***
© Jochen Quast
Remscheid, 30 mei 2026
‘Die Dreigroschenoper’ in de geest van Brecht
De dievenbende van Mackie Messer overvalt de orkestleden van de Bergische Symphoniker en een bendelid heft met de gestolen orkestpartij aarzelend en verlegen “Die Moritat von Mackie Messer” aan. Het is een sterke opening van ‘Die Dreigroschenoper’ in de productie van het Landestheater Detmold, waarin Brechtse Verfremdungeffekte zoals deze centraal staan.
Corruptie van de samenleving, misdadig kapitalisme, hypocrisie van de bourgeoisie en overleven in verraad. De Duitse tekstschrijver Bertolt Brecht (1898-1956) wilde met zijn theaterwerk ‘Die Dreigroschenoper’ de maatschappelijke verhoudingen van de roerige Weimarrepubliek hekelen. In samenwerking met zijn landgenoot en componist Kurt Weill (1900-1950) kwam het stuk eind jaren twintig tot stand.
De première op 31 augustus 1928 in het Theater am Schiffbauerdamm in Berlijn begon moeizaam en werd aanvankelijk als een mogelijk fiasco beschouwd. Het publiek was in het begin stil en vijandig, maar het stuk groeide uiteindelijk uit tot een grote theaterhit.
Het Landestheater Detmold toert nu met een productie van ‘Die Dreigroschenoper’ langs zo’n vijftien theaters in Duitsland. De première was op 29 september 2024 in Detmold en maar liefst dertig uitvoeringen worden gespeeld in wisselende bezettingen en met wisselende orkesten.
In de onderwereldse Londen trouwt de leider van de dievenbende Mackie Messer (Sebastian Zumpe) met Polly Peachem (Ewa Noack), de dochter van de leider van de bedelaarsbende Jonathan Peachum (Patrick Hellenbrand). Als Peachum en zijn vrouw Celia (Manuela Stüßer) dit ontdekken, bedenken zij een list om Mackie te laten arresteren. Ondanks zijn vriendschap met de corrupte politiechef Tiger Brown (Leonard Lange) en affaires met diens dochter Lucy (Alexandra Riemann) en het hoertje Jenny (Finn Nachfolger) komt Mackie in de val. Het verhaal eindigt uiteraard cynisch; misdaad loont en de machtigen worden altijd gered.
Het decorontwerp van Franz Dittrich is in de geest van Brechts epische theater. Een gereduceerd model met draaibare, metalen façaden van huizen, een schrijftafel (het kantoor), een bed (het bordeel) en een stalen kooi (de gevangenis), alles toont slechts het idee van de dingen.
De enscenering van de Duitse regisseur Jan Steinbach (1976) – tussen 2018 en 2025 Schauspieldirektor van het Landestheater Detmold – laat met Brecht eraan herinneren dat het publiek naar een toneelwerk kijkt. Hier gaat het niet om entertainen of emotioneel meeslepen. Acteurs spreken het publiek direct toe en doorbreken de vierde wand (de denkbeeldige, onzichtbare muur tussen podium en publiek), er zijn borden met titels en er is zichtbare toneeltechniek die de acteurs zelf bedienen.
Dirigent Michael Spassov – sinds 2022 Kapellmeister in Detmold – neemt met het ensemble van de Bergische Symphoniker – bestaande uit 24 musici en niet zoals bij de wereldpremière 7 musici op 25 instrumenten – zo nu en dan wel heel vlotte tempi, waarbij minder spoed de ironie beter tot uitdrukking zou hebben gebracht. Maar de puls is aanwezig met kreunende accordeon en prikkend koper tussen jazz en Duitse dansmuziek, wat het werk een cabaret-achtige klank geeft.
Er is in Weills muziek flink geschoven en geknipt. In de eerste akte zijn de “Barbara-Song” en het laatste couplet van “Die Ballade von der sexuellen Hörigkeit” geschrapt, van de tweede akte zijn de rol van Lucy en Mackies “Die Ballade vom angenehmen Leben” naar de derde akte verplaatst en in de derde akte is Lucy’s aria weggelaten – net als bij de wereldpremière – en wordt van Jenny’s “Salomon-Song” slechts de helft gezongen.
Ook andere muzikale keuzes zijn discutabel, zoals het “Hochzeitslied” dat meer onzeker dan dronken of verveeld vertolkt wordt en Frau Peachum die in sopraanligging zingt in plaats van met een rokerige alt. Al met al echter overtuigt de voorstelling met name door de speelvreugde en balans tussen de maatschappijkritiek en satire, tussen cynisme en zachtaardigheid.