De operette ‘Candide’ van de Amerikaanse componist en dirigent Leonard Bernstein beleefde haar eerste uitvoering op 29 oktober 1956 in het Colonial Theater van Boston. Bernstein baseerde zijn werk op de gelijknamige, satirische novelle van Voltaire. De operette bezit meer verschillende versies dan welk ander werk voor muziektheater ooit. Ook werkten aan de operette uiteindelijk maar liefst zeven tekstschrijvers mee. De belangrijkste opnamen worden in chronologische volgorde besproken.
1.
‘Candide’ was een samenwerking tussen Leonard Bernstein (1918-1990) en librettiste Lillian Hellman (1905-1984) en tekstschrijvers Dorothy Parker, John Latouche en Richard Wilbur. Latouche heeft opvoeringen van het werk niet meer mee mogen maken, want hij overleed vier maanden voor de première op 41-jarige leeftijd aan een hartaanval.
De première van ‘Candide’ op Broadway was als musical op 1 december 1956 in het Martin Beck Theatre van New York. De productie was een commerciële flop. Het reflecterende, donkere libretto paste niet bij de vrolijke, melodieuze muziek van Bernstein. Er waren gedurende twee maanden in totaal slechts 73 voorstellingen. De show werd in 1957 wel genomineerd voor een Tony Award voor Best Musical.
Naar aanleiding van de korte Broadway-run in 1956/1957 werd een opname van ‘Candide’ gemaakt. Op 9 december 1956 nam de Original Broadway Cast het werk op in de Columbia Recording Studios. Terwijl de show mislukte, was deze LP een groot succes. De opname kreeg een cultstatus. De opname heeft veel nummers die in latere versies geschrapt of herschreven werden.
De Amerikaanse acteur en tenor Robert Rounseville (1914-1974) zong hier de titelpartij van Candide. Hij trad is diverse operettes, Broadway-musicals, opera’s en films op en was in 1951 de eerste Tom Rakewell in de wereldpremière van Stravinsky ‘The Rake’s Progress’ in Venetië geweest. In zijn twee aria’s “It must be so” en “The ballad of Eldorado” (het “Candide’s lament” werd in 1974 gecomponeerd en “Nothing more than this” werd hier weggelaten) laat hij zijn mooi lyrische, maar soms ietwat geknepen geluid horen. Rounseville overleed op 60-jarige leeftijd door een hartaanval terwijl hij zangles gaf in zijn zangstudio in Carnegie Hall.
De Amerikaanse zangeres Barbara Cook (1927-2017) had in 1951 haar Broadway-debuut gemaakt en is Candides nicht en geliefde Cunegonde. Haar vertolking van Cunegonde maakte haar tot één van Broadway’s belangrijkste vertolksters van ingénues; naïeve, onschuldige jongedames zonder levenservaring. Haar uitvoering van de aria “Glitter and be gay” in de eerste akte is fenomenaal. Toen haar gevraagd werd hoe zij dit gedurende acht voorstellingen per week voor elkaar kreeg, antwoordde zij: “Niemand had de moeite genomen om mij te vertellen dat het moeilijk was”.
De Ierse acteur en zanger Max Adrian (1903-1973) is heerlijk geaffecteerd in de dubbelrol van Dr. Pangloss/Martin. De Russische alt Irra Petina (1908-2000) had in 1933 haar debuut in de Metropolitan Opera gemaakt en in 1950 haar laatste van ruim 400 Met-voorstellingen gezongen. Haar vertolking van “I am easily assimilated” van de Old Lady is onweerstaanbaar hilarisch en vanwege haar portrettering werd zij – als enige van de zangers – in 1957 genomineerd voor een Tony Award.
De Amerikaanse acteur William Olvis (1928-1998) is de Governor of Buenos Aires in zijn liefdesverklaring “My love” in de eerste akte. Hier is het een kort trio, maar later zou het bewerkt worden tot duet met Cunegonde en worden verplaatst naar de tweede akte. Olvis zingt ook de vrolijke aria “Bon voyage” van de koopman in de tweede akte.
