GESMOORDE STEMMEN: deel 9

Judith Toff, mezzosopraan (1907 – 1943) deel 2

1937

Voor Judith Toff was 1937 muzikaal een druk jaar. Op 4 februari 1937 gaf zij een recital in haar geboorteplaats Veendam. de opkomst was groot en de locale pers schreef enthousiast:

Affiche 1937“Het was een gelukkige gedachte van de muziekvereeniging Veendam de oud-Veendammer, mej. Judith Toff, uit te noodigen voor een liederenavond. En dat er voor deze kunstenares groote belangstelling was, bleek wel uit het zeer groote bezoek. Mej. Toff is een dankbare leerlinge geweest van mevr. Marlissa, nadien heeft zij haar verdere opleiding gekregen aan het Conservatorium te Amsterdam.
Reeds bij haar eerste optreden in het publiek had zij een zeer gunstige pers, ook voor de radio werd haar melodieuze stem graag gehoord. Spoedig vroeg ook het buitenland en trad zij in Weenen en andere groote steden als koorsoliste op.
Het programma hier bestond uit liederen van Schubert, Brahms, Mahler, Ravel en Debussy en uit de vertolking bleek, welk een groot zangeres Judith Toff is. Van het oogenblik af, dat zij begon te zingen, werd het talrijke gehoor geboeid.
De sfeer van haar liederen werd zoo juist en raak getroffen. Treffend mooi gezongen werd Kaddisch, een Joodsch gebed van Maurice Ravel” (Nieuwsblad van het Noorden; 5-2-1937).

Een maand later op 2 maart 1937 zong Judith Toff tijdens een liederenavond bij de Groninger Kunstkring in het C.J.M.V. Gebouw van Spilsluizen. Opnieuw was het ontvangst opgetogen:

“Judith Toff en haar accompagnateur Fré Focke hebben ons een avond van hoog kunstgenot geschonken. In het begin van het loopende muziekseizoen heeft Judith Toff zich hier voor ’t eerst laten hooren en wel op een concert der G.O.V. Dat wij toen met haar prestaties niet zoo bizonder ingenomen waren, meenen wij achteraf aan minder gunstige omstandigheden te moeten wijten. Gisteravond althans hebben wij van het kunnen der zangeres een geheel anderen indruk ontvangen. Judith Toff bezit een zeer krachtige mezzo-sopraan, waarvan de laagte zich door een bizonder fraaien klank kenmerkt. In de hoogte klinkt haar stem ietwat scherp en schel. De omstandigheden waren er gisteravond ook niet naar om dit inconveniënt te temperen. Het zaaltje van de C.J.M.V., aan de Spilsluizen, waar wij voor het eerst een concert bijwoonden, was hoewel niet bepaald slecht, slechts matig bezet en de kale wanden maakten het musiceeren in deze ruimte eveneens moeilijker. Wij vermelden, dat wij ook nog al eens gestoord werden door van buiten in het zaaltje binnendringende geluiden en achten het dan ook voor concerten niet bij uitstek geschikt. Tot den zang van Judith Toff terugkeerende merken wij op, dat deze in technisch opzicht aan zeer hooge eisenen voldoet. In het allereerste begin waren eenige onvolkomenheden te bespeuren, doch toen moest de zangeres zich nog inzingen. Opmerkelijk is verder welk een rijke schakeeringen zij in het timbre weet aan te brengen. De snelle wisselingen in de expressie wijzen ook op een voortreffelijke beheersching van het orgaan. Het meest hebben wij Judith Toff echter gewaardeerd als intelligent kunstenares, die zoowel den tekst als de muziek volledig in zich opneemt en daarvan een volkomen doordachte, maar tevens zeer gevoelvolle interpretatie weet te geven. Uit het rijk gevarieerde programma bleek, met hoeveel verschillende genres zij vertrouwd is. Wij releveeren nog haar uitstekende dictie en de duidelijke uitspraak […] “Kaddisch” een gebed op Hebreeuwschen tekst, dat op indrukwekkende wijze werd voorgedragen. In ’t algemeen kan gezegd worden, dat de liederen van de tweede afdeeling de zangeres beter lagen dan die van de eerste. Niettemin werden b.v. “Immer leiser wird mem Schlummer” evenals de beide liederen van Mahler zeer fraai gezongen. De prachtige twee “Poèmes Juifs” van Milhaud vormden een zeer welkom deel van het programma. Tot een geheel ander genre behoorden weer de twee liederen van Ravel op Fransche teksten, waarvoor Judith Toff den juisten toon niet minder goed wist te vinden. Een rijke variatie aan stemmingen kwam tenslotte in de boelende “Ballades”, op teksten van François Villon, gecomponeerd door Debussy, voor den dag. Dat Judith Toff en Fré Focke met veel applaus gehuldigd werden, sprak vanzelf. Bij het begin van de pauze werd aan eerstgenoemde een bloemstuk overhandigd” (Nieuwsblad van het Noorden; 3-3-1937).

