De Nederlandse zangpedagoge Rose Schönberg was ruim 25 jaren hoofddocente zang aan het Conservatorium van Amsterdam. Daar leidde zij belangrijke zangers en zangeressen op als Elisabeth Ohms, Hélène Cals, Annie Hermes, Judith Toff, Johan Lammen, José Candel, Ria Focke, Gerda Pons, Frieda van Hessen en Justus Bonn. In een biografie worden de carrière en het tragische einde van de zangpedagoge opgetekend.

Hoofddocente zang Conservatorium van Amsterdam

1926

Rose Schönberg werd op 18 oktober 1926 benoemd tot lid van het Spraak- en Zangpaedagogisch Genootschap (Het Vaderland; 19-10-1926).

Zij bleef bij diverse gelegenheden met haar leerlingen samenspelen. Zo begeleidde zij op 15 oktober 1927 aan de vleugel Hélène Cals, de tenor Willem Schansman en de bariton A.F. Smoorenburg tijdens een concert ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van het Brandweer-Mannenkoor ‘Oefening na Arbeid’ in Amsterdam. Hélène Cals zong “Der Jüngling und der Tod” van Schubert en daarnaast werd het finale-trio uit ‘Faust’ van Gounod uitgevoerd (De Amstelbode; 17-10-1927).

Ook op 28 januari 1928 begeleidde Rose Schönberg Cals, Schansman en Smoorenburg tijdens een concert van de liedertafel „Zang en Vriendschap” in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw:

“Mevrouw Rose Schönberg aan den vleugel begeleidde de solisten op artistieke wijze” (De Amstelbode; 30-1-1928).

Op 23 maart 1928 trad Rose Schönberg met Hélène Cals en de violist Herman Leydensdorff – die Louis Zimmermann verving – op in de Jans Schouwburg te Haarlem met werken van Steffani, Scarlatti, Bononcini, Tartini, Schubert, Mozart, Ruyneman, Diepenbrock, Zimmermann, Brucken Fock, Guy Ropartz en Respighi (Nieuwe Haarlemsche Courant; 24-3-1928).

Het programma werd op 3 april 1928 met Louis Zimmermann in Diligentia te Den Haag herhaald. Er was vooral kritiek op Rose Schönbergs stevige pianobegeleiding:

“Rose Schönberg, die zich met veel geestdrift en een lichtelijk air van nonchalance van haar taak kweet; dit lijkt in tegenspraak met elkaar, maar het is toch moeilijk anders te definieeren. Bij een lied als dat van Brucken Fock was de pianiste er goed in; bij de Respigiaanscher glad naast, wat sfeer en klankvorming betreft; natuurlijk ligt dit aan de eischen der liederen en composities, doch wanneer men de universeele uithangt moet men ook de verantwoordelijkheid daarvoor aanvaarden” (De Maasbode; 4-4-1928)

“Zangeres en violist werden zeer muzikaal en uitstekend volgend begeleid door mej. Rose Schönberg. Deze toonde in Tartini’s Sonate een begripvol kamermuziekspeelster te zijn” (De Avondpost; 4-4-1928)

“Mevrouw Schönberg legde met von Brucken Focks „Witte wijven dansen om en om” als leerares, maar ook aan den vleugel, eer in; zij bezit muzikale volgzaamheid en inspiratie voor den zang; voor het vioolspel was haar greep dikwijls te machtig” (Het Vaderland; 4-4-1928)

“Rose Schönberg, de leerares van Mej. Cals, die dezen avond de begeleiding op zich genomen had en naar wat wij van haar zelf en van haar leerlinge gehoord hebben, meer pianistische dan wel technische zangcapaciteiten schijnt te bezitten […] zich Rose Schönberg als een vooral degelijke, professorale pianiste kennen, die haar aard eigen, bovenal van uit een nog al gezwollen motorische en dramatische atmosfeer musiceerde” (De Tijd; 5-4-1928)

Ook op 21 november 1928 begeleidde Rose Schönberg Hélène Cals weer tijdens een concert in Amsterdam (Algemeen Handelsblad; 21-11-1928).