Cunegondes broer Maximilian was in de oorspronkelijke productie uit 1956 nog een grotendeels gesproken rol. Louis Edmonds die tijdens de uitvoeringen zong, moest vanwege ziekte de opname laten schieten. Waarschijnlijk was het de acteur Norman Roland (1909-1973) die hem hier verving in het kwartet “What’s the use” in het casino van Venetië in de tweede akte. Zijn oudere, korrelige stem onderscheidt zich van de jongere baritons Robert Mesrobian (1928-2010) en William Chapman (1923-2012) die respectievelijk de Russische prins en Ferone zongen.
De opname stond uiteraard onder supervisie van Bernstein zelf, maar de Amerikaanse dirigent Samuel Krachmalnick (1926-2005) had – net als in de shows – de muzikale leiding. Krachmalnick had met Bernstein directie gestudeerd in Tanglewood. Hij geeft frisheid en energie aan de partituur die latere opnamen zouden missen. Krachmalnick werd voor deze ‘Candide’ in 1957 genomineerd voor een Tony Award.
Ondanks de ingekorte registratie onthult geen enkele andere opname beter de wonderbaarlijke schoonheid van ‘Candide’. Alleen al de vertolkingen van de Rounseville, Cook, Adrian en Petina zijn elke maat muziek waard.
CBS Masterworks MK 38732 (1CD) / 51m
2.
Met Bernstein slechts als toeschouwer onderging ‘Candide’ een reeks Broadway-revivals onder leiding van regisseur Harold Prince. Prince had al met Bernstein aan ‘West Side Story’ gewerkt. De auteur van het originele boek Lillian Hellman had inmiddels geweigerd iets van haar werk te laten gebruiken in de revivals, dus gaven Bernstein en Prince opdracht aan Hugh Wheeler (1912-1987) voor een nieuw boek. De oorspronkelijke teksten werden gereviseerd en van aanvullende teksten voorzien door Stephen Sondheim (1930-2021). Deze versie zou bekend worden als de ‘Chelsea Version’.
Aldus met een volledig nieuw libretto en een andere selectie van muziek werd ‘Candide’ in één akte – ook al vermeldt de CD twee akten – gepresenteerd als een klucht. De nieuwe productie van ‘Candide’ opende op 18 december 1973 in het Chelsea Theater Centre in de Brooklyn Academy of Music van New York. Daarna werden de voorstellingen vanaf 10 maart 1974 met succes in het Broadway Theatre gespeeld. Prince en Wheeler ontvingen voor hun werk aan deze ‘Candide’ in 1974 een Tony Award. De productie sloot op Broadway de deuren op 4 januari 1976 na bijna twee jaar en 740 uitvoeringen.
De Original Cast van deze eerste Broadway revival nam op 18 en 19 maart 1974 105 minuten van ‘Candide’ op in de Columbia 30th Street Studios van New York. Meer dan de helft van de originele muzieknummers werd weggelaten en de opname werd uitgebreid met enorm veel spreekteksten.
Na de ouverture opent de uitvoering met “Life is happiness indeed” met tekst van Sondheim op de melodie van de “Venice Gavotte” uit de oorspronkelijke tweede akte. Daarna pas horen we “The best of all possible worlds”, ook weer met tekstuele aanpassing van Sondheim. Nieuw zijn eveneens “Candide’s lament” en de “Sheep song”. Tevens hoort men voor het eerst in de eerste akte het “Auto-da-fé” dat al voor de 1956 versie werd gecomponeerd, maar destijds niet was opgenomen. Het finalekwartet van de eerste akte is geschrapt. Ook zijn uit de tweede akte “Quiet”, “Eldorado” en “What’s the use” verwijderd.
De bezetting bestond uit Amerikaanse musicalzangers en acteurs. Alle vier hoofdrolspelers waren twintigers, aan het begin van hun carrière en alle vier werden zij in 1974 voor hun bijdragen aan ‘Candide’ genomineerd voor een Tony Award. Toch kan geen van hen zich meten met de oorspronkelijke cast uit 1956.