Een week later op 7 maart was Judith Toff te horen bij het Residentieorkest in de Doelezaal te Rotterdam. De pers had nog enige aanmerkingen op haar voordracht:

“Judith Toff zong Mahler’s „Lieder eines fahrenden Gesellen”, waarover het talrijke publiek zich zeer verheugd toonde. In vocaal opzicht was dit succes wel gemotiveerd, al stoorde soms een wat dik fortamento; de stem had glans en was in het lage register opvallend sonoor. Maar aan de vooral bij Mahler zooveel eischende voordracht ontbrak nogal wat; men miste de diepe bezieling en de intense overgave, die deze liederen noodig hebben om hun schoonheid te kunnen openbaren. Het zingen van Judith Toff had iets soubrette-achtigs, dat charmant was, maar zich met Mahler’s weemoed en felheid niet best liet rijmen” (Algemeen Handelsblad; 8-3-1937).

De dag daarna op 8 maart gaf Judith Toff een liederenavond tijdens het vijfde concert van de kunstkring Laren-Blaricum. De locale pers was aanwezig:

Met de voordracht der Schubert-liederen: “Die Sterne”, “Auf dem Wasser zu singen” en “Wiederschein” heeft Judith Toff mij zeer teleurgesteld. De geestelijke diepte van het eerste lied wist zij niet te peilen, “Auf dem Wasser zu singen” miste alle poëzie en leek op een opgezegd lesje, alleen in het laatste Schubert-lied – dat men heel weinig hoort zingen – kwam de muzikale stijl tot zijn recht.
Daarna hoorden we twee Brahms-liederen: “Immer leiser wird mein Schlummer” en “An eine Aeolsharfe”, waarvan de voordracht – die bij geen enkel lied mooier wordt door overdreven mimiek – nog zeer aan diepte kan winnen, terwijl de liederenafdeeling vóór de pauze werd besloten met “Nachtzauber”, “Unfall” en “Waldmädchen” – drie Wolf-zangen die hooge eischen stellen – en waarvan het laatste mij het meest heeft voldaan.
Ongetwijfeld heeft Judith Toff een stem met uitnemende kwaliteiten, die over het algemeen aangenaam klinkt, maar mij in het medium nog niet voldoende ontwikkeld lijkt. Ook worden sommige vocalen te donker gekleurd. De ademtechniek is uitnemend, en ik geloof, dat zij daar nog meer van kan profiteeren dan ze gisteravond deed.
Na de pauze kwam de verrassing. En een heel aangename verrassing. Toen was het of er een andere zangeres voor ons stond. Een zangeres, die niet alleen met groote toewijding haar zware taak vervulde, maar die thans – hoe wonderbaarlijkl – de verschillende zangen, die zij voordroeg, in de juiste sfeer plaatste, en in hooge mate boeide door den zeer respectabelen zang en de intelligente en rake voordracht.
Van Rabindranath Tagore’s “Vier Wijzangen” – gecomponeerd door Hans Schouwman – voorname, warmkleurige, en uitstekend geschreven muziek – gaf Judith Toff een indrukwekkende vertolking, Milhaud’s ontroerende “Chant de Nourrice” – hoe bijzonder schoon is de muziek bij de woorden tot het pasgeboren kind: “Je commence par te prévenir que tu es un Hébreu, que tu as Israël pour nom et que c’est là ton titre de noblesse” – was uitnemend van dictie, evenals de “Chant de forgeron””van denzelfden Franschen meester. En van Ravel’s prachtigen “Kaddisch” hoorden we een mooi-doorvoelde vertolking. Raak en geestig was de voordracht van de drie Fabelen van De la Fontaine, welke door André Caplet zoo zuiver en zoo overtuigend in muziek zijn weergegeven — vooral “Le corbeau et le renard” is een meesterstukje — en een extra woord van hulde verdient de zangeres voor haar mooie uitspraak van het Fransch […] Judith Toff heeft de Ballades van Debussy op buitengewoon loffelijke wijze en met groote expressie voorgedragen. De zangeres — die met een bloemstuk werd gehuldigd -—.-mocht zich in warmen bijval van de talrijke aanwezigen verheugen” (De Gooi- en Eemlander; 9-3-1937).