Per maart 1929 verhuisde Rose Schönberg met haar zangschool naar J.W. Brouwersplein 17-b te Amsterdam (De Telegraaf; 4-3-1929).

De mezzosopraan Judith Toff verhuisde in 1929 van Veendam naar Amsterdam en ging zang studeren aan het Conservatorium van Amsterdam bij Rose Schönberg.

1930

De (mezzo)sopraan Betty van den Bosch rond 1930 terug naar Amsterdam na eerdere studies aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel en bij Jacques Stückgold in München en Berlijn. Ook zij ging in Amsterdam studeren bij Rose Schönberg.

Roses ex-echtgenoot Willy Schönberg overleed in 1931 te Wächtersbach (https://www.joodsmonument.nl/nl/page/675428/rosette-rachel-kopuit).

De bas Johan Lammen studeerde begin jaren dertig aan het Conservatorium van Amsterdam bij Rose Schönberg (Het Volk; 30-11-1931).

Hij was een aantal jaren eerder met Rose Schönberg in contact gebracht door Héléne Cals:

“Van de theorie der muziek wist ik maar heel weinig af. Mijn leerares vond mij dus voor het Conservatorium nog niet rijp; zij stuurde mij derhalve naar de Muziekschool; mijn ouders zorgden nu voor mijn onderhoud, de rest werd door mijn leermeesteres geregeld” (Algemeen Handelsblad; 11-6-1938)

Op 10 april 1932 werd in Hilversum een radio-concert gegeven door (ex-)leerlingen van Rose Schönberg als Johan Lammen, Willem Schansman, Hélène Cals en Annie Hermes. Met medewerking van het Omroeporkest onder leiding van Nico Treep werden delen uitgevoerd uit onder andere de ‘Matthäus-Passion’ van Bach en ‘Manon Lescaut’ van Puccini (Nieuwsblad van het Noorden; 8-4-1932).

Hélène Cals zou drie dagen daarna op 13 april 1932 met Nico Treep trouwen (huwelijksakte gemeente Amsterdam in het archief van Noord-Holland – aktenummer reg.4B;fol.6v).

Op 2 april 1933 werd in Hilversum een radio-concert gegeven door leerlingen en oud-leerlingen van Rose Schönberg met medewerking van het Omroeporkest (De Gooi- en Eemlander; 2-4-1933).

In de Bachzaal van het Amsterdams Conservatorium werd op 13 mei 1934 een concert door (oud)leerlingen van Rose Schönberg gegeven met medewerking van Hélène Cals en het AVRO-orkest onder leiding van Nico Treep. Tijdens dit concert trad ook Schönbergs leerlinge de sopraan José Candel op:

“En we bieden onze hulde aan de zangpaedagoge Rose Schönberg, wier voortreffelijk onderwijs hier zoo duidelijk in hare begaafde leerlingen werd gedemonstreerd” (De Tijd; 15-5-1934)

Judith Toff slaagde in juni 1934 voor haar einddiploma hoofdvak zang aan het Conservatorium te Amsterdam bij Rose Schönberg (Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland; 21-6-1934).

Vanaf 1934 studeerde ook de alt Ria Focke (1910–1957) bij Rose Schönberg (Algemeen Handelsblad; 9-2-1939).

1935

De bas Arie van Mever begon rond 1935 zijn muziekopleiding het Conservatorium van Amsterdam met zangonderwijs door Rose Schönberg (De Tijd De Maasbode; 24-1-1964).

De Avro-radio zond op 16 mei 1935 een concert uit onder leiding van dirigent Nico Gerharz met leerlingen van Rose Schönberg (Arnhemsche Courant; 16-5-1935).

Op 4 juni 1936 bracht de Avro-radio opnieuw een concert onder leiding van dirigent Nico Gerharz met leerlingen van Rose Schönberg (Haagsche Courant; 4-6-1936).

