De Nederlandse zangpedagoge Rose Schönberg was ruim 25 jaren hoofdlerares zang aan het Conservatorium van Amsterdam. Daar leidde zij belangrijke zangers en zangeressen op als Elisabeth Ohms, Hélène Cals, Annie Hermes, Judith Toff, Johan Lammen, José Candel, Ria Focke, Gerda Pons, Frieda van Hessen en Justus Bonn. In een biografie worden de carrière en het tragische einde van de zangpedagoge opgetekend.
Rose Schönberg werd op 10 januari 1880 als Rosette Rachel Kopuit in Amsterdam geboren. Zij was het vierde kind en de derde dochter van Salomon B. Kopuit (geboren op 8 januari 1854 te Amsterdam) en Judith M. Cohen (geboren op 18 juni 1849 te Noordwijk).
1876
Salomon en Judith waren op 9 november 1875 in Amsterdam getrouwd (Het Vaderland; 11-11-1875).
Salomon was politieagent (Het Nieuws van den Dag; 10-1-1893).
Hij had volgens het militieregister bruin haar en blauwe ogen. Zijn neus was groot (Militieregisters, archiefnummer 5182, inventarisnummer 4309).
Enig kind
Rosette Rachel Kopuit zou als enige van de acht kinderen van haar ouders de volwassen leeftijd bereiken. Bijna acht maanden na het huwelijk van haar ouders beviel op 21 juli 1876 haar moeder van hun eerste dochter. Waarschijnlijk is het meisje jong overleden, want in de latere bevolkingsregisters komt zij niet meer voor (Het Vaderland; 25-7-1876).
Op 5 juli 1877 werd hun tweede dochter Sara geboren. Zij overleed op 24 oktober 1879 op 2-jarige leeftijd (Het Vaderland; 7-7-1877/Bevolkingsregister 1874-1893, archiefnummer 5000, inventarisnummer 1772).
Op 19 november 1878 werd de eerste zoon Bernard geboren (Algemeen Handelsblad; 21-11-1878). Hij overleed op 17 oktober 1879, nog geen één jaar oud (Algemeen Handelsblad; 18-10-1879).
1880
Rosette Rachel Kopuit werd dus op 10 januari 1880 in Amsterdam geboren (Het Vaderland; 13-1-1880).
Zij was vernoemd naar haar grootmoeders. Haar vader was de zoon van Barend Salomon en Rachel Stokvis (Nieuwer-Amstel, archive 358.87, inventory number 31874, 30-05-1874, Overlijdensakten van de gemeente Nieuwer-Amstel, 1874, record number 105).
Haar moeder was de dochter van Mordichia Levi Cohen en Rosetta Herschel (Gemeente Noordwijk (1399-1932), deel: 2906, Periode: 1840-1849, archief 0900, inventarisnummer 2906, Geboorteregister aktenummer 73).
De Groningse mezzosopraan Julia Culp werd in hetzelfde jaar als Rosette geboren en zou een achternicht van haar geweest zijn.
Op 10 april 1881 werd uit het huwelijk van Salomon en Judith Kopuit de tweede zoon Bernard Marcus geboren (Algemeen Handelsblad; 13-4-1881). Hij overleed op 14 augustus 1884 op 3-jarige leeftijd (Algemeen Handelsblad; 16-8-1884/Bevolkingsregister 1874-1893, archiefnummer 5000, inventarisnummer 1548).
Op 7 september 1882 werd de derde zoon Louis Daniel geboren. Hij overleed drie maanden later op 14 december 1882 (Algemeen Handelsblad; 16-12-1882/Bevolkingsregister 1874-1893, archiefnummer 5000, inventarisnummer 1548)
Op 19 oktober 1883 vierde dochter Elisabeth geboren (Algemeen Handelsblad; 21-10-1883). Zij overleed een jaar later op 24 november 1884 (Algemeen Handelsblad; 25-11-1884).
Judith Kopuit-Cohen beviel op 1 juni 1886 nog van een doodgeboren kind (Algemeen Handelsblad; 2-6-1886).
Rosette Rachel zou dus als enig kind van Salomon en Judith opgroeien.
1900
Piano-opleiding
Het zag er niet naar uit dat Rosette Kopuit zangeres zou worden. In eerste instantie wilde zij zich bekwamen in de schilderkunst (Van Holkema & Warendorf – Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld’ 1938).
Aanvankelijk kreeg zij pianoles van Betsy de Jong (Soerabaijasch Handelsblad; 26-11-1937).
Daarna ging Rosette Kopuit naar het Amsterdams Conservatorium en studeerde piano bij Julius Röntgen en Jean-Baptiste de Pauw.
“Mijn herinnering aan mijn studietijd aan het Amst. Conservatorium blijft onverbrekelijk verbonden aan twee figuren: Röntgen en de Pauw.
De eerste, het type van den “ras-musicus”, zelf scheppend kunstenaar en daardoor bij uitstek een paedagoog die voor alles de schoonheid in de muziek wist te openbaren en wiens doel en streven het altijd was den artiest in den leerling te prikkelen.
De andere, geboren paedagoog, legger van fundamenten waarop de hechtste carrières in het Ned. Muziekleven van de afgeloopen vijf en twintig jaar gebouwd zijn; zeldzaam voorbeeld van den geduldigen werker met een onverzettelijk geloof in zijn roeping.
Deze twee figuren uit vele anderen hebben voor het Amst. Conservatorium een koers en maatstaf aangegeven, die ook tot in dezen tijd gehandhaafd het mij tot een eer maken thans zelf hun prachtig voorbeeld in de praktijk te mogen en kunnen voortzetten” (Rosa Schönberg in ‘Sem Dresden – Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Amsterdamsch Conservatorium (1884-1934)’ blz 29)
Roza Kopuit – zo werd haar naam in de krant genoemd – speelde op 18 maart 1901 piano bij de Vereeniging van Onderofficieren der Zeemacht ‘Van Speyk’ in de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan te Amsterdam. Ook verleende de bas Johan Schmier zijn medewerking (Algemeen Handelsblad; 17-3-1901).
Op 15 maart 1902 begeleidde zij een concert in de Toynbee Hall op de Rapenburgerstraat 179 te Amsterdam (Het Volksdagblad; 15-3-1902).
Zij speelde op 1 juli 1903 als leerlinge van Röntgen het eerste