NEDERLANDSE PREMIÈRE: Moessorgsky – Khovansjtsjina

In de serie ‘Nederlandse premières’ worden de eerste opvoeringen van opera’s in Nederland belicht. In deel 13: ‘Khovansjtsjina’ van Modest Moessorgsky (1839-1881).

De Nederlandse première van de opera ‘Khovansjtsjina’ van Moessorgsky vond in concertante vorm plaats op 25 april 1924 bij de afdeeling Rotterdam van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. De Utrechtse bas-bariton Jacques Caro zong de rol van de monnik Dosifei, de Duitse alt Lydia Kindermann was de Oudgelovige Marfa en de Leidse bariton Cornelis Bronsgeest was de vorst Ivan Khovanski. De Duitse tenor Jaro Dworsky uit Berlijn zong waarschijnlijk vorst Golitsin en de Amsterdamse tenor Louis van Tulder was vermoedelijk diens zoon Andrej Khovanski. De Haagse sopraan Martine Dhont was Emma en/of Susanna en de Haagse bariton P.D. Werre waarschijnlijk Shaklovity. Het Residentie-Orkest stond onder leiding van dirigent Evert Cornelis. De Nederlandse pers prees het werk en de uitvoering:

“Wel niemand zal na deze uitvoering aan de beteekenis van Moessorgsky’s werk twijfelen, en evenmin aan de waarlijk schitterende eigenschappen, die Evert Cornelis als leider van een groot geheel getoond heeft te bezitten; voor hem is deze uitvoering «en overwinning geworden, voor Toonkunst eene schoone belofte. Want het lijdt geen twijfel of onze afdeeling zal onder leiding van dezen krachtigste onder de jongeren, van dezen perfecten musicus weer een tjjdperk van bloei tegemoet gaan.
Bij het begin van den avond verhieven allen zich van hun zitplaatsen: in memoriam Anton Verheij werd een koraal uit de ‘Matthäus Passion’ “Wenn ich einmal soll scheiden” gezongen; aller gedachten zijn toen natuurlijk geweest bij den uitstekenden kunstenaar en mensch, die ons zoo plotseling ontvallen is, amper twee maanden geleden. Maar ook hier geldt het “Le roi est mort, vive le Roi”; Toonkunst moet verder leven, groeien en bloeien in het belang van de kunst, waar immers ook Verhey zelf altijd in de eerste plaats aan dacht. En daarom verhevigen wij ons over de komst van Evert Cornelis in wien onze afdeeling een leider van den eersten rang bezitten zal. Dat kan nu na deze uitvoering van ‘Kovantsjina’ met zekerheid gezegd worden. Zijn beheersching van het koor, van het orkest, zijn temperament, zijn wilskracht, welke hem in staat stelt allen ontzag in te boezemen; ziedaar eigenschappen, welke ons – die geregeld de concerten te Utrecht bijwonen – bekend waren, doch die wij gisteravond, nu er een ensemble te regeeren viel, nog sterker gevoeld hebben. Er is voortreffelijk gezongen en gespeeld; bezieling in de voordracht heeft de schoonheid van Moessorgsky’s werk ten volle geopenbaard. En de solisten hebben allen tot het welslagen van dezen avond bijgedragen. Met onderscheiding mogen de landgenooten genoemd worden: Martina Dhont – welk een warm-schoone sopraan heeft zij – Louis van Tulder, Cornelis Bronsgeest, Caro – die uitstekend gedisponeerd was – en P.D. Werre. Voorts was er een verdienstelijke tenor uit Berlijn Jaro Dworsky en hebben wij een waarlijk fenomenale zangeres leeren kennen in Mevrouw Lydia Kindermann uit Stuttgart, die een zeldzaam mooi, machtig, een paar octaven omspannend altgeluid bezit, dat van temperament doortrokken is.
Het werk zelf, heeft ons, ook in de concertzaal bijna voortdurend kunnen boeien. Alleen het vierde bedrijf, zou alleen volledig kunnen slagen – omdat het méér dan de andere op uiterlijkheid berekend is – “en scène”. Doch de diepe muzikaliteit, de natuurlijk genie verradende schoonheid in melodie en macht tot stemming uitdrukken en weergeven, komen uit de vier overige deelen ons voortdurend tegemoet.
Dus mogen wij deze uitvoering van ‘Kovantsjina’ prachtig geslaagd achten, ten opzichte van het werk zelf en om de wijze waarop het ons voor den geest gebracht is” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 26-4-1924)