Judith Toff gaf op 21 juni 1936 een concert in het Kurhaus te Scheveningen met het Residentieorkest onder leiding van de Poolse dirigent Ignaz Neumark. Daar zong zij de aria “Divinités du Styx” uit ‘Alceste’ van Gluck en twee aria’s uit ‘Samson et Dalila’ van Saint-Saëns:

“hoewel eenige scherpte en hardheid in de hoogere octaven niet is te miskennen en sommige lagere tonen leelijk nasaal klinken. Wij zijn er echter van overtuigd, dat deze euvelen te verhelpen zijn met hard werken onder de eminente leiding van mevrouw Rosé Schönberg” (Haagsche Courant; 22-6-1936)

Hélène Cals vertoefde in juli 1937 aan het Lago Maggiore in Rimini aan de Adriatische Zee. Zij en haar echtgenoot Nico Treep hadden besloten in die zomer enkele opera’s in Italië te gaan bezoeken. Op 24 juli had Hélène een zware keelontsteking met koorts en moest zij naar het ziekenhuis. Door de angina ontstond een bloedvergiftiging waaraan zij op 31 juli 1937 om 18.00h. overleed. Zij werd 36 jaar (De Telegraaf; 5-8-1937).

25-jarig jubileum

Vanwege het overlijden van Hélène Cals werd een concert op 9 november 1937 ter gelegenheid van Rose Schönbergs 25-jarig jubileum als zangpedagoge uitgesteld tot het voorjaar van 1938. In plaats daarvan werd op die datum een receptie gegeven in Hotel L’Europe te Amsterdam om Rose Schönberg te feliciteren:

“Nico Treep, voorzitter van het comité van uitvoering, sprak eenige gevoelvolle woorden en onderstreepte nog eens, dat men Mevr. Schönberg niet dankbaar genoeg kan zijn voor hetgeen zij heeft gedaan ter bevordering van de Nederlandsche toonkunst.

Voorts voerde de heer H. Kerkhoff namens de leerlingen van het Amst. Conservatorium het woord. Mevrouw Schönberg dankte ontroerd voor de haar op dezen avond gebrachte hulde. Een avond, waarop slechts de herinnering aan het droeve verscheiden van haar liefste leerlinge Helène Cals een schaduw werpt” (De Standaard; 10-11-1937)

In een interview in die tijd liet zij iets los over haar werkwijze:

“Etelka Gerster-Gardini […] had de gewoonte, weinig met haar leerlingen over ’t werk te spreken: vroeg je haar iets waarop zij niet wilde antwoorden, dan keek ze je glimlachend aan en hield zich Oostindisch doof. Volgens mij is die methode niet juist: de leerares moet wel degelijk meehelpen, daar de leerling anders veel te veel in het duister tast. Ik geloof, dat daar de grondslag gelegd is voor mijn tegenwoordig systeem van lesgeven, dat ik zou willen vergelijken met de Mensendieck-methode, het bewust gebruiken van de spieren, iemand die verkouden is, moet evengoed kunnen zingen, ook al zal het geluid dan misschien wat minder glans hebben: maar men moet de stem weten te gebruiken. De leerares kan wel zeggen: “kopstem”, of „die toon moet hooger”, maar daarvoor moet de leerling toch weten waar die toon zit”

“Ik heb tegenwoordig veel hulp van mijn leerlinge Judith Toff, die ook al is opgetreden; zij werkt de nieuwe leerlingen in, leert ze de beginselen van ademcontrôle, spierbewegingen enz., waarop ik dan zelf verder kan voortbouwen” (Soerabaijasch Handelsblad; 26-11-1937)

Rose Schönberg Debutantenfonds

Rose Schönberg speelde al langer met het idee om voor de niet gefortuneerden een debutantenfonds ter beschikking te stellen:

