De Nederlandse coloratuursoubrette Lea Fuldauer zong tussen 1916 en 1922 bij de Nederlandsche Opera en N.V. Nationale Opera. Daarna trad zij als Lia Fuldauer tien jaren in het buitenland op. Vanaf 1933 werkte zij opnieuw een aantal jaren in Nederland, totdat de Joodse zangeres in 1938 emigreerde naar Brazilië.

De geboorte en jeugd van de Nederlandse sopraan Lea Fuldauer is met geheimzinnigheden omhuld. Zij werd op 27 juli 1887 als Louisa de Leeuw in Amsterdam geboren. Na haar geboorte werd zij ingeschreven op het adres Nieuwendijk 44 te Amsterdam bij Elisabeth Hartog de Leeuw (Bevolkingsregister Amsterdam, archiefnummer 5000, inventarisnummer 2327).

In een korte biografie over Lea Fuldauer in ‘De Nieuwe Courant’ van 9 december 1920 leest men:

“Als kind van één jaar verliet zij reeds haar geboorteplaats Neuilly (bij Parijs). Sedert woont zij in Nederland. Van moederszijde heeft zij Fransch bloed in haar aderen” (De Nieuwe Courant; 9-12-1920)

Dit verhaal komt echter niet overeen met het geboorteregister van Amsterdam (Amsterdams bevolkingsregister 1874-1893, archiefnummer 5000, inventarisnummer 1987).

Elisabeth Hartog de Leeuw was wellicht de alleenstaande moeder van Louisa. Elisabeth werd op 27 oktober 1857 te ‘s-Gravelande geboren en werkte als huishoudster. De naam van de vader van Louisa de Leeuw is onvindbaar. Er woonde in die periode ook geen mannelijk persoon met de naam De Leeuw op Nieuwendijk 44 te Amsterdam.

Louisa verhuisde op 17 oktober 1887 – precies drie maanden oud – naar Den Haag, terwijl Elisabeth tot februari 1888 ingeschreven bleef op Nieuwendijk 44 te Amsterdam. Waar Louisa de Leeuw in Den Haag in eerste instantie ging wonen – wellicht bij een pleeggezin – is onbekend.

Op Nieuwendijk 89 te Amsterdam woonden op dat moment Isidore D. Fuldauer en Selly Fuldauer. Dit echtpaar zou zeker tot 1892 in Amsterdam blijven wonen (Stadsarchief Amsterdam, bevolkingsregister 1874-1893, deel: 1986, archief 5000).
Daarna verhuisden zij naar Den Haag en Louisa de Leeuw zou later daar bij hen gaan wonen.

1905

Als zangstudente aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag werkte Louisa de Leeuw op 24 november 1907 onder de naam Lea Fuldauer mee aan een concert van de ’s-Gravenhaagsche Toynbeevereeniging ‘Ons Huis’ in het gebouw Diligentia van Den Haag. Het was de eerste vermelding van haar als medewerkende aan een concert. Overige solisten waren de alt Jacoba Repelaer van Driel, violiste Aletta De Jongh, celliste Annie De Jongh en pianist W. De Jongh Dz.. Lea Fuldauer verzorgde tijdens het concert de declamatie (Het Vaderland; 15-11-1907).

Lea Fuldauer behaalde eind 1909 haar einddiploma zang bij Marie Bol aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag (Het Vaderland; 5-1-1910).
Marie Bol was gedurende dertig jaren docente solozang aan het Koninklijk Conservatorium.

1910

Lea Fuldauer gaf samen met Jetske Delbeek, Hélène Pohl en Lizette Steelink – allen leerlingen van Marie Bol, die eind 1909 het einddiploma voor solozang aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag behaald hadden – en Jacoba Repelaer van Driel (eveneens oud-leerlinge van Marie Bol) op 4 januari 1910 een soirée musicale in Diligentia. De heeren Goemans en Wolf namen de klavierbegeleidingen voor hun rekening. Het dagblad Het Vaderland merkte het talent van Lea Fuldauer op:

“Een gepaste vrijmoedigheid toonde mej. Lea Fuldauer, een lichte sopraan met een zeer sympathieken aanleg. In een aria van en het duet uit ‘Der Freischütz’ toonde zij een rapheid van tong en keel-vaardigheid, die, al is nog niet alles duidelijk, veel beloven. Een zeer zuiver, fijn voelend muzikaal talent, aardig jong-leuke actie toonde zij in alles; „der tapfere Reiter” van Taubert maakte zij tot een juweeltje van eenvoud, waarin ook de begeleiding van Goemans een werkzaam aandeel had. Te hopen is, dat de stem nog groeit in klank en omvang” (Het Vaderland; 5-1-1910).