“Vrijdagavond gaf de Rotterdamsche Toonkunstafdeeling haar laatste uitvoering van dit seizoen. De avond begon met een nagedachtenis van den helaas te vroeg ontslapen eminenten Verhey. Gezongen werd het “Wenn ich einmal soll scheiden”, uit Bach’s ‘Matthaus-Passion’, hetgeen door alle aanwezigen staande werd aanhoord.
Wij zullen altijd met dankbaarheid gedenken, dat Verhey ons heeft doen kennen den grooten Russischen componist uit de vorige eeuw, Modest Moussorgsky. Nog helder herinneren we ons het enorm succes, dat behaald werd met ‘Boris Godunow’ van dezen componist en het is daarom dubbel te betreuren, dat het Verhey niet meer gegeven was een ander werk van dien grooten Rus ‘La Khovanchtchina’, dat hij met de Rotterdamsche Toonkunstafdeeling kort voor zijn dood in studie had genomen, en, waarvan Vrijdagavond de eerste uitvoering in ons land geschiedde, te mogen dirigeeren.
Khovanchtchina is Moussorgsky’s laatste dramatische toonschepping, welke hij slechts in klavierpartituur heeft kunnen voltooien. Zijn vriend Rimsky-Korsakow heeft na zijn dood het werk geïnstrumenteerd en aan de hand van door M. nagelaten gegevens het slotkoor gecomponeerd. Dit vijf bedrijvig muzikaal dramatisch gegeven vormt een tegenstelling met ‘Boris Godunow’. Het ongebreidelde in deze laatste missen we in de eerstgenoemde compositie geheel. De muziek van ‘Khovanchtchina’ is dieper en ernstiger gevoeld, daarnaast eenvoudiger in opzet, voor het oor zeer zeker bevattelijker en hoewel minder emotievol, toch voortdurend met diep aangrijpende momenten. Van groote gevoelsexpressie getuigen de beide laatste bedrijven, waarvan de muziek de ziel van den hoorder tot het diepst ontroert. De uitvoering van dit werk door de Rotterdamsche Toonkunstafdeeling onder leiding van Evert Cornelis was een volkomen succes.
Men beschikt ook ditmaal weer over een subliem stel solisten. Van deze, zeven in getal, noemen we voorop mej. Lydia Kindermann uit Stuttgart. Op waardige wijze werd zij bijgestaan door den bekenden Utrechtschen zanger Caro, en door Corn. Bronsgeest. Van deze beiden geven we toch verre de voorkeur aan eerstgenoemde.
Mej. Martine Dhont kweet zich uitstekend van de haar opgelegde taak, alsmede Louis van Tulder, en den Berlijnschen tenor Jaro Dworsky, hoewel deze laatste niet vrij te pleiten was van ruwheid in stemvorming en ruwheid in dictie.
In één woord dus: deze eerste uitvoering van dit werk van Moussorgsky in Holland was èn door het werk zelf èn door degenen, die het uitvoerden: één groot succes (De Tijd; 26-4-1924)

Op 3 mei 1961 werd door Toonkunst Tilburg een concertante uitvoering gegeven van de Rimsky-Korsakov-versie met onder anderen de sopraan Gerry de Groot, de alt Mariette Dierckx, de tenor Arjan Blanken en de bas Tadeusz Wierzbicki (De Tijd De Maasbode; 4-5-1961).

Nieuwe Reportage