De opera ‘Elektra’ van Richard Strauss beleefde zijn Nederlandse première op 12 februari 1910. Dit was een jaar na de wereldpremière van het werk op 25 januari 1909 in het Königliche Opernhaus van Dresden.
De Nederlandse première van ‘Elektra’ van Richard Strauss (1864-1949) was een gastvoorstelling in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen van Den Haag. Het was precies een week voor de Britse première van ‘Elektra’ tijdens het Thomas Beecham Opera Season in het Royal Opera House Covent Garden van Londen.
De Nederlandse première oogstte unaniem lof. De zaal van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen was geheel uitverkocht en KoninginMoeder Emma was aanwezig:
“een onbeschrijflijk indrukwekkende, een niet te vergeten avond, die met gulden letters geboekt zal worden in de geschiedenis van het muzikale leven in de residentie” (Delftsche Courant; 14-2-1910)
De titelrol van Elektra werd gezongen door de Weense sopraan Thila Plaichinger (1868-1939). Zij was op dat moment vast verbonden aan de Hofoper van Berlijn en had Elektra ook gezongen tijdens de Berlijnse première op 15 februari 1909.
“Wie hield zijn adem niet in, toen ze als een wild dier in uiterste spanning heen en weer liep, terwijl daarbinnen de moord op Klytaimnestra werd voltrokken, wie voelde zijn hart niet onstuimig kloppen bij haar uitzinnigen dans aan het slot? En dan die geweldige ontroering tijdens de herkenningsscene! Inderdaad zij gaf de Elektra als de verpersoonlijking der tot het uiterste opgevoerde wraakzucht, een wraakzucht, welke haar soms deed schijnen als een dier in menschengedaante maar toch boven alles als de koninklijke dochter van Agamemon; de wraakzucht geboren uit kinderlijke liefde; zij was Elektra, grootsch en geweldig, hartstochtelijk en onstuimig; maar overal grootsch en koninklijk in haar haat, haar wraakzucht, en in haar liefde” (De Nieuwe Courant; 14-2-1910)
“Th. Plaichinger was een Elektra met een eminent kunnen en buitengewoon speeltalent. De bijna bovenvrouwelijke eischen aan volharding en stem gesteld, weerstond zij manmoedig. De dramatische hoogtepunten wist zij steeds met groote kracht en hartstocht op te spitsen” (Het Vaderland; 14-2-1910)
“van wie de eerste, de figuur van Elektra voor ons heeft doen leven in opperste dramatische volmaking” (De Avondpost; 14-2-1910)
Plaichinger zou de rol ook zingen tijdens de Engelse premièrereeks van ‘Elektra’ in 1910.
Klytämnestra werd vertolkt door de Joods-Duitse mezzo Ottilie Metzger (1878-1942), die verbonden was aan de opera van Hamburg:
“De vertolking van Ottilie Metzger verleende aan den dialoog van Elektra en Klytaimnestra een indrukwekkend relief. Hoe volkomen voelden we in deze uitbeelding het innerlijk leege, verdorvene van deze met schitterende praal ontvangen verschijning! Haar klacht van innerlijk lijden, gaf een prachtig contrast met haar uiterlijk vertoon van koningschap; subliem was haar spel tijdens Elektra’s wilde uitbarsting en niet minder voortreffelijk de uitbeelding van den overgang van ontzettenden wanhoop tot krankzinnigen triomf. Een werkelijk diepschokkend tooneel tusschen de twee vijandinnen” (De Nieuwe Courant; 14-2-1910)
“In stem en opvatting gaf ook Otillie Metzger een ideale Klytamnestra. Haar angst, de zwaar drukkende moeheid, het verwoeste leven, en vooral het verhaal harer droomen, wie heeft ze niet meegevoeld en geleden” (Het Vaderland; 14-2-1910)
“Haar vol, donker altgeluid paste prachtig bij ’t karakter van haar partij, haar dramatiek was voortreffelijk” (De Avondpost; 14-2-1910)
Ottilie Metzger zong Klytämnestra in 1910 ook tijdens de Engelse premièrereeks van ‘Elektra’ en was Herodias in de eerste Londense opvoering van ‘Salome’ van Richard Straus.
Later in 1910 trad zij in het huwelijk met de bas-bariton Theodor Lattermann (1886-1926). Ottilie Metzger werd waarschijnlijk in 1942 kort na aankomst vanuit het Belgische concentratiekamp Dossin – Transport XIII 10-10-1942 Transportnummer 66 – in Auschwitz vermoord.
Voor de Nederlandse première van ‘Elektra’ was de sopraan Margarethe Siems voorzien voor de rol van Chrysothemis, maar zegde af. Zij werd vervangen door de Duitse sopraan Louise Petzl (1884-1936), die tussen 1908 en 1913 in Covent Garden optrad.
“Die frissche zang, dat echt spontane en levendige in de verschijning van Louise Petzl is zoo geheel in overeenstemming met het wezen van Chysothemis, voor wie het zonnige leven alles is, die het ontzettende verleden als iets onvermijdelijk aanvaardt, de opoffering van Elektra absoluut niet begrijpt en daardoor in alles een scherp contrast vormt met haar zuster. Dat frissche, natuurlijke en naïeve gaf ze innig gevoeld weer, zoowel in haar verlangen naar het leven en het moederschap als in haar terugschrikken voor een moord, haar weeklacht over Orestes’ dood en haar verrukking over diens terugkeer. Een uitbeelding, die vooral door het zich volkomen geven, het hartstochtlijk spontane ongemeen bekoorde” (De Nieuwe Courant; 14-2-1910)
“Niet minder de Chrysothemis van Louise Petzl. Haar prachtige gestalte, weelderige stemmiddelen, onvermoeide hartstochtelijke actie, ze zijn niet te overtreffen en te vergeten” (Het Vaderland; 14-2-1910)
“behalve een prachtige uitbeelding van de liefelijke Chrysothemisfiguur, een vlekkeloos schoone vertolking van haar zeer moeilijke zangpartij gaf” (De Avondpost; 14-2-1910)
Louise Petzl zou Chrysothemis ook naast Plaichinger zingen tijdens de Engelse premièrereeks van ‘Elektra’ in 1910 (affiche 24 oktober 1910).
De Duitse bariton Carl Perron (1858-1923) was de favoriete bariton van Richard Strauss. Hij had Jochanaan gezongen tijdens de wereldpremière van ‘Salome’ in 1905 in Dresden en had ook Orest tijdens de wereldpremière van ‘Elektra’ vertolkt:
“Van tragische grootte was Perron als Orest, onverbiddelijk, monumentaal. Hij had zich mogelijk jonger kunnen grimeeren. Gebaren, houding, heerlijke stemmiddelen, zijn Possartachtig declameeren, maakten deze Orest tot een volmaking, waar een groote kracht ter overwinning van uitging” (Het Vaderland; 14-2-1910)
“door de waarlijk klassieke grootheid en rust van zijn spel, zijn nobele mimiek en de sobere schoonheid zijner voordracht” (De Avondpost; 14-2-1910)
Perron zou ook nog de rol van Ochs auf Lerchenau vertolken tijdens de wereldpremière van ‘Der Rosenkavalier’ in 1911 in Dresden.
Aegisth was de Nederlandse tenor Jos Tijssen (1871-1923), die op dat moment verbonden was aan de Oper Frankfurt:
“Onze landgenoot Jos. Tijssen typeerde en zong de kleine partij van Aegist eveneens uitnemend” (De Avondpost; 14-2-1910)
“Ook de kleinere rollen van Aegisth (Tijssen), die soms zeer mooi was, ook enkele conventioneelere opera-manieren had” (Het Vaderland; 14-2-1910)
Tijssen kwam in 1923 op 52-jarige leeftijd in de Duitse plaats Kleve om het leven na een aanval door gewelddadige jongeren (zie Opera Nederland).
Ein junger Diener was luxe bezet met de Duitse tenor Hermann Schramm (1871-1951), die sinds 1899 verbonden was aan de Oper Frankfurt. Als Jood moest hij in 1934 zijn engagementen in Frankfurt opgeven, maar hij overleefde het naziregime in Frankfurt.
De regie was in handen van Christian Krämer en in de finale van de enscenering waren er zelfs koeien op het toneel:
“Nog een compliment aan het slot voor de beide koeien van Streng, die zoo rustig hun plicht deden” (Het Vaderland; 14-2-1910)
Het Residentie Orkest stond onder muzikale leiding van Richard Strauss zelf, die na de uitvoering zo’n 15 keer werd teruggeroepen.




