig Italiaans. Dit is de enige opname van de sopraan Maria Caniglia (1905-1979) als Minnie op CD. De hier 45-jarige Caniglia had hier al een grote internationale carrière achter de rug met grote rollen van de Met tot de Scala. Ook al is de glans op de stem niet meer 100% en zijn er – net als bij Tebaldi en Gavazzi – schoonheidsfoutjes in de hoogte, haar expressie, touchers, oprechtheid en elegantie in zowel de lyrische als dramatische fragmenten zijn geweldig. Er bestaat nog een opname van Caniglia en Del Monaco in ‘La Fanciulla Del West’ uit 1957 in Napels, maar die verscheen nooit op CD. Caniglia overleed ook in Rome op 73-jarige leeftijd.

De tenor Giacomo Lauri-Volpi (1892-1979) zong hier op 57-jarige leeftijd Dick Johnson. Hij had in april 1943 in twee uitvoeringen van ‘La Fanciulla Del West’ in de Scala gezongen onder leiding van Alberto Erede en met Maria Carbone als Minnie. Hier in Rome krijgt hij bij zijn opkomst al applaus. Hij klinkt nog fris en krachtig en zijn hoogte zijn klaroenstoten. Voor zijn hoge B in “Non so ben” in de eerste akte krijgt hij zelfs applaus. Dat lukte Corelli in de Scala niet.

Carbone zei in 1973 een interview over hem: “De opera die ik misschien wel het meest heb gezongen was ‘Fanciulla’, na mijn verbluffende succes in La Scala in 1943. Lauri-Volpi was Dick Johnson, en zijn “Ch’ella mi creda” werd gezongen als een klaagzang die je verscheurde. Ik had het nog nooit op die manier gehoord en ik denk dat ik het ook nooit meer zo zal horen. Er zal nooit meer een tenor zoals hij zijn; hij was een wet op zichzelf, maar gezegend met flitsen van magie.”

Lauri-Volpi zou in 1957 op 64-jarige leeftijd voor vier voorstellingen als Johnson terug zijn in Rome. Er is een geluidsopname van de première op 30 maart 1957 onder leiding van Vincenzo Bellezza met Magda Olivero als Minnie en Giangiacomo Guelfi als Rance is bewaard, waarvan slechts fragmenten op CD verschenen. Ook in Rome zou Lauri-Volpi zijn laatste geënsceneerde operavoorstelling zingen op 7 februari 1959 in ‘Il Trovatore’.

De bariton Raffaele De Falchi (1910-1978) had al in 1934 zijn debuut bij de opera van Rome gemaakt als Apollo in ‘Orfeo’ van Monteverdi onder leiding van Tullio Serafin en met Benvenuto Franci in de titelrol. Ook in Rome had De Falchi in 1949 als de rol van Rance gezongen naast Lauri-Volpi. Hier als Rance klinkt hij meer vermoeid dan veroverend.

De Italiaanse dirigent Oliviero De Fabritiis (1902-1982) was in Rome nauw verbonden met ‘La Fanciulla Del West’. Hij dirigeerde er tussen 1937 en 1949 drie voorstellingsreeksen: in 1937, in 1940/1941 en 1949, ook met Lauri Volpi. Op 23 april 1941 gaf hij met het Teatro dell’Opera nog een gastoptreden in het Deutsche Opernhaus in Berlijn…  Met het Orchestra del Teatro dell’Opera di Roma biedt hij in ‘La Fanciulla Del West’ een opwindende uitvoering vol spanning en drive. De souffleur heeft ook hier een prominente rol.

In het liefdesduet van Minnie en Johnson in de tweede akte is na “Eternamente” Puccini’s aanvulling van de Romeinse herneming van 1922 niet uitgevoerd, wat je in Rome – en met Lauri-Volpi – toch wel zou hebben verwacht. Helaas ontbreekt op de opname de herkenningsscène van Minnie en Johnson in de tweede akte en daardoor ook jammer genoeg Lauri-Volpi’s vertolking van “Or son sei mesi”. Op de Romeinse opname van 1957 krijgt hij hier een stormachtig applaus (label Golden Age Of Opera GAO 180).

Grand Tier 764805-1798-27 (2CDs)