1.
De opera-bouffe ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’ (1867) van de Duits-Franse componist Jacques Offenbach (1819-1880) werd negentig jaren na de wereldpremière op 21 september 1957 uitgevoerd voor de Franse radio, de Office de Radiodiffusion Télévision Française. Men volgde de Parijse versie van na de wereldpremière.
De bezetting van deze radio-uitvoering was volledig Frans. In de titelpartij van La Grande Duchesse schittert de operettekoningin Suzanne Lafaye (1917-2015). Haar nalatenschap met opnamen van talrijke operettes getuigen van haar enorme theatrale talent.
Lafaye weet haar timbre aan elke situatie aan te passen. Net als alle zangeressen in deze discografie zingt zij zowel het Rondo (F-groot) als de Déclaration (E-groot) in de originele mezzo-versie van de wereldpremière. De Déclaration werd in de dagen na de wereldpremière getransponeerd naar Es-groot en beide stukken kregen in Wenen een sopraan-versie (respectievelijk a-klein en G-groot).
De tenor Jean Giraudeau (1916-1995) had een enorm repertoire met 135 uiteenlopende rollen van Énée, Erik en Bacchus tot Fritz in ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’. Hij zingt Fritz met nu eens lyrische dan weer opvliegend timbre. Het tweede couplet van zijn chanson “Allez, jeunes filles” in de eerste akte is weggelaten.
De Franse sopraan Lina Dachary (1922-1999) stond vooral bekend om haar vele operette-optredens voor de radio. De Bibliothèque Nationale de France vermeldt van haar maar liefst 68 opnamen. Haar vertolking van Wanda is de beste op CD. Compleet in de inmiddels verloren Franse operettestijl met dictie, stijl en accent van de fijngebouwde, delicate Française.
De bariton Louis Musy (1902-1981) is hier aan het einde van zijn indrukwekkende carrière en werkte mee aan wereldpremières van werken van onder andere Milhaud, Ibert en Bondeville. Hij geeft goed portret aan generaal Boum met een goed evenwicht tussen scherts, spot, plechtigheid en gewicht. De tenor Joseph Peyron (1912-1976) was een trouwe zanger in het comédie musicale repertoire en is een licht lyrische prins Paul.
Dirigent Marcel Cariven (1894-1979) was van de jaren vijftig tot begin jaren zeventig actief bij de Franse radio, waar hij vele operette-opnamen dirigeerde. Met het Orchestre Radio-Lyrique laat hij Offenbachs muziek sprankelen in de comédie traditie.
Er is een korte finale II – niet de grote finale II zoals Offenbach die oorspronkelijk voor ogen had – met slechts “Logeons-le donc”. In het derde bedrijf zijn beide Entr’actes weggelaten. Deze akte opent – conform de Parijse versie – met het duet van de Duchesse en Boum “O grandes leçons du passé”, dat Offenbach na de wereldpremière in plaats van de Méditation van de Duchesse schreef.
De CD van Malibran heeft als bonus tien minuten uit ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’ die in 1956 werden opgenomen met de onovertroffen Lucienne Jourfier, tenor Michel Dens en opnieuw Louis Musy. Dit zijn vier hoogtepunten van de editie van Albert Willemetz en André Mouëzy-Eon uit 1947. We horen het “Piff, paff, pouff” van Boum, de Déclaration van de Duchesse (hier in de sopraanversie !) en twee alternatieve nummers. Helaas bestaat er geen complete opname van Lucienne Jourfier als la Duchesse.
Malibran MR 803 (2CDs) / 1°45’36” (45’03” + 28’06” + 32’31”)
2.
In navolging van de EMI-opname van Offenbachs ‘La Vie Parisienne’ in mei 1976 nam CBS twee maanden later in juli 1976 eveneens in de Halle-aux-Grains in Toulouse ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’ op met hetzelfde orkest, dezelfde dirigent en dezelfde sopranen. Ook hier waren alle zangers Frans.
De sopraan Régine Crespin 1927-2007) was inmiddels 49 jaar en een wereldster. Hortense Schneider was overigens 33 jaar toen zij de rol van de 20-jarige Grande Duchesse tijdens de wereldpremière zong. De Duchesse van Crespin is gedistingeerd, deftig en groot, maar zonder de ironie en verfijning van Lafaye.