Daarna hield Lea Fuldauer zich voornamelijk als concertzangeres bezig. Verder zong zij op 27 april 1910 in een operette. Ze vertolkte zowel de titelrol als de prins in ‘Het Schoorsteenvegertje’ van de Nederlandse componist Cornelis Wulffraat in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Den Haag:

“Lea Fuldauer, die de doublé-partij van prins-schoorsteenveger alleraardigst tot haar recht bracht” (De Nieuwe Courant; 28-4-1910)

Op 10 en 14 december 1910 vertolkte zij de rol van Hänsel in ‘Hänsel und Gretel’ van Engelbert Humperdinck in de Haarlemse Schouwburg aan de Jansweg (Nieuwe Haarlemsche Courant; 12-12-1910).

Zij zong Hänsel opnieuw op 16 februari 1911 in de Amsterdamse Stadsschouwburg (De Courant; 13-2-1911).

In juli 1911 slaagde Lea Fuldauer voor haar examen koorgezang van de Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging in Den Haag (Het Vaderland; 24-7-1911).

Lea Fuldauer verloofde zich op 3 oktober 1912 met David I. Fuldauer uit Amsterdam (Nieuw Israelietisch Weekblad; 2-10-1912).

Uiteindelijk lijken zij nooit te zijn getrouwd.

Interessant is het feit dat Lea Fuldauer op 21 maart 1913 in Den Haag het zilveren huwelijksfeest van Isidore D. Fuldauer en Selly Fuldauer vierde (Algemeen Handelsblad; 20-3-1913).

Mogelijk gaat het hier om de pleegouders van Lea Fuldauer, beide in Amsterdam geboren en op 21 maart 1888 in Weesp getrouwd (burgerlijke stand van de gemeente Weesp, archief 358.132, inventarisnummer 21888, 21-03-1888, huwelijksakten 1888, aktenummer 10).

Van hen zou zij haar artiestennaam hebben aangenomen en later zou zij haar achternaam nog officieel veranderen. Isidore en Selly hadden twee zonen, David Isaäc Fuldauer (✡︎ 8 augustus 1888, Amsterdam) en Arnold Israel Nicolaas Fuldauer‏‎ (✡︎ 6 december ︎1891, Amsterdam). Wellicht is Isidore en Selly’s oudste zoon David ook de verloofde van Lea Fuldauer geweest. Isidore, David en Arnold Fuldauer zouden in de Tweede Wereldoorlog in Auschwitz worden vermoord.

1915

Lea Fuldauer begon haar carrière als coloratuursopraan op 24 maart 1916 bij de Duitsche Opera in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te ’s-Gravenhage in het bijrolletje van het Taumännchen in ‘Hänsel und Gretel’. Daar moest zij nog even wennen aan het acteren:

“Het „Sandmannchen” (Riek van Loon), voldeed in haar acteeren beter dan het „Taumannchen” (Lea Fuldauer), dat meer zich om den dirigent dan om de kinderen bekommerde” (Delftsche Courant; 25-3-1916)

Op 22 mei 1916 ging het acteren haar al beter af bij een uitvoering van de Zangacademie van Cornélie van Zanten in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag. Daar zong Lea Fuldauer de partijen van Amour in ‘Orphée’ van Gluck, Marie in het tweede bedrijf van ‘Zar und Zimmermann’ van Lortzing en Cherubino in de derde akte van ‘Le Nozze di Figaro’ van Mozart:

“Mej. Fuldauer kon zich nog even als zangeres, ook als belovende actrice onderscheiden (nog weer even onzuiver) in de door haar charmant voorgestelde Amor […] Lea Fuldauer was zijn veel-begeerd nichtje Marie (wel te begrijpen), weer heel aardig […] Lea Fuldauer (Cherubino) zette ietwat te behangen de Canzone in, werd zich echter spoedig meester en bewoog zich met jeugdig pittige gratie, en met een lichte ijdele energie, die alleraardigst waren. De verkleedpartij was heel goed. Het vermogen om steeds de zuivere kern van den toon te treffen (in de hoogte) is bij mej. Fuldauer wel aanmerkelijk verbeterd.” (Het Vaderland; 23-5-1916)

Op 21 en 25 september 1916 zong Lea Fuldauer opnieuw bij de Zangacademie van Cornelie van Zanten de rol van Amour in ‘Orphée’ in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag, deze keer naast Tilly Koenen in de titelrol:

“Lea Fuldauer was de lieftallige Amor gebleven. Haar komt evenzeer een warm woord van lof toe” (De Nieuwe Courant; 22-9-1916)

“Zoo ook kon Lea Fuldauer’s medewerking zeer geprezen worden, als Amor ging er veel bekoring van haar zang uit, zoodat haar aandeel in het geheel zeer op prijs is te stellen geweest” (Haagsche Courant; 23-9-1916)

Op 26 december 1916 gaf Lea Fuldauer in de Harmonie te Roosendaal een concert met de befaamde harpiste Rosa Spier (De Grondwet; 14-12-1916).

