RECENSIE: Wagner – Tristan und Isolde

© Wolfgang Runkel

Frank van Aken geeft schitterend portret van Tristan in roldebuut

De ‘Tristan und Isolde’ in Frankfurt staat in het teken van het scenische roldebuut van de Nederlandse heldentenor Frank van Aken als Tristan, één van de zwaarste tenorpartijen van Wagner. Van Aken is één van die zeldzame zangers, die in de loop van de voorstellingen groeien en blijven boeien. Zijn schitterende portrettering van Tristan, de Brangäne van Claudia Mahnke en dirigent Sebastian Weigle gaven de uitvoering precies dat wat de enscenering ontbeert: charme.

Richard Wagner (1813 – 1883) wilde met zijn opera ‘Tristan und Isolde’ (1865) een makkelijk op te voeren werk maken, dat zelfs aan de kleinere theaters met eenvoudige muzikale en scenische middelen kon worden gespeeld. Wagner had namelijk geld nodig. Het is inmiddels bekend dat het “eenvoudige werk” later wegens de schijnbare “onuitvoerbaarheid” op afwijzing stuitte. Slechts één maal heeft Wagner coupures in ‘Tristan und Isolde’ toegestaan: na een opvoering in 1880 heeft hij twee plaatsen aangeven waar een streep doorheen mocht worden gehaald.

Oper Frankfurt speelt nu de volledige, originele versie van ‘Tristan und Isolde’ inclusief de ‘Tag und Nacht’ scène in de tweede akte. De enscenering van deze ‘Tristan und Isolde’ is een oude productie uit 2003 van regisseur Christof Nel (Stuttgart, 1944). Nel is één van die vele Duitse operaregisseurs met een wisselend oeuvre. Hij is afkerig van kitsch en clichés en is bang voor emoties. Zijn ‘Parsifal’ in Frankfurt vorig jaar kreeg daardoor iets beklemmends en sereens, maar ‘Der Rosenkavalier’ in Hannover het jaar daarvoor werd langdradig en vervelend. Bij Nel is Tristan geen Held, maar loopt rond in een joggingbroek. Isolde heeft zich voor de ontmoeting met haar minnaar Tristan in de tweede akte niet in iets moois gehuld, maar werkt als Putzfrau. Er is geen omarming tussen Tristan en Isolde, geen chemie, geen erotiek en uiteindelijk is er ook geen Liebestod. Deze ‘Tristan und Isolde’ heeft geen charme. En – wat erger is – Nel biedt geen nieuwe inzichten in de opera.

De voorstelling staat uiteraard in het teken van het scenische roldebuut van de Nederlandse heldentenor Frank van Aken als Tristan, één van de zwaarste tenorpartijen van Wagner. Van Aken vierde vorig jaar al triomfen in zijn andere Wagner-glansrollen van Tannhäuser en Siegmund in onder andere de Weense Staatsopera en de Scala. Hij is één van die zeldzame zangers, die in de loop van de voorstellingen groeien en blijven boeien. In de eerste akte zingt hij de recitatieven rauw en maakt hij een fantastisch extatisch moment van de dronken uitroep “Welcher König?”, dat boven het orkest uit door de zaal klonk. De tweede akte zingt hij lyrisch, vurig en gepassioneerd met mooie pianissimi en mezzo voce. De derde akte zingt hij fraai open en actief en zijn schitterende portrettering hier doet denken aan hoe hartstochtelijk hij vorig jaar Parsifal neerzette. Frank van Aken maakte een grote carrière in het Wagner-repertoire en het zal niet verbazen als hij ooit nog in de Metropolitan Opera House van New York zijn opwachting zal maken. In elk geval zingt hij de rol van Tristan in 2013 in het gerenommeerde operahuis van Dresden met Eva-Maria Westbroek als Isolde.

De Isolde in Frankfurt is de Britse sopraan Catherine Foster, die een fantastische Durchslagkraft heeft boven de notenbalk. Haar midden is nasaal en in de laagte knijpt ze de stem dicht. Haar Duits is niet altijd even goed verstaanbaar, muzikaal en tekstueel is zij niet altijd trefzeker en haar vertolking is te eenkleurig om een hele avond te boeien. Claudia Mahnke daarentegen is een prachtige Brangäne. Het weelderige moment van haar fraaie legatolijnen in “Einsam wachend” was één van de hoogtepunten van de avond. De Britse bariton Simon Neal – die al eerder te horen was naast de Nederlandse sopraan Annemarie Kremer in ‘Madama Butterfly’ en ‘Tosca’ in Dortmund – is een sympathieke Kurwenal. Zijn grote stem klinkt ideaal voor het Wagnervak, ook al zijn zijn vocalen e en i nog weinig open en iets te Italiaans. De spotlied in de eerste akte zingt hij met gepaste ‘Draufgängertum’. Dirigent en Generalmusikdirektor van Frankfurt Sebastian Weigle hoorde men zelden zo goed als hier. De uitbundige klankgolven van levendige houtbazers en onstuimige strijkers gaven de uitvoering precies dat wat de enscenering – en vele ensceneringen tegenwoordig – ontbeerde: charme.

Buitenlandse Recensies, Home