“Ik ben bezig met de oprichting van een fonds, waaruit de onkosten van een debuut zoo noodig bestreden kunnen worden. Het is voor jonge zangers en zangeressen zeer moeilijk, om emplooi te vinden: de bekende solisten worden uitgenoodigd, en de anderen komen dikwijls niet aan de beurt. Men zou ze in de gelegenheid moeten stellen om een lieder-recital te geven, of b.v. op te treden met een kamer-orkest” (Soerabaijasch Handelsblad; 26-11-1937)

Een huldigingscomité had op 2 mei 1938 in de grote zaal van het muzieklyceum een concert georganiseerd ten bate van het debutantenfonds uit naam van de pedagoge. In het erecomité hadden belangrijke heren namen plaats:

Willem Andriessen, directeur van het Amsterdamsen Conservatorium; Eduard van Beinum, dirigent van het Concertgebouw-Orkest; Paul Cronheim, gedel. secretaris Wagner-Vereeniging; Henry Heineken, voorzitter van het Concertgebouw-bestuur; Curt Rudolf Mengelberg, directeur van het Concertgebouw; Willem Vogt, directeur van de AVRO; Emanuel Boekman, wethouder van Kunstzaken der Gem. Amsterdam en de dirigenten Bruno Walter, Willem Mengelberg en Pierre Monteux (Het Vaderland; 12-4-1938).

Aan het concert verleenden diverse musici hun medewerking en het AVRO-orkest stond onder leiding van Nico Treep. Het programma bevatte werken van Handel, Brahms, Saint-Saëns, Wagner, Ravel, Mozart, Debussy, Delibes en Verdi:

“Men hoorde oud-leerlingen, wier namen door hun prestaties reeds een uitnemenden klank in onze muziekwereld hebben: José Candel, Ria Focke, Judith Toff, Johan Lammen; men zag ook nieuwe, jongere verschijningen als Frieda van Hessen, Gerda Pons en Justus Bonn, wier namen dien klank weliswaar nog niet hebben, maar, gegeven hetgeen zij gisteravond presteerden, ongetwijfeld zullen krijgen” (Algemeen Handelsblad; 3-5-1938)

Hier werden voor het eerst de namen van de sopranen Gerda Pons en Frieda van Hessen (1915-2021) en de tenor Justus Bonn genoemd als leerlingen van Rose Schönberg.

Op 26 januari 1939 werd officieel notarieel de stichtingsacte van het “Rose Schönberg-debutantenfonds” verleden (Algemeen Handelsblad; 28-1-1939).

In oktober 1939 werd aangekondigd dat de technische commissie van het Rose Schönberg Debutantenfonds – na openbare audities in de zomer van 1939 – Frieda van Hessen in de gelegenheid stelde als concertzangeres te debuteren. Dit was de eerste maal, dat door de steun van het fonds een jeugdige Nederlandse zangeres zich in het openbaar kon laten horen (Algemeen Handelsblad; 20-10-1939).

1940

Dankzij het Rose Schönberg Debutantenfonds gaf Frieda van Hessen op 9 januari 1940 in de Kleine Zaal van het Concertgebouw te Amsterdam een liederenavond met medewerking van pianist Felix de Nobel en fluitist Johan Feitkamp. Het programma omvatte werken van Scarlatti, Mozart, Schubert, Hugo Wolf, Richard Strauss, Jan Brandts Buys, Alb. Roussel, Debussy, Chansarel, Haudebert en Canteloube (Algemeen Handelsblad; 10-1-1940).

Het zou het eerste en gelijk laatste concert van een uitvoerende dankzij het Rose Schönberg Debutantenfonds zijn. De inval van de nazi’s zou een einde maken aan de pedagogische praktijken van Rose Schönberg.

Auschwitz

Na de inval van de nazi’s in Nederland zat Rose Schönberg enige tijd ondergedoken op Burg. van Rijnsingel 12 te Venlo, mogelijk bij mr. Joseph Forceville. Hoe zij daar terechtkwam is onduidelijk (Jos Benders & Ragdy van der Hoek – Buiten beeld; Onderduiken in de gemeente Venlo 1940-1945, 2024).