Lea Fuldauer werd in het seizoen 1916/1917 geëngageerd door het Solisten Ensemble van de Nederlandsche Opera van directeur Henri Engelen. Bij dit gezelschap zong zij op 5 mei 1917 in de Hollandsche Schouwburg te Amsterdam de rol van Adele in ‘Die Fledermaus’ van Johan Strauss jr.. De overige solisten waren onder meer naast Jules Moes als Eisenstein en Richard van Helvoirt Pel als Falke:

“Van de solisten verdienen een speciaal compliment Lea Fuldauer, die debuteerde in de rol van het kamermeisje en vooral in haar zang operette-charme had…” (Algemeen Handelsblad; 6-5-1917)

“Een debutante, mejuffrouw Lea Fuldauer verraste door goede soubrette-kwaliteiten, welke in de Adele-partij ten goede kwamen” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 7-5-1917)

“Die blonk soms in het hupsche spel van Lea Fuldauer, een „nieuwe” soubrette, die, als Adele, met doorslaand succes, ook in vocaal opzicht, heeft gedebuteerd” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 15-5-1917)

Lea Fuldauer vertolkte op 26 mei 1917 – de première van 19 mei 1917 was een week uitgesteld – bij het Solisten Ensemble van de Nederlandsche Opera de rol van Olympia in ‘Les Contes d’Hoffmann’ van Offenbach in de Hollandsche Schouwburg naast Johan Reindert Schulze in de titelrol, Van Helvoirt Pel als Coppélius en Miracle, Annie Ligthart als Antonia en Liesbeth Poolman-Meissner als Antonia’s moeder:

“Onder de medespelenden blonken Annie Ligthart als Anthonia en Lea Fuldauer als Olympia bijzonder uit” (Het vaderland; 27-5-1917)

“In het bedrijf van Olympia heb ik vooral Lea Fuldauer gewaardeerd, die haar automatenrol aardig speelde en met charme zong, zij heeft het timbre en het talent voor coloratuur en zal in die richting wellicht nog veel kunnen bereiken” (Algemeen Handelsblad; 27-5-1917)

“De pop Olympia, die zingen, loopen en dansen kan, werd zeer verdienstelijk uitgebeeld door Lea Fuldauer en haar zang kan geroemd worden, hoewel de coloratuurpassages wel eens misten” (Het Nieuws van den Dag; 29-5-1917)

In het seizoen 1917/1918 was Lea Fuldauer door Gerhardus H. Koopman geëngageerd voor het gezelschap de Nederlandsche Opera. Ze zou in haar eerste seizoen bij dit gezelschap elf nieuwe, kleine en middelgrote rollen vertolken.

Op 2 oktober 1917 werkte zij mee aan de Nederlandse première van ‘Die Schneider von Schönau’ van Jan Brandts-Buys. Het werk had zijn wereldpremière beleefd op 1 april 1916 in de königliche Hofoper van Dresden met Minnie Nast als Veronika en Elisabeth Rethberg als Michele. In Wenen werd de opera in februari 1917 gespeeld met Lotte Lehmann in de rol van Veronika en de bas Richard Mayr als burgemeester Foltz.

De Nederlandse première was de eerste voorstelling van De Nederlandsche Opera in het seizoen 1917/1918, het tweede seizoen dat deze operaonderneming bestond. Als ‘De Kleermakers van Marken’ was de opera in een Nederlands gewaad gestoken en de plaats van handeling was verplaatst naar Volendam. De vertaling was van de hand van de Haagse kunstcriticus en hoofdredacteur van het weekblad ‘De Kunst’ N. H. Wolf. De zaal was geheel uitverkocht en aanwezig waren onder anderen de componisten Catharina van Rennes, Julius Röntgen en Daniël Ruyneman en schrijver Frederik van Eeden. Jan Brandts Buys was er wegens ziekte zelf niet bij. De solisten waren Louis Tulder (Steketee = Siegele), Jules Moes (Sebastiaan = Florian) en Annie Ligthart (Veronika). Het orkest stond onder leiding van dirigent Willem Harmans, die als kapelmeester aan het Deutsches Stadttheater in Poznán ‘Die Schneider von Schönau’ in januari 1917 al drie keer had gedirigeerd. De regie van de Nederlandstalige opvoering op in het Paleis voor Volksvlijt was in handen van Henri Engelen. Lea Fuldauer vertolkte de rol van Jantje:

“Hun leerlingen Jantje Lea Fuldauer, Heintje Annie Hoffman, Treintje Eva Vieyra, waren los en leuk en speelsch, muzikaal boeiend” (Het Vaderland; 3-10-1917)

Lea Fuldauer zong op 27 oktober 1917 te Rotterdam de rol van Gerhilde in ‘Die Walküre’ van Wagner bij de Nederlandsche Opera. Brünnhilde was Liesbeth Meissner, Wotan zong Richard van Helvoirt Pel en Siegmund was Chris de Vos (Het Vaderland; 22-10-1917)