De tenor Alain Vanzo (1928-2002) als Fritz zingt hier niet meer – zoals in de jaren zestig – met geknepen stem, maar weer zoals in de jaren vijftig met open en stralend timbre. De sopraan Mady Mesplé (1931-2020) is een Franse, ietwat schriele Wanda, maar in de stijl van Lina Dachary.
De bariton Robert Massard (1925-2020) is een generaal Boum met autoriteit maar zonder de knipoog van Louis Musy en Henri Bédex (zie 4.). Prince Paul is luxe bezet met de tenor Charles Burles (1936-2021). In de Chronique de la Gazette de Hollande nu eens geen sulletje tegenover de Duchesse, maar een grote stem en dat maakt de finale geloofwaardiger, om de Duchesse uiteindelijk te bekoren. Burles zou twee jaren later naast Crespin in Toulouse de rol van Fritz vertolken (zie Bonus).
Dirigent Michel Plasson dirigeert het Orchestre National du Capitole de Toulouse in hun thuisbasis Halle-aux-Grains van Toulouse. Hij neemt zo nu en dan trage tempi, zoals in het Rondo van Fritz in de tweede akte, dat daardoor houterig wordt. Ook hier de korte finale II – volgens de Parijse versie – met slechts “Logeons-le donc”. Derde akte opent met het Entr’acte en daarna het duet van de Duchesse en Boum.
Sony SM2K 62583 (2CDs) / 1°57’12” (50’15” + 32’05” + 34’46”)
3.
‘La Grande Duchesse de Gérolstein’ werd tussen 7 oktober 2004 en 2 januari 2005 maar liefst 17 keer gespeeld in het Théâtre du Châtelet van Parijs. In december 2004 werd in het theater met dezelfde cast opnamen van de operette gemaakt zonder publiek.
Er werd gebruikt gemaakt van de kritische editie van Jean-Christophe Keck uit 2003. Men maakte een unieke compilatie (collage) op basis van de kritische Offenbach Edition Keck. Muziek die vlak vóór de première in 1867 door Offenbach en de censuur was geschrapt werd hersteld. Ook tijdens de eerste reeks uitvoeringen in Parijs schrapte en herzag Offenbach de opéra bouffe. Tijdens de wereldpremière namelijk was de eerste akte een groot succes, maar zakte de uitvoering daarna in. Keck restaureerde de partituur en voegde diverse nummers, die voor en na de wereldpremière waren geschrapt, weer toe.
De Engelse sopraan Felicity Lott (1947-2026) is met Lafaye de beste Duchesse op CD. Zij was hier inmiddels 57 jaar na een indrukwekkende carrière. Haar Frans is perfect als enige niet-Française in de cast. Vocaal is het prachtig en haar hoogte is stralend. Zij besteedt in zowel de muziek als de dialogen grote aandacht aan de tekst. Lott bezit aristocratische elegantie, geeft de Duchesse een voorbeeldige klasse en portretteert een vrouw die gecharmeerd is van alle knappe mannen om haar heen. Luister naar “Ah! que j’aime les militaires” waar zij hilarisch gilletjes en lachen van verrukking maakt.
De tenor Yann Beuron had in 1997 in Lyon ook meegewerkt aan ‘Orphée aux Enfers’ en is hier een energieke, innemend naïeve Fritz met een uitstekende dictie en meer open geluid dan zeven jaren eerder. De sopraan Sandrine Piau is een charmante en vocaal rondere Wanda, zonder het frêle, Franse timbre en verstaanbaarheid van Mesplé en Dachary. De bariton François Le Roux is een wiebelige generaal Boum, maar geeft een hilarisch portret met een variatie aan stemkleuren.
De Franse dirigent Marc Minkowski (1962) geeft met het Orchestre des Musiciens du Louvre een enorm levendige lezing. Zijn interpretatie is altijd vanzelfsprekend en ongecompliceerd. Alles klinkt met ironie en grote subtiliteit. De tempi zijn snel, maar altijd beheerst en in overeenstemming met het verhaal. In het da capo brengt hij fraaie variatie in de tempi.
Tijdens de wereldpremière was de eerste akte een groot succes, maar zakte de uitvoering daarna dus in. De Châtelet-productie laat horen waarom dat is. Vanaf het midden van de tweede akte gaat deze uitvoering slepen en vallen er gaten. Het is niet voor niets dat Jacques Offenbach, Henri Meilhac en Ludovic Halévy de finale II en de derde akte al voor de tweede opvoering herzagen. Die finale II duurt in deze opname 10 minuten langer dan in de Parijse versie.
