RECENSIE: Janáček – Z mrtvého domu

Dodenhuis op herhaling in Holland Festival

Dertig jaar geleden kon men voorstellingen van het Holland Festival (HF) voor ongeveer twintig gulden op de eerste rang bezoeken met wereldberoemde zangers als Joan Sutherland en Pavarotti. Die prijzen weken niet af van de normale seizoensprijzen. In 1977 kon je er Pieter van den Berg en Thea van der Putten in het Nederlands horen zingen in ’Z mrtvéno domu’ (Uit een Dodenhuis) van Leos Janáček (1854 – 1928). Ook in 1954 was deze opera al in het HF en het was met deze productie dat het werk zijn populariteit herwon, nadat het was genegeerd in de naoorlogse periode in verband met het thema krijgsgevangenenkampen. Nu is de opera in het HF voor het eerst in het Tsjechisch in Nederland te horen.

De 3e akte van de onvoltooide opera ’Z mrtvéno domu’ werd na Janáčeks dood op zijn bureau gevonden. De wereldpremière 2 jaar later was een vrij optimistisch gestemde correctie door Ota Zítek, die de tekst invulde, en Janáčeks leerlingen Osvald Chlubna en Břetislav Bakala, die het muziek herschreven in de abusievelijke veronderstelling dat de dunne orkestratie onvoltooid was. Uiteindelijk zijn er meerdere pogingen gedaan om Janáčeks bedoelingen te herstellen door Kubelík, Nosek en Mackerras en Tyrrell.

Net als in ‘Kát’a Kabanová’, illustreert Janáček in ’Z mrtvéno domu’ zijn preoccupatie met Rusland. Het dramatisch effectieve libretto werd door Janáček zelf geconstrueerd uit een autobiografische beschrijving van Dostojevski van diens 4-jarige oponthoud in een Siberische gevangenis in het midden van de 19e eeuw. Het conflict bij Janáček richt zich niet op de gevoelens en relaties van één hoofdfiguur, maar op een idee: de utopie van vrijheid en een menswaardig leven. Overeenkomstig de realiteit van een troosteloze levenssituatie blijkt die droom echter een bittere illusie.

Het Holland Festival produceert deze opera dit jaar opnieuw samen met Wenen, New York, Milaan en Aix-en-Provence. Na hun Bayreuth ‘Ring’ en ‘Lulu’ is dit de derde en volgens eigen zeggen laatste samenwerking van het “dreamteam” Patrice Chéreau (1944, Frankrijk) en Pierre Boulez (1925, Frankrijk). Regisseur Chéreau komt, net als Greenaway, Luhrmann en Herzog uit de filmwereld. Na een 10-jarige afwezigheid van de operawereld maakte hij twee jaar geleden zijn comeback met een geslaagde ‘Così fan tutte’. Zijn films waren in Nederland al wel te zien, maar zijn opera’s nog nooit. De verwachtingen waren dus hoog gespannen. Op papier leek Chéreau de perfecte regisseur voor ’Z mrtvéno domu’, gezien de adembenemende melancholie van zijn film ‘Intimacy’ en de ‘Così’. Met gedetailleerde overdaad in een decor van grijs beton probeert Chéreau de koude en harde wereld te schetsen, die de muziek van Janáček schept. Maar het lukt hem niet de grimmigheid en gruwelijkheden van een gevangenis te verwezenlijken en Chéreau’s eenvoudige directheid en realisme is helaas niet radicaal genoeg om het menselijke leed over te brengen. Maar wellicht was het vanaf de zijkant van het bovenste balkon, waar deze recensent door HF was geplaatst, gewoon allemaal niet goed te beoordelen….

Muzikaal is het een uitstekende uitvoering. Dirigent Pierre Boulez overmeestert op grootse wijze de problemen die Janáčeks orkestratie met zijn buitengewone gebruik van instrumenten vaak biedt. Janáček werd aangetrokken door de kleurrijke mogelijkheden die het gevangenisleven bood aan het orkest en gebruikte knarsende violen, snerpende piccolo’s en kreunende trombones onderstreept met aambeeld, kettingen, zagen en stokken. Hierdoor zit ’Z mrtvéno domu’ vol met abrupte uitspattingen en nerveuze herhalingen. Walsen, marsen en hartverscheurende lyrische passages vertellen elk hun eigen verhaal en zetten muzikale kracht bij de diepe emoties die Luka, Baklušin en Šiškin ertoe bewogen hun daden te begaan.

Ondanks de hoofdrol van het orkest weet Boulez voortreffelijk de orkestbalans aan te passen en de zangers te ondersteunen. Er zijn geen echte hoofdrollen in deze opera en de partituur eist van hen geen mooie belcanto schoonheid, maar solide, nauwkeurige en buigzame stemmen. Alle 19 solisten, 32 koorleden en 14 figuranten leveren in deze productie bewonderenswaardige vocale en dramatische prestaties.

Maar helaas is het 60e HF niet meer het pretentieloze festival van destijds, doch slechts voor de prestigieuze elite. De vaste operaliefhebbers, die geen 145 euro voor een entreebewijs neertellen, ontbreken dan ook hier. En dat de zaal tenslotte toch vol zat, is net zo makkelijk te verklaren als het feit dat er nog altijd duiven een graantje meepikken op de Dam.

De Nationale Opera, Home