Op 3 november 1917 trad Lea Fuldauer bij de Nederlandsche Opera op in ‘Il Trovatore’ van Verdi in de Groote Schouwburg te Rotterdam. Naast Lea Fuldauer als Ines zongen Faniëlla Lohoff-Poons als Leonora, Johan Reindert Schulze als Manrico, Anton Dirks als Luna en Johanna Zegers de Beyl als Azucena. Op 8 november 1917 werd de voorstelling gespeeld in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam:

“Lea Fuldauer creëerde op allerliefste wijze Ines, Leonore’s vertrouwde” (Het Nieuws van den Dag; 9-11-1917)

Op 11 november 1917 vertolkte Lea Fuldauer bij de Nederlandsche Opera in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen van Den Haag de rol van Siebel in ‘Faust’ van Gounod. Louis van Tulder zong de titelrol:

“Siebel in kleeding hier ten minste niet traditioneel en zelfs met een kort slagzwaard gewapend! vond een uitstekende vertolkster in Lea Fuldauer” (Het Vaderland; 12-11-1917)

Lea Fuldauer trad op 20 november 1917 bij de Nederlandsche Opera in de Stasschouwburg van Amsterdam op als Urbain in ‘Les Huguenots’ van Meyerbeer. Faniëlla Lohoff vertolkte Valentine, Jules Moes zong Raoul, Louis Tulder was Tavannes en Richard van Helvoirt Pel was De Saint-Bris:

“Een verrassing was het debuut van Lea Fuldauer als Page. In den aanvang een oogenblik schuchter als een gevolg van de zenuwen, heeft zij de beroemde cavatine met glanzenden stem gezongen. Ook in de andere kleine trekjes voldeed het mooie orgaan en de bevallige wijze van optreden” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 21-11-1917)

“Het aangename geluid en ook de zangkunst van Lea Fuldauer heb ik gewaardeerd in de aardige rol van den page” (Algemeen Handelsblad; 21-11-1917)

“Faniella Lohoff als Valentine en Lea Fuldauer als de page Urbain beiden uitmuntend” (Het Nieuws van den Dag; 21-11-1917)

“Verder noemen we met ingenomenheid mej. Lea Fuldauer, die de lang niet gemakkelijke partij van de page Urbain uitstekend zong” (Het Vaderland; 26-11-1917)

“We herdenken gaarne de verdiensten van Lea Fuldauer als Page” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 28-11-1917)

Lea Fuldauer zong op 4 december 1917 bij de Nederlandsche Opera de rol van Cherubino in ‘Le Nozze Di Figaro’ in de Stadsschouwburg van Amsterdam. Geroemde werd haar stijlvolle vertolking:

“Van Lea Fuldauer, die nog wel wat zwak maar fijn en zuiver zong, kan gezegd worden, dat zij het meest van allen met Mozart’s geest contact bleef honden en zich niet door den vaak gebrekigen steun van het orkest liet deprimeeren, wat temeer te waardeeren, is, daar zij de Cherubin-rol voor het eerst zong” (Het Vaderland; 5-12-1917)

Op 4 januari 1918 trad zij bij de Nederlandsche Opera in Amsterdam op als Musetta in ‘La Bohème’ van Puccini. Faniëlla Lohoff was Mimì:

“Lea Fuldauer is als „Musette” recht op haar plaats” (Nieuwe Haarlemsche Courant; 5-1-1918)

Twee dagen later op 6 januari 1918 vertolkte Lea Fuldauer bij de Nederlandsche Opera de rol van Micaëla in ‘Carmen’ van Bizet. De titelrol werd ook hier gezongen door Faniëlla Lohoff:

“Met een nieuwe Carmen kregen we ook een nieuwe Micaela: Lea Fuldauer had deze dankbare partij voor haar rekening en kweet zich bijzonder goed van haar taak. Vooral het gebed in het derde bedrijf zong zij heel mooi, wat haar een warm applaus bezorgde, terwijl haar tevens mooie bloemen werden aangeboden – het laatste helaas op een minder geschikt, immers de handeling storend, oogenblik” (Het Vaderland; 7-1-1918)

“Micaëla (Lea Fuldauer) beheerscht haar geluid algeheel, vooral in ’t piano is de stem bijzonder mooi, – mooi ook zet zij haar tonen aan. Ze had daarenboven iets subliem-kinderlijks over zich […] Mej. Fuldauer mocht een ruiker in ontvangst nemen” (De Nieuwe Courant; 7-1-1918)

Lea Fuldauer zong op 22 januari 1918 bij de Nederlandsche Opera de rol van Papagena in ‘Die Zauberflöte’ van Mozart in de Stadsschouwburg van Amsterdam:

“Dan was Lea Fuldauer een allerleukst Papagena-tje” (De Tijd; 23-1-1918)

“Lea Fuldauer, die telkens verrast door haar charme en muzikaliteit” (Algemeen Handelsblad; 23-1-1918)    

Op 5 maart 1918 was zij bij de Nederlandsche Opera in de Stadsschouwburg van Amsterdam te bewonderen in de rol van Marzelline in ‘Fidelio’ van Ludwig van Beethoven:

“Lea Fuldauer en Louis van Tulder vervulden de rollen van Marceiine en Jacquino. Hunne jeugdige stemmen, vooral die van Fuldauer, hadden iets meer gedecideerds kunnen hebben” (Het Nieuws van den Dag; 6-3-1918)

Lea Fuldauer zong op 19 mei 1918 bij de Nederlandsche Opera de Junge Hirt in ‘Tannhäuser’ van Wagner in de Amsterdamse Staddschouwburg. Jules Moes zong de titelrol, Faniëlla Lohoff was Venus:

“Verdienstelijk was de herderssolo van Lea Fuldauer” (Algemeen Handelsblad; 20-3-1918)

Op 4 juli 1918 werd haar achternaam De Leeuw bij koninklijk besluit officieel veranderd in Fuldauer (0354-01 Bevolkingsregister Den Haag).

Ook voor het seizoen 1918/1919 werd Lea Fuldauer voor de Nederlandsche Opera geëngageerd. Naast de eerder genoemde rollen zong zij in haar tweede seizoen bij het gezelschap vier nieuwe rollen.

Op 1 oktober 1918 vertolkte zij in het Stadsschouwburg van Amsterdam de rol van Rita’s eerste zuster in de opera ‘De Herbergprinses’ van Jan Blockx:

“Ook de zusters. Lea Fuldauer, Triny Stibbe en Annie Hofman, waren te roemen in hare samenzangen” (Het Nieuws van den Dag; 2-10-1918)

Zij voegde op 21 november 1918 de rol van Nuri in ‘Tiefland’ van D’Albert aan haar repertoire toe in het Concertgebouw De Vereeniging van Nijmegen:

“De Nuri van Lea Fuldauer was eveneens uitstekend vooral vocaal. Deze jonge, energieke zangeres maakt groote vorderingen en weet hare mooie stem hoe langer hoe beter in de goede banen te leiden. Ik geef haar in overweging of zij van Martha’s jong vriendinnetje niet een beetje al te onsmakelijk figuur had gemaakt. Die afgezakte kous was wel typig-Nijmeegsch (helaas!) doch stond werkelijk allernaarst en walgelijk. En in de grime kunnen volgens mijn meening de zwart-gemaakte neusgaten gevoegelijk achterwege blijven. Hoezeer ik hare vertolking toejuich, als ik haar aanzag, griezelde ik!” (Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant; 22-11-1918)

De voorstelling werd op 25 november gespeeld in de Groote Schouwburg van Rotterdam:

“Lea Fuldauer zingt als Nuri wel wat, of dit naïeve kind onnoozel is, wat natuurlijk niet in de bedoeling mag liggen” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 26-11-1918)

Op 5 april 1919 voegde Lea Fuldauer de grote hoofdrol van Rosina in ‘Il Barbiere di Siviglia’ van Rossini aan haar repertoire toe. Haar roldebuut in de Groote Schouwburg van Rotterdam was nog wat onwennig:

“goed was de Rosine van Lea Fuldauer, al klonk het niet altijd zuiver en vooral niet luchtig en pittig genoeg” (Het Vaderland; 6-4-1919)

Op 10 april herhaalde zij haar vertolking met meer succes in Amsterdam:

“zoo blonken er fijne charmante passages in de ook van spel bevallige Pasiva-vertolking van Lea Fuldauer” (Algemeen Handelsblad; 11-4-1919)

In het seizoen 1918/1919 zong zij bij de Nederlandsche Opera tevens nog de rol van Harriet Durham in ‘Martha’ van Von Flotow*.

Lea Fuldauer werkte op 5 augustus 1919 mee aan de wereldpremière van de opera ‘Madeleine’ van de Haagse componist Samuel Schuijer (1873-1942). In het Kurhaus van Scheveningen zong zij de rol van Lize in onder leiding van de componist zelf:

“Lea Fuldauer was als Lize heel goed, in zang zoowel als in spel” (Haagsche Courant; 7-8-1919)

Samuel Schuijer speelde een prominente rol in het Haagse muziekleven voor de Tweede Wereldoorlog. Hij was onder andere leider van het Kurhausorkest te Scheveningen, samengesteld uit leden van het Residentie Orkest. Schuijer werd in 1939 naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij op 11 december 1942 – 69 jaar oud – werd vermoord. Ook zijn zonen werden in concentratiekampen omgebracht.

Een dochter van een voormalige pianostudente van Schuijer schreef aan de Leo Smit Stichting: “Mijn moeder vertelde mij over het tragische lot van haar gerespecteerde pianoleraar, die in Auschwitz extreem was gemarteld. We kregen te horen dat zijn beide handen waren afgehakt.” (Carine Alders, forbiddenmusicregained.org)

Lea Fuldauer verhuisde op 22 sept 1919 (terug) naar Amsterdam (Haags Gemeente Archief).