 

Volgens de Amsterdamse persoonskaart van Rosette Rachel Schönberg-Kopuit verliet zij op 31 oktober 1941 Amsterdam en ging zij naar de Belgische stad Mechelen. Het kan ook zijn dat zij later in Mechelen aankwam en eerst in Venlo ondergedoken zat. Wellicht is zij in Venlo opgepakt en naar Mechelen gedeporteerd.

Mechelen is de plaats waar – vooral in 1942-1943 – Joodse en Roma gevangenen door de nazi’s werden vastgehouden in de Kazerne Dossin en vervolgens per transporttrein naar de concentratiekampen werden vervoerd. De website van Kazerne Dossin meldt dat 25.274 Joden vanuit Mechelen werden gedeporteerd en dat tweederde van hen bij aankomst in de kampen werd gedood.

De transportlijst XXI van Kazerne Dossin vermeldt dat Rosette Kopuit op 13 juli 1943 als transportnummer 1252 naar Auschwitz werd gedeporteerd. De Internationale Transportlijsten van het Arolsen Archief vermeldt het transport XXI en transportnummer 1252 echter op 31 juli 1943 van Mechelen naar Auschwitz. Deze laatste datum is waarschijnlijk juist. Vermoedelijk zijn op de eerste lijst de 1 en 3 omgedraaid. Transport XXI vanuit Mechelen naar Auschwitz vertrok op 31 juli 1943 uit de Dossinkazerne, met zo’n 1560 gedeporteerden aan boord.

Het transport XXI kwam op 2 augustus aan in Auschwitz en op 3 augustus 1943 werd Rose Schönberg in Auschwitz vermoord. Zij werd 63 jaar (https://www.joodsmonument.nl/nl/page/675428/rosette-rachel-kopuit).

Charles Grelinger – de Franse componist en verloofde van Rose Schönberg – werd op 23 september 1942 met konvooi 39 van Parijs naar Auschwitz gedeporteerd. Hij overleefde de deportatie niet; naar verluidt is hij overleden tijdens het transport of kort na aankomst in Auschwitz (USHMM Holocaust Survivors and Victims Database).

Judith Toff – de leerlinge van Rose Schönberg – werd op 26 mei 1943 met haar echtgenoot Jacob Sluijs en onder anderen zijn jongere broer Joseph bij een razzia opgehaald en van de Jodenbreestraat 60 in Amsterdam naar het doorgangskamp Westerbork gebracht. Van daaruit werden zij naar Sobibór gedeporteerd, waar zij op 1 juni 1943 aankwamen en op 4 juni 1943 werden vermoord (In Memoriam; Staatsdrukkerij Sdu, 1995 ISBN 9012091785 / Yad Vashem / Overlijdensverklaring WO II Amsterdam).

Anna Kopuit-Van Loen – de tweede echtgenote van Rose Schönbergs vader – werd eveneens in Sobibór op 9 april 1943 op 73-jarige leeftijd vermoord (Joods Monument).

In 1945 werd namens het Nederlandse Beheersinstituut een oproep geplaatst aan mensen die nog iets te vorderen hadden van of verschuldigd waren aan, of gelden, goederen of bescheiden onder zich hadden van Rose Schönberg-Kopuit, laatstelijk gewoond hebbende J. W. Brouwersplein 17 B, Amsterdam (Algemeen Handelsblad; 28-11-1945).

Haar naam werd in 2021 opgenomen in het Holocaust Namenmonument in Amsterdam. Haar voornaam Rosette is abusievelijk met een z geschreven.

Er bestaat een geluidsopname van 6’26” van Judith Toff begeleid door Rose Schönberg in een fragment uit ‘Orfeo ed Euridice’ van Gluck en “Immer leiser wird mein Schlummer” van Brahms uit 1932. Dit fragment is in bezit van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Het instituut vraagt echter honderden euro’s om het fragment vrij te geven.