Aan het begin van de derde akte horen we zowel de Méditation van de Duchesse (van vóór de wereldpremière, door de censuur geschrapt) als haar duet met Boum (van de latere Parijse versie). Aanpassing aan de teksten zijn van Agathe Mélinand en vaak langdradig. De wijze van declameren zoals bij Hartemann (zie 4.) is verloren gegaan. Toch valt er in deze opname veel te genieten en kan zij bestaan naast de anderen. Van de drie voorstellingen op 19, 23 en 26 december 2004 werd tevens een DVD-uitgave gemaakt.
Erato 5457342 (2CDs) / 2°24’ (53’50” + 45’10” + 45’12”)
4.
Suzanne Lafaye stond precies negen jaren na haar eerste opname van ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’ (zie 1.) in september 1966 in de Universal Decca Studios te Antony – een voorstad van Parijs – opnieuw voor de microfoon voor nu een stereo-opname van de opéra-bouffe. Ook hier werd de Parijse versie gevolgd.
Lafaye was inmiddels gegroeid in de rol, maar de registers zijn meer gescheiden en de vocale glans is minder dan in 1957. Zij was tevens omringd door minder sterke vertolkers dan negen jaren eerder. Het waren veterane zangers, die reeds over hun hoogtepunt waren en de meesten zijn inmiddels in vergetelheid geraakt. De tenor Jean Aubert maakte al grammofoonopnamen in de jaren twintig. Hij zal hier rond de zestig zijn geweest, maar klinkt als Fritz nog jeugdig met lyrisch geluid.
De sopraan Michèle Raynaud is een mooi slanke Wanda. Ook Henry Bédex was actief vanaf de jaren twintig, heeft niet veel glans meer op de stem, maar geeft fantastisch kluchtig portret aan generaal Boum.
Dirigent Jean-Claude Hartemann (1929-1993) richtte samen met Suzanne Lafaye het gezelschap Baladins Lyriques op. Bij de Opéra-Comique werd hij in 1963 chefdirigent en vanaf 1968 tot de sluiting in 1972 was hij er muzikaal directeur. Zijn levendige tempi, elan en aandacht voor details zijn uitstekend. Hartemann werd slechts 63 jaar.
Aan het begin van de tweede akte wordt het openingskoor van de hofdames weggelaten en de finale II is ook hier kort. Het duet van de Duchesse en Boum en het slijperstrio zijn uit de derde akte geschrapt en de akte opent met het Chant nuptial. Het tweede tableau van de derde akte begint met de Légende du Verre, want ook het Choeur de noce is weggelaten.
De geluidsopname is zeer droog, alsof het in een huiskamer is opgenomen en het orkest klinkt door de droge akoestiek soms als een muziekkorps. De zeer uitgebreide, maar levendige dialogen maken van de theatrale uitvoering bijna een hoorspel.
Accord 465 871-2 (2CDs) / 1°45’ / (48’53” + 28’6” + 31’37”)
5.
‘La Grand Duchesse de Gérolstein’ werd in 1958 in Parijs opgenomen voor het label Urania. De cast was door de dirigent René Leibowitz zelf samengesteld, zoals hij vaker voor zijn opnamen deed. Bij hem nooit echt grote internationale beroemdheden, maar een homogeen gezelschap.
De Poolse mezzo Eugenia Zareska (1910-1979) was hier net als Crespin en Lafaye eind veertig. Haar stem is helaas te donker en zij klinkt als een matrone, te serieus en te oud voor de 20-jarige Duchesse.
De Franse tenor André Dran (1924-2014) zong tussen 1953 en 1970 aan de Opéra-Comique. Hij had begin jaren vijftig al onder leiding van dirigent René Leibowitz meegewerkt aan opnamen van Offenbachs ‘La Belle Hélène’ en ‘Orphée Aux Enfers’. Zijn Fritz heeft vocaal niet veel glans, is enigszins stug, maar bezit operettecharisma. De onbekende sopraan Giselle Prévet is een meisjesachtige Wanda.
De onbekende bariton John Riley – hij gaf een aantal liedrecitals in Nederland – is wel een heel serieuze Général Boum. De tenor Jean Mollien (1923-1984) maakte tussen 1950 en midden jaren zeventig tientallen radio-opnamen voor de RTF. In de Chronique de la Gazette de Hollande geeft hij met volle stem een vurig verslag van zijn portret in de krant.
De Pools-Franse dirigent René Leibowitz (1913-1972) was een leerling van Arnold Schönberg en de compositieleraar van Pierre Boulez. Ondanks zijn achtergrond in de moderne en hedendaagse muziek had hij een grote affiniteit met de intieme stijl van Offenbach. Zijn lezing met Orchestre de l’Association des Concerts Pasdeloup is hier echter te traag en zwaar op de hand voor Offenbach.
De opname is interessant vanwege de keuze van de fragmenten door Leibowitz. In de finale I is er het volledige Choeur de Soldats, dat bij Cariven en Hartemann nog tot de helft werd gereduceerd. De tweede akte is opvallend compleet. We krijgen het complete openingskoor van de hofdames, het duet voorafgaande aan “Dites-lui” en zelfs het gehele couplets “O grandes leçons du passé” in de finale. De derde akte opent met het Chant nuptial (dus geen Méditation, duet en Conspiration), maar wel het Entr’acte voor het tweede tableau. De dialogen zijn flink ingekort.
Preiser Records 90591 (2CDs) / 1°38’ (35’46” + 33’42” + 23’41”)
BONUS:
1.
Het is eeuwig jammer dat er in februari 1967 slechts hoogtepunten en geen complete uitvoering van ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’ werden opgenomen in Salle Wagram van Parijs. Alle zangers waren Frans.
De sopraan Eliane Lublin (1938-2017) was hier La Grande Duchesse en de enige op plaat – naast Jourfier – die echt klinkt als een 20-jarig meisje. Ook zij zingt overigens het Rondo en de Déclaration in de mezzo-ligging.
De tenor Raymond Amade is een schitterde Fritz. Zijn drie grote soli van Fritz zijn gelukkig opgenomen. We krijgen zijn wals uit de eerste akte, het rondo uit de tweede akte en zijn complainte uit de laatste akte. Luister naar zijn trompet in het duet “Chanson Militaire” en je begrijpt waarom hij de grote operettester was. De hoge bariton Jean-Christophe Benoit is een lekker pinnige Général Boum.
Dirigent Jean-Pierre Marty is de beste dirigent voor ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’ op CD. Het Orchestre de la Société des Concerts du Conservatoire bruist aan alle kanten! Champagne! Interessant ook het slijperstrio Chant des Rémouleurs “Mais, soignons les détails… Tournez, tournez manivelles” van Puck, Paul en Boum, dat na de wereldpremière werd geschrapt. Vanwege Amade en Marty een onmisbare opname!
EMI 7 63415-2 (1CD) / 37’19”
2.
Twee jaren na hun studio-opname stonden Régine Crespin en dirigent Michel Plasson in 1978 in Halle-aux-Grains van Toulouse voor een voorstellingsreeks van ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’. Hiervan is een video-opname bewaard gebleven die op DVD verscheen.
Régine Crespin is ook hier een geaffecteerde en gereserveerde Duchesse. De tenor Charles Burles – twee jaren eerder bij Plasson nog Paul (zie 2.) – is hier een schitterende Pritz met een vrij en open eerlijk geluid. De Belgische bariton Michel Trempont (1928-2021) – net als Burles een favoriet van Plasson – is een fantastische Général Boum, hilarisch in het “Piff, Paff, Pouff”. De sopraan Danielle Castaing is een vol lyrische Wanda.
En opnieuw Michel Plasson met het Choeurs et Orchestre du Capitole de Toulouse. De enscenering van de bekende Franse theater- en filmmaker Robert Dhéry (1921–2004) is vermakelijk. Met zijn feilloze gevoel voor timing en burleske humor maakte hij van Offenbachs satirische operette een puur komisch theaterwerk.
De opvoering van ‘La Grande Duchesse de Gérolstein’ van 1960 in het Theâtre Champs Élysées met Géori Boué werd op televisie uitgezonden en opgenomen, maar deze film verscheen nooit op DVD en is slechts tegen betaling te vinden op INA.
Encore DVD 2019 / 1°55’