De N.V. Nationale Opera van Willem van Korlaar jr. – gevestigd te ’s-Gravenhage – engageerde Lea Fuldauer voor het seizoen 1919/1920. Hier zong zij in de oude ensceneringen van de Nederlandsche Opera haar eerdere rollen als Olympia, Rosina, Nuri, Marzelline, Musetta, Siebel, de junge Hirt, Adele en Gerhilde. Een handvol nieuwe rollen voegde zij dat seizoen aan haar repertoire toe.

Op 18 december 1919 was zij Grietje in ‘Hänsel und Gretel’ in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag:

“Lea Fuldauer was een schat van een Grietje met bijzondere voorliefde voor overmatig, geperforeerde kousen (Nuri)” (De Maasbode; 19-12-1919)

“vooral mej. Fuldauer heeft voor haar levendige voordracht recht op waardeering” (Het Vaderland; 19-12-1919)

“Lea Fuldauer was als Grietje zoo kwiek en aardig als een Grietje maar zijn kan. Zij speelde en zong met een vlotheid en een gemak, dat het een lieve lust was […] Lea Fuldauer werd met bloemen gehuldigd” (De Nieuwe Courant; 19-12-1919)

“Mej. Fuldauer boeide vooral door haar levendig spel en de kinderlijk naïeven toon, dien zij in haar zang wist te treffen” (Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage; 19-12-1919)

“Lea Fuldauer was een alleraardigst Grietje, los spel en innemend zingen zijn een paar eigenschappen, waarover zij in ruime mate beschikt” (Haagsche Courant; 20-12-1919)

“Over Lea Fuldauer kan ik mij niet in gelijke termen uitlaten. Wat zij deed was wel goed maar uitblinken deed zij niet” (Leeuwarder Courant; 20-12-1919)

1920

Op 22 januari 1920 zong Lea Fuldauer bij de Nationale Opera de herdersknaap in ‘Die toten Augen’ van D’Albert in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen te Den Haag:

“Van de kleinere rollen verdient mevrouw Santhagens Manders (Arsinioë) en Johanna Zegers de Beyl (Maria Magdalena) een extra woord van lof. Ook de heer v. Schaik (Galba) en mej. Lea Fuldauer (herdersknaap)” (De Nieuwe Courant; 23-01-1920)

“In het voorspel waren Louis van Tulder, Jan Lubbers en Lea Fuldauer goed op hun plaats” (Haagsche Courant; 24-1-1920)

Op 20 maart 1920 was men één en al lof over haar vertolking van Marie in ‘Zar und Zimmermann’ van Lortzing in de Groote Schouwburg van Rotterdam:

“Lea Fuldauer was het nichtje van den zwakzinnigen magistraat. En welk een bekoorlijk, lieftallig nichtje! […] Lea Fuldauer werd een mooie corbeille vereerd” (De Nieuwe Courant; 22-3-1920)

Op 27 april 1920 zong zij de rol van Clairette in ‘La Fille de Madame Angot’ van Lecocq. Het was de laatste voorstelling van de Nationale Opera van dat seizoen, afgezien van nog een aantal voorstellingen tijdens de meifeesten:

“Lea Fuldauer was een aardige Clairette, een beetje nuffig en van klein formaat” (Algemeen Handelsblad; 28-4-1920)

“Lea Fuldauer ontpopte zich in de hoofdrol als een uitstekende soubrette. Haar spel was guitig en vol jolijt; haar zang mooi, vooral de zachte toonen in het hooge register; de koloratuur in het duet in ’t 2e bedrijf moet zij nog wat verzorgen” (Het Volk; 29-4-1920)

Op 12 mei 1920 trad Lea Fuldauer in de Groote Schouwburg van Rotterdam in het kader van de Rotterdamse meifeesten op als de Page en één van de Brabantse edelen in ‘Lohengrin’ van Wagner:

“vier Edelknapen (Fritzy Pollak, Lea Fuldauer, Greta de Hartogh, S. Vosman-Cup) konden niet onverdienstelijk heeten” (De Maasbode; 13-5-1920)

In het seizoen 1920/1921 bij de N.V. Nationale Opera, nu onder zakelijke leiding van Willem van Korlaar jr., voegde Lea Fuldauer – naast haar vaste rollen als Musetta, Clairette, Siebel, Olympia, Gerhilde, Micaëla, Marzelline, Nuri, Adele, de junge Hirt, Rosina en Papagena – vijf nieuwe rollen aan haar repertoire toe.

Op 27 september 1920 was men lyrische over haar vertolking van Nedda in ‘Pagliacci’ van Leoncavallo in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag:

“De Nedda van Lea Fuldauer was vol charme, wat betreft geluid zoowel als spel; zij zal, indien de stem nog wat aan volume kan winnen, een uitstekende kracht voor de N.O. blijven […] Er waren bloemen voor Van Helvoirt Pel na den Proloog, en voor Lea Fuldauer aan het einde van Paljas; haar medespelers bood zij, uit haar overvloed, gracieus fraaie chrysanten aan” (De Nieuwe Courant; 28-9-1920)

“Lea Fuldauer gaf een veelal superieure vertolking van de Nedda-partij, die haar grooten vooruitgang als zangeres en actrice bevestigde. Zij ontving vele bloemen” (De Avondpost; 28-9-1920)

Op 7 oktober 1920 vertolkte zij Leontine in ‘Revolutionshochzeit’ van D’Albert in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag:

“Lea Fuldauer – Leontine, als steeds levendig spel en frissche stem” (De Avondpost; 8-10-1920)

Lea Fuldauer trad op 30 november 1920 in de Stadsschouwburg van Amsterdam op als Susanna in ‘Le Nozze di Figaro’:

“Lea Fuldauer was een prachtige Suzanne, los van spel en heerlijk van zang” (Het Volk; 1-12-1920)

“Lea Fuldauer is een handige en schalksche Susanna” (De Tijd; 1-12-1920)

“Lea Fuldauer vervult de verwachting, die men van haar zang en spel reeds vroeger koesterde, meer en meer. Zij gaf in de vertolking van de rol van Suzanna het bewijs, dat zij zich tot een der eerste krachten onzer opera opwerkt. Niet alleen het schalksche met bijzondere gratie beheerscht, maar ook het diep gevoelde ligt haar uitstekend. De tuinaria in het vierde bedrijf is het beste bewijs daarvan” (Voorwaarts; 2-12-1920) 

“Vooral Lea Fuldauer, met haar pittige actie en fraai stemgeluid voor de rol van Suzanne” (Het Vaderland; 2-12-1920)

Op 18 december werkte zij in de partij van Margiana mee aan een concertante uitvoering van ‘Der Barbier von Bagdad’ van Peter Cornelius in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag:

“Vooral Lea Fuldauer en v. Oort waren als Margiana en de Barbier zeer te loven. v. Oort gaf een alleraardigste karakteristiek en het was wel jammer, dat wij hem niet op het tooneel zagen, zoodat ook het gebaar zijn zingen had kunnen onderstreepen. Lea Fuldauer en mevr. v. Lier-Pohl vormden een goed duet” (De Nieuwe Courant; 19-12-1920)

“Lea Fuldauer was een zeer goede Margiana, die ook op het concertpodium haar bekoring behield” (Algemeen Handelsblad; 20-12-1920)

“In het tweede deel deed Lea Fuldauer wel goed werk, al hadden wij veel meer spontaniteit van haar verwacht. Nog altijd behoudt zij een neiging om in de hoogte te gaan schreeuwen” (De Tijd; 21-12-1920)

Op 24 februari 1921 nam zij de soubretterol van Arsinoë in ‘Die toten Augen’ op haar repertoire in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag:

“Naast hem voldeed Lea Fuldauer als Arsinoë uitermate” (Haagsche Courant; 25-2-1921)

“Zoo was Arsinoë in plaats van aan mevr. Santhagens toegewezen aan Lea Fuldauer, die zich vooral wat spel en maitien betreft zeer goed van haar taak kweet. Vocaal ligt de partij haar niet zoo voordeelig, omdat zij hier en daar nog al wat geluidsvolume eischt. Mej. Fuldauer kan dat wel geven, maar haar stem heeft toch veel meer klankcharme en staat vaster, wanneer zij daarvan niet telkens het grootste krachtsverbruik behoeft te eischen” (Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage; 25-2-1921)

In het seizoen 1920/1921 zou zij bij de N.V. Nationale Opera ook nog de rol van Lola in ‘Cavalleria Rusticana’ van Mascagni hebben gezongen*.

In haar derde seizoen 1921/1922 bij de N.V. Nationale Opera – haar laatste seizoen bij het gezelschap – zong Lea Fuldauer haar vaste rollen van de Junge Hirt, Siebel, Musetta, Nuri, Nedda, Gerhilde en Susanna en voegde zij nog drie nieuwe rollen aan haar repertoire toe.

Zij werkte vanaf 15 oktober 1921 in de bijrol van Crobyle mee aan een productie van ‘Thaïs’ van Massenet, te beginnen in de Groote Schouwburg van Rotterdam:

“Lea Fuldauer en Eliza de Haas verdienen van de vertolkers der kleine rollen genoemd te worden vanwege hun aangenaam zingen” (De Telegraaf; 17-10-1921) 

“Lea Fuldauer die (het dient vermeld) heel los speelde en zong” (De Telegraaf; 19-10-1921)

Op 22 december 1921 zong zij de titelrol in ‘Mignon’ van Thomas in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag. Niet iedereen vond de mezzopartij bij haar coloratuursoubrette passen, maar over het algemeen was men positief:

“Lea Fuldauer was Mignon. Zij deed haar best en had vaak goede momenten, maar (ik moet het helaas wel zeggen) zij is geen Mignon. Zij heeft het stemkarakter niet en vult, als hoofdpersoon, niet voldoende het tooneel (a.u.b. hieruit niet afleiden, dat ik wil dat een artist zich door overbodig gedoe naar voren dringt). Dan zong mevr. Fuldauer er eenige keeren leelijk naast en dat was storend. Maar haar helderwit jakje, haar bruin rokje met de twee netjes afgewerkte scheurtjes en haar keurig gefriseerd haar, dat alles vond ik prachtig; zoo echt een verwaarloosd, door zigeuners mishandeld kind!” (De Avondpost; 23-12-1921)

“Lea Fuldauer voor de eerste maal de titelrol vervulde in Thomas’ opera-comique. De intelligente zangeres, die Lea Fuldauer is, heeft ons niet teleurgesteld; stimmlich stond haar Mignon inderdaad op een zeer hooge trap en de enkele tekortkomingen zal zij gemakkelijk genoeg bij een volgende voorstelling overwinnen. Wat daarentegen niet zoo licht zal vallen, is een verbetering van haar actie; het spel van mej. Fuldauer was wat houterig” (Haagsche Courant; 23-12-1921) 

“Lea Fuldauer heeft als Mignon onze verwachtingen niet beschaamd; integendeel, wondervol heeft zij de sympathieke figuur van Mignon voor ons doen herleven. Al het conventioneele en het gewone werd vergeten, en men kan bij zulk een vertolking met een enkel zwak moment vrede hebben. Vocaal was zij bijzonder gedisponeerd, tot op het laatst toe, maar dramatisch kan mej. Fuldauer nog winnen; haar bewegingen zijn soms ietwat stijf en gedwongen; overigens niets dan lof. Lea Fuldauer gaf ons van de bekende romance: „Kent gij het land” het tweede couplet beter dan het eerste; het verhaal won hierdoor aan belangrijkheid” (De Nieuwe Courant; 23-12-1921)

In het seizoen 1921/1922 zou Lea Fuldauer bij de N.V. Nationale Opera ook nog de rol van Irma in ‘Louise’ van Charpentier hebben gezongen*.

Lea Fuldauer trad ten slotte vanaf 13 mei 1922 nog op bij De Haghezangers van Louis Bouwmeester jr. in de Circusschouwburg te Rotterdam. Naast onder anderen Emil van Bosch zong zij de rol van Rose Friquet in de opéra-comique ‘Les Dragons de Villars’ van Aimé Maillart:

“Dank zij de medewerking van Lea Fuldauer, heeft de opvoering een cachet, dat men dikwijls vergeefs zoekt bij soortgelijke voorstellingen. Haar spel, maar vooral haar zang, boeien den geheelen avond. Ook hier blijkt weer, hoe luchtige, grappige rollen haar „fort” zijn. Gisterenavond deed ze denken aan „Madame Angot” en „Hoffmann’s Vertellingen”, waarin ze zoo bijzonder aantrekkelijk was. Het eerste bedrijf viel eenigszins tegen, in ’t tweede evenwel kwam er „schwung”. Samen met Sylvian (Jean Janssens) wist Lea Fuldauer een geheel te vormen, dat vocaal alleszins te loven viel […] In het derde bedrijf was weder voor de zooveelste maal het „woord” aan de coloratuur-zangeres der Nationale Opéra. Op voortreffelijke wijze werd de aria van Rose Friquet in het Fransch ten gehoore gebracht, bijzonder zoowel door actie als zang” (De Maasbode; 14-5-1922)

“Lea Fuldauer trad bij de Rotterdamsche première Zaterdagavond op als gast in de voor haar talent zoo geschikte rol van Rose Friquet. Wij, die haar volgden in de verschillende creaties der schalksche jeugdpartijen in den Barbiere, in Laagland, in Figaro en zelfs in de Vledermuis, wij wisten, dat zij ook hier, waar zoowel ontroering als de gulle lach van haar gevraagd worden, zou woekeren met dat talent en de uitslag heeft ons meer dan gelijk gegeven. Zij wist onder liet oogenschijnlijk onverschillig karakter der zwervelinge Rose Friquet de trouw en den moed der „vrouw” bij uitnemendheid te doen uitkomen en naast een gezonde vroolijkheid diepe ontroering bij haar gehoor te wekken.

Nadat zij zich eerst eenigszins had ingezongen in de voor haar wel vreemde en holle ruimte van den Circusschouwburg, was de klank harer stem weldra weer in haar vollen glans en toen zij in het derde bedrijf de groote aria in de oorspronkelijke Fransche taal had voorgedragen, beloonde een algemeen geestdriftig applaus haar bij open doek” (Voorwaarts; 15-5-1922)

Hiermee kwam er voorlopig een einde aan de engagementen van Lea Fuldauer bij operagezelschappen in Nederland. Er volgden internationale engagementen bij de Vlaamsche Opera, de Volksoper Berlin, het Stadttheater van Königsberg en Münster en gastoptredens in onder andere de Opéra-Comique van Parijs.

* Annalen van de Operagezelschappen in Nederland [eindred. Piet Hein Honig] (Amsterdam: Theater Instituut Nederland, 1996)