****
© Jochen Quast
Duisburg, 9 juli 2026
‘La Reine de Saba’; overladen met harmonische weelde
De Deutsche Opera am Rhein heeft een concertante versie van Gounods opera ‘La Reine de Saba’ samengesteld. Dit seizoen wordt zij op de podia van Düsseldorf en Duisburg gespeeld. Het is een opera-uitvoering met verrukkelijke melodieën en harmonische weelde.
Koningin Balkis van Sheba was een legendarische vorstin uit de Hebreeuwse Bijbel. Ze was bekend vanwege haar rijkdom en haar historische bezoek aan de Joodse koning Salomon in Jerusalem wiens wijsheid zij op de proef wilde stellen. Hoewel de Bijbel vooral spreekt over een diplomatiek bezoek, is in de muzische scène de relatie tussen Sheba en Salomon ook een romantische.
Door Balkis’ legendarische schoonheid werden veel componisten geïnspireerd. Zo zijn er over haar de opera’s van Goldmark (1875), Hahn (1926) en Randall Thompson (1942), een ballet van Respighi (1931) en een cantate van Castelnuovo-Tedesco (1953). Maar vóór dit alles had de Franse componist Charles Gounod (1818-1893) al met ‘La Reine de Saba’ zijn zevende opera gecomponeerd.
Het tekstboek van ‘La Reine de Saba’ was geschreven door Jules Barbier en Michel Carré, die Gounod reeds eerder met succes hadden voorzien van het libretto van ‘Faust’ (1859). Het verhaal van ‘La Reine de Saba’ baseerden zij op de roman ‘Voyage en Orient’ (1851) van Gérard de Nerval. Hier is koningin Balkis de verloofde van koning Soliman (Salomon) in Jeruzalem, waar zij wordt voorgesteld aan diens bouwmeester Adoniram. Zij is onder de indruk van zijn vakmanschap en wordt op hem verliefd. Als onafhankelijke vrouw kiest zij voor zichzelf. Wanneer zij Soliman voor de bouwmeester verlaat, wordt Adoniram het slachtoffer van een intrige van ontevreden medewerkers. Hij sterft in de armen van Balkis, die hem eeuwige trouw zweert.
‘La Reine de Saba’ beleefde zijn wereldpremière op 28 februari 1862 in de Opéra de Paris. Vooral door het libretto was de première geen succes. De centrale driehoeksrelatie overtuigde niet, Soliman was een zwakke antagonist, dramatische conflicten ontbraken en men kon zich moeilijk inleven in de te zelfbewuste Adoniram. Na slechts vijftien voorstelling werd de productie gestopt.
Rondom deze première en tijdens de uitvoeringsgeschiedenis veranderde Gounod de opera steeds opnieuw. Alleen al uit Gounods tijd bestaan er drie verschillende partituren en meerdere libretti. Tegenwoordig staat een nieuwe uitvoering dan ook voor vele uitdagingen en vragen.
Uit dit vele materiaal heeft de Deutsche Opera am Rhein (DOR) een concertante versie van ‘La Reine de Saba’ geconstrueerd met een lengte van zo’n 130 minuten. Deze uitvoering wordt dit seizoen op de podia van Düsseldorf en Duisburg gespeeld. De voorstelling wordt afgeraden voor kinderen onder de 12 jaar…
De Estse gastdirigent Hendrik Vestmann weet met het Duisburger Philharmoniker het drama effectief te stuwen. Daarnaast overtuigen zij met name in de lichtheid en poëzie voor de delicate momenten van de partituur met verfijnde, doorschijnende orkestratie, warme harmonieën, broze klankkleuren en gevoelvolle, muzikale bogen.
De titelrol van Koningin Balkis wordt gezongen door de Armeense sopraan Liana Aleksanyan, sinds 2019 bij DOR. Zij heeft het vocale bereik van de partij en nobelheid voor de rol, is enigszins afstandelijk en mist helaas het Franse stijlgevoel en de verstaanbaarheid.
De Franse tenor Sébastien Guèze is te gast bij DOR als Adoniram. Hij heeft stamina voor de partij, zingt met Pedrillo-timbre en de stem is dikwijls heel erg breed en resonansloos. Vaak sleept hij naar de hoge noten vanaf een onderliggende terts. Zijn grote aria zingt hij aan het begin van de eerste akte, waar diverse andere producties de aria in de opening II plaatsten. Deze keuze wordt in het programmaboekje gerechtvaardigd, maar blijft discutabel.
De Roemeense bas Bogdan Taloș – sinds 2014/15 bij DOR – is een fraaie Soliman met goede resonansen in de laagte én hoogte met een rijk, rond timbre en diepe lage noten. Zijn cavatine “Sous les pieds” in de vierde akte – een halve toon hoger getransponeerd – zingt hij prachtig stijlvol.
Het trio samenzweerders doet denken aan de wederdopers in ‘Le Prophète’ (1849) van Meyerbeer. De Venezolaanse tenor Andrés Sulbarán – sinds 2020 bij DOR – als Amrou, de Britse bariton Jake Muffett – sinds 2022 bij DOR – als Phanor en de Duitse bas Valentin Ruckebier – sinds 2024 bij DOR – als Méthousaël vloeien uitstekend samen in hun frustratie over hun meester Adoniram.
Drie leden van de operastudio krijgen de gelegenheid hun talenten te tonen. De Engelse mezzo Annabel Kennedy zingt de romance van Adonirams hulpje Bénoni “Comme la naissante aurore” in de eerste akte met jeugdige levendigheid. Ook de Duitse sopraan Charlotte Langner als Balkis’ vertrouwelinge Sarahil en de Engelse bas-bariton Jacob Harrison als Solimans dienaar Sadoc weten hun rollen goed te portretteren. Het Chor der Deutschen Oper am Rhein zingt geconcentreerd en nauwkeurig.
Het finale-septet van de derde akte is geschrapt, zoals vaker gebeurt. En toch is dat dramaturgisch jammer, want hierdoor ontbreekt de vooruitwijzing naar de vierde akte. Ook is het twaalfdelige ballet weggelaten, wat overigens in een concertante uitvoering prima zou hebben gepast. Kortom, een opera-uitvoering met verrukkelijke melodieën en een meeslepende atmosfeer van een zwoele zomeravond onder palmbomen.