Mark Baker (1946-2018) – niet te verwarren met de Met-tenor met dezelfde naam – vertolkt de titelpartij van Candide. Hij zingt in de eerste akte zijn twee aria’s “It must be so” en “Candide’s lament” breekbaar. “The ballad of Eldorado” en “Nothing more than this” werden beide helaas weggelaten. Maureen Brennan (1952) was hier pas 21 jaar! Qua bravura en tekstverbeelding kan zij in “Glitter and be gay” uiteraard niet tippen aan Cook, maar zij maakt Cunegonde meisjesachtig. Lewis J. Stadlen (1947) is geestig in de dubbelrol van Pangloss en de Governor van Buenos Aires. June Gable (1945) vertolkt de Old Lady met overdadig Slavisch accent.
Een 13-koppige band nam de plaats van het oorspronkelijk grotere orkest in en trekt het werk nog meer richting musical. De nog jonge Amerikaanse dirigent John Mauceri (1945) zou later nog vaker bij ‘Candide’ betrokken zijn (zie 3. en 4.) en weet de muziek te laten bruisen. Vocaal is de opname echter inferieur aan alle andere opnamen en de spreekteksten zijn te lang. Door de vele dubbelzinnigheden en spreekteksten is het daarentegen wel een versie die dichter bij Voltaire staat dan andere versies.
Masterworks Broadway 82876-88391-2 (2CDs) / 1h45m
3.
Bernstein creëerde in 1982 voor de New York City Opera (NYCO) van ‘Candide’ een operaversie in twee akten. Delen, die in Chelsea waren geschrapt, werden hersteld en nieuwe scènes werden toegevoegd, zij het in een nieuwe volgorde en context. Harold Prince was opnieuw de regisseur. De weelderige productie bestond uit 46 castleden en een orkest van 52 spelers.
Deze operaversie beleefde op 13 oktober 1982 zijn première bij de NYCO en werd in 1983, 1984 en 1986 hernomen tot de laatste, 36ste uitvoering op 16 november 1986. De voorstelling van ’Candide’ op 12 november 1986 werd op de Amerikaanse televisie uitgezonden.
In mei 1985 stond een groot deel van de oorspronkelijke cast in het Manhattan Center van New York voor een opname van deze operaversie van ‘Candide’. Hier werd de partituur voor het eerst gezongen door operastemmen met een groot orkest en de uitgave bevat een zeer groot deel van de partituur. De opname kreeg in 1986 Grammy-nominaties voor Best Classical Album en Best Engineered Classical Recording.
De vier hoofdrollen worden gezongen door Amerikanen. De tenor David Eisler (1955-1992) werd in 1981 ensemblelid van de NYCO en zong er een jaar later al deze titelrol van Candide. Hij zou de rol later nog vertolken in Londen, Los Angeles, Toronto en Houston. Eisler werd geprezen voor de kracht en helderheid van zijn tenor en is op deze opname inderdaad een prachtig lyrische Candide, goed de lichte kant van de partij benadrukkend. Eisler overleed op 16 februari 1992 in het Park Plaza Hospital te Houston aan een longontsteking na een vier jaar durende strijd tegen AIDS. Hij werd 36 jaar oud.
De sopraan Erie Mills (1953) is een uitstekende Cunegonde, virtuoos in het bravura van “Glitter and be gay” en prachtig verstild in de scènes met Candide. Zij zou in 1987 haar debuut maken in de Metropolitan Opera en er tot en met 1995 in veertig voorstellingen hoofdrollen zingen als Rosina, Blonde, Oscar, Olympia en Adele.
De tenor en acteur John Lankston (1934-2018) had in 1964 al naast Barbra Streisand gestaan in de Broadway-première van ‘Funny Girl’. Hij speelde tijdens zijn lange carrière bij de NYCO af en toe in hoofdrollen en dikwijls komische karakterrollen. Hij is meer acterend dan vocaal overtuigend in de dubbelrol van Pangloss/Governor.
De mezzo Joyce Castle (1939) verving Muriel Costa-Greenspon van de NYCO productie als Old Lady. Castle had al in 1970 haar operadebuut gemaakt en zong tussen 1986 en 1999 negen seizoenen in ruim negentig voorstellingen bij de Met. Zij heeft jammer genoeg niet de mix van satire, charme, half-Engelse en half-Spaanse van Christa Ludwig en Inna Petina.
De bariton Scott Reeve (1952-1990) zingt Maximillian in duet met Pangloss in “Life is happiness indeed” en het duet met de Governor “My love” – dit laatste duet voor het eerst naar de tweede akte verplaatst – met een mooi, open en donker geluid. Reeve overleed op 16 december 1990 in het St. Luke’s-Roosevelt Hospital van Manhattan, net als Eisler aan de gevolgen van AIDS. Hij werd 38 jaar oud.
Opnieuw John Mauceri als dirigent, nu met het NYCO Orchestra in een operalezing van de partituur. De volgorde van de fragmenten is nogal veranderd (en zou later opnieuw worden gewijzigd). “Nothing more than this” was al voor de originele Broadway versie gecomponeerd, maar beleefde pas hier zijn opnamepremière. De NYCO-release is verbazingwekkend goed opgenomen en werd niet voor niets genomineerd voor een Grammy voor Best Engineered Classical Recording.
New World Records NW 340/341-2 (2CDs) / 1h32m
4.
John Mauceri creëerde in 1988 voor de Scottish Opera – destijds was hij muziekdirecteur van het gezelschap – een nieuwe versie van ‘Candide’ in samenwerking met Bernstein. Beide schrijvers van de eerdere boeken van de operette – Lillian Hellman en Hugh Wheeler – waren inmiddels overleden en de Britse schrijver en satiricus John Wells (1936-1998) werd gevraagd een geheel nieuw boek voor de operette te schrijven. Een aantal fragmenten van de oorspronkelijke partituur werd hersteld en de oorspronkelijke volgorde werd nu aangehouden.
Bernstein woonde de repetities in Glasgow bij, waar de ‘Scottish Opera Version’ opende op 19 mei 1988. Na veertien uitvoeringen in Glasgow, Edinburgh, Newcastle en Liverpool werd de productie op 1 december 1988 overgebracht naar het Old Vic Theatre in Londen. De BBC zond de Londense première van ‘Candide’ op 1 december 1988 uit op de televisie. In het Old Vic zou de productie tot 7 januari 1989 blijven. Deze ‘Candide’ won in 1988 drie Laurence Olivier Awards: Musical of the Year, Patricia Routledge (1929-2025) als de Old Lady voor Outstanding Performance of the Year by an Actress in a Musical en Richard Hudson (1954) voor Designer of the Year.
De Scottish cast nam delen van de twee uur en driekwartier durende show voor de grammofoonplaat op in het Theatre Royal van Glasgow. Sommige bronnen vermelden de opnamedata tussen 16 en 20 april 1988 – dus vóór de première – en andere tussen 17 mei en 1 juli 1988, wat waarschijnlijker is.
Bij de CD-reissue in 1994 werden zes extra fragmenten uitgegeven, die op de oorspronkelijk LP-release van 1988 ontbraken: uit de eerste akte “Candide Begins His Travels”, “Ring Around a Rosy” en “Words Words Words” en uit de tweede akte “King’s Barcarolle”, “We Are Women” en “Nothing More Than This”.
De jonge, Amerikaanse tenor Mark Beudert (1961) zong de titelrol van Candide met prachtig lyrisch, eerlijk en open timbre. De Engelse sopraan Marilyn Hill Smith (1952) is een fantastische Cunegonde. Haar “Glitter and be gay” is virtuoos, over-the-top en zuiver.
De Engelse acteur Nickolas Grace (1947) geeft goed karakter aan de dubbelrol van de positieve Pangloss en zijn pessimistische tegenhanger Martin. Martins “Words, words, words” in de tweede akte werd geschreven rond 1971 voor de herneming van ‘Candide’ door de Los Angeles Civic Light Opera Association en horen we hier voor het eerst op CD. Het “Auto-da-fé” bevat hier zijn “Ring around a rosy”. Voor zijn vertolking werd Grace in 1988 genomineerd voor een Olivier award.
Helaas niet Patricia Routledge, maar de Engelse mezzo Ann Howard (1934-2014) als de Old Lady, die haar heerlijk spottend en voluptueus vertolkt. Haar polka met Cunegonde “We are women” beleefde hier haar opnamepremière.
De Engelse acteur Bonaventura Bottone (1950) is lekker vilein als Governor of Buenos Aires in “My love” en “Bon voyage”. “My love” is hier voor het eerst een duet tussen de Governor en Cunegonde. De Canadese bariton Mark Tinkler (1961) is als Maximilian nauwelijks te horen, slechts in “What’s the use” in Venetië.
John Mauceri alterneerde met de Britse dirigent Justin Brown (1962), maar de laatste dirigeerde deze studio-opname en geeft met het Scottish Opera Orchestra een grootste, romantische operalezing. De studio-opname bevat – ondanks de heruitgave met bonussen – niet alle delen van de operette, maar heeft veel te genieten.
TER Classics CDTER 1156 (1CD) / 1h9m
5.
De Schotse versie was de basis voor een concertversie van ‘Candide’, die Bernstein als “definitieve herziene editie” vervaardigde. Voor deze concertversie herstelde hij delen die in de Schotse versie nog waren weggelaten.
De concertversie werd voor het eerst op 12 en 13 december 1989 in de Barbican Theatre te Londen uitgevoerd. De concerten vormden de aanleiding voor de studio-opname, die tussen 15 en 18 december 1989 in de Abbey Road Studio No.1 van Londen werd gemaakt. De CD won in 1991 een Grammy voor Best Classical Album.
Bijna alle muziek van eerdere opnamen is hier te vinden en de meeste stukken staan in hun originele volgorde en context. Deze oorspronkelijke plaatsing van de muziek is bevredigender dan in de Chelsea en NYCO versies en de oprechte en bruisende fragmenten zijn in balans.
‘Candide’ bevat hier een nieuw koraal “Universal Good”, een terugkerend thema dat de tweede akte omarmt. “Candide’s Lament” wordt niet in Lissabon gezongen (zoals in Chelsea en NYCO), maar al vroeg in Westphalia (zoals in de Schotse versie) om zo te kunnen functioneren als terugkerend thema. De polka “We are women” is weer in Buenos Aires en niet – zoals nog bij de Schotse versie – in Venetië. De “Sheep Song” uit 1973 is weggelaten.
De bezetting is uitstekend. De Amerikaanse tenor Jerry Hadley (1952-2007) vertolkte de titelrol jongensachtig en elegant met heldere stem. Hij zong de partij ook nog op 20 maart 2005 in de Philharmonie in Berlijn (Capriccio 71 056). Twee jaren later pleegde hij op 55-jarige leeftijd zelfmoord.
De Amerikaanse sopraan June Anderson (1952) lijkt niet de minste moeite te hebben met Cunegondes “Glitter and be gay”. Toch kan de toon zo nu en dan scherp zijn en is zij niet altijd verstaanbaar, net als de hier 60-jarige Duitse mezzosopraan Christa Ludwig (1928-2021) als de Old Lady. Door Ludwigs humoristische flair echter is de Old Lady verrukkelijk. De Amerikaanse schrijver Adolph Green (1914-2002) declameert en portretteert Pangloss/Martin geloofwaardig in een geestige stijl.
De hier 64-jarige, Zweedse tenor Nicolai Gedda (1925-2017) geeft als de Governor van Buenos Aires hartstochtelijk opera aan zijn serenade “My love”. Ook de Britse mezzo Della Jones (1946) en de Amerikaanse bariton Kurt Ollmann (1957) zijn eersteklas als Paquette en Maximilian.
Dit is de enige opname van ‘Candide’ die door Leonard Bernstein zelf werd gedirigeerd, tien maanden voor zijn dood. Hij laat het London Symphony Orchestra met zorg voor harmonische en ritmische details spelen. Zijn lezing is echter nogal zwaarmoedig. De algehele focus neigt naar de orkestrale kant en de klankkleur is donker. De tempi zijn langzaam, de articulatie is nadrukkelijk en het koor klinkt stevig. De finale “Universal good” is te traag en wijdlopig om te emotioneren. Al deze aspecten gaan helaas ten koste van de lichte kant van ‘Candide’.
Deutsche Grammophon 429 734-2 (2CDs) / 1h51m