Judith ToffOp donderdagavond 22 april stond Judith Toff weer in de kleine zaal van het Concertgebouw te Amsterdam met een programma van aria’s en liederen. Drie dagbladen had ieder een andere mening over het recital:

“Judith Toff is in de uitbeelding der muzikale dramatiek stellig het best op haar plaats, het opera-tooneel lijkt voor haar talent wel aangewezen.
En daarom zou de zangeres er ongetwijfeld ook verstandiger aan hebben gedaan gisteravond een andere programma-samenstelling te kiezen, zou een programma met méér muziekdramatische fragmenten óf sterkdramatisch geaccentueerde liederen beter in de lijn van Judith Toff’s natuurlijke begaafdheid en vocale dispositie hebben gelegen. Om een liederavond met succes aan te vangen met een groep liederen van Hugo Wolf — daartoe is zoowel een grooter podium-routine als een breedere beheersching der vocale literatuur noodig, dan waarover de jonge zangeres vooralsnog beschikt. Met Wolf’s lyriek weet Judith Toff nog niet veel aan te vangen, wat zij hier aan strikt vocale uitdrukkingsmacht tekort schiet, moet door min of meer uiterlijke expressie worden vergoed en dat levert dan uiteraard geen volmaakt bevredigende resultaten op. Zoo was het ook, zij het dan in wat mindere mate, bij Hans Schouwman’s “Wijzangen” of in Debussy’s “Proses lyriques”: veel goede bedoeling en ook wel fijn begrip voor den liedtekst, maar toch een tekort aan zuiver-muzikale expressie.
Maar met het tweede gedeelte van haar programma kan Judith Toff beter, veel beter demonstreeren op welk gebied haar kracht ligt. Dat was in de twee oud-Italiaansche aria’s, van Pergolesi, in Ottorino Respighi’s “Canto Funebre” of de “Trois Fables” van André Caplet. Alle sterk-beeldende zangen, waarin stem en voordracht nauwer gebonden zijn aan de concrete voorstelling, aan een gebeurtenis. En hier was Judith Toff dikwijls, heel dikwijls zelfs, te bewonderen – hier luisterde men geboeid naar een groote muzikale bewogenheid, hier pasten tragiek, humor of fijne gratie in den voordracht zeer mooi bij het donker-glanzende, dramatisch-expressieve geluid” (Algemeen Handelsblad; 23-4-1937).

“men heeft gisteravond wederom kunnen constateeren welk een bijzondere plaats Judith Toff te midden van de prominente Nederlandsche vocalisten inneemt.
In vocaal-technisch en artistiek opzicht heeft zij immers het niveau bereikt, dat toestaat haar tot de beste reproducerende musici van ons land te mogen rekenen.
Haar aangeboren, sterk-intuïtieve muzikaliteit wordt door twee eigenschappen sterk beïnvloed: intelligentie en temperament. Judith Toff beschikt over een beheersching, die haar boven de problemen van materieelen aard stelt, deze beheersching geeft echter nu, en dan het verstandelijke boven het temperament den voorrang. In zulke oogenbllkken stuwt het cerebrale de voordracht, in zulke oogenblikken ondergaat de toehoorder het zekere gevoel, dat Judith Toff niettegenstaande haar uiterst soepele, vele mogelijkheden bezittende muzikaliteit zich dan uitsluitend door haar grondig bestudeerde zangkunst laat leiden.
Het zij herhaald: slechts gedurende oogenbllkken voelde men deze krachtige beheersching; daardoor had de weergave van Hans Schouwman’s “Vier Wijzangen” overtuigender kunnen zijn. Bovenal: suggestiever.
Men onderging dit in des te sterkere mate omdat het viertal gezangen was voorafgegaan door een zes-delige serie Hugo Wolf-liederen, welke men in een schoone vertolking hoorde. Het “Lied vom Winde” en “Waldmädchen” droeg Judith Toff meesterlijk voor; zeer mooi zong zij “Denk’ es, o Selee!”.
Gedurende Judith Toff’s voordracht van Hugo Wolf’s muziek hoorde men elke mogelijkheid van de bijzonder fraaie stem verwezenlijkt; het voorbeeldig geschoolde, subliem getimbreerde orgaan beantwoordde aan alle eischen, welke deze bij uitstek moeilijk te vertolken kunst stelt. Van het tweede programma-deel worden hier alleen de beide fragmenten besproken, welke aan Pergolesi’s opera’s ‘Salustia’ en ‘Il Flaminio’ ontleend zijn. Judith Toff gaf hiervan een verrassende weergave, zelden, heel zelden hoorde men van een onzer jeugdige zangeressen zulk een gaaf, warm genuanceerd bel canto” (De Telegraaf; 23-4-1937).

“Judith Toff bezit een stem met fraai timbre, dat het midden houdt tusschen het zuiver metaalachtige en het weeke sopraangeluid. In de diepte komt de eigenlijke waarde het best tot uiting, maar ook in de midden- en hooge registers blijft het timbre voornaam en helder. Wat hier vooral opvalt is de voortreffelijke techniek, de deugdelijke scholing. Dat zij een Schönbergleerlinge is kan achteraf alleen de deugdelijkheid bevestigen, want deze openbaart zich van meet af. De perfectie heeft mej. Toff nog niet bereikt, want in hooge liggingen is de weg tusschen forte en piano niet zoo sterk gevarieerd; ook de resonans vertoont hier zwakke plekken, waardoor het geluid soms te schraal aandoet. Maar de tekorten beteekenen geenszins dat deze kunstenaresse de qualificatie van middelmatig zou verdienen. Integendeel, zij zingt zeer doordacht en doorvoeld en dat is de groote verdienste van deze jonge zangeres, die met haar veelzijdige gaven haar weg verdient te vinden” (De Tijd; 24-4-1937)

Judith Toff werkte op 29 april mee aan een opvoering van ‘Götterdämmerung’ van Wagner bij de Wagnervereeniging:

“Margarete Klose vormde ook met Judith Toff en Augusta Reclaire het drietal Nomen, Greet Koeman, Truus ter Steege en Juditt Toff waren de prachtig zingende Rheintöchter” (De Gooi- en Eemlander; 30-4-1937).

“Een Nornentrio (Marg. Klose, Judith Toff, Augusta Reclaire) vol atmosfeer, een „Rheintöchter”-terzet (Greet Koeman, Truus Tersteege, Judith Toff), doorzichtig, zwevend en klaar” (Algemeen Handelsblad; 30-4-1937)

“Bovendien waren de drie Nederlandsche Rijndochters: Greet Koeman, Truus ter Steege en Judith Toff in deze moeilijk te beconcurreeren omgeving, werkelijk een verrassing […] Wanneer onze terecht zoo furore makende Judith Toff als tweede Nome tusschen Margarete Klose en Auguste Reclaire in zong, dan raakte haar timbre wel eenigszins bekneld tusschen de Kanonen-Stimmen van hare Noodlots-zusters” (De Tijd; 1-5-1937)

Op 19 mei zong Judith Toff bij een concert van de zang-afdeeling ‘Jong Hass’ van de Joodsche Jeugdvereeniging ‘Mogein Dowied’ in de groote zaal van Krasnapolsky te Amsterdam. Verder werkten mee violist Andries Roodenburg en pianist Felix de Nobel:

“Vervolgens verleenden hun medewerking Judith Toff en Andries Roodenburg. Eerstgenoemde, die voor een jaar geleden haar debuut in de concertzaal maakte, beschikt over een donker en glanzend orgaan, beheerscht door een uitmuntende techniek. Uiteraard is deze zangeres voor de uitbeelding der dramatische muziek het beste op haar plaats, zoodat de aria’s ook het meest in den smaak vielen en de zangeres een krachtig applaus bezorgden; ook fraaie bloemen” (Nieuw Israelietisch Weekblad; 21-5-1937)

Pas een half jaar later wordt er in de pers weer melding gemaakt van een optreden van Judith Toff. Op 11 november zong zij bij de Wagnervereeniging de Derde adlige Waise in ‘Der Rosenkavalier’ van Richard Strauss naast Viorica Ursuleac als de Marschallin, Jarmila Novotna als Octavian en Erna Berger als Sophie. Erich Kleiber was de dirigent:

“een waslijst waarvan men het eene item (als de weezen van Ans Zeeman, Dzjobs Ising en Judith Toff) met belangrijk meer plezier zag of hoorde dan het andere” (De Telegraaf 12-11-1937).

Een maand later was Judith Toff weer in haar geboortestreek. Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de afdeling Winschoten van de Maatschappij tot Nut der Israëlieten in Nederland werd midden december een feestavond gehouden in de kleine zaal van hotel Wissemann:

“Het kunstzinnig deel van den avond werd op voortreffelijke wijze verzorgd door de zangeres Judith Toff te Amsterdam, die begeleid werd door den heer Fré Focke. Voor de pauze zong zij liederen van Schubert, Brahms, Liszt en Mahler, daarna van Richard Strausz, Debussy, Milhaud en Ravel. De zeer begaafde zangeres had terecht zeer veel succes en werd met bloemen gehuldigd” (Nieuwsblad van het Noorden; 20-12-1937).

“Het optreden van de begaafde zangeres Judith Toff, aan de vleugel begeleid door Fré Focke, die zelf op eminente wijze eenige soli gaf, had aller bewondering. Speciaal het laatste nummer Kaddisch van M. Ravel viel zeer in den smaak en als dank brachten de aanwezigen haar staande een ovatie. In de pauze werden haar bloemen aangeboden” (Nieuw Israelietisch weekblad; 24-12-1937).

Gesmoorde stemmen, Nieuwe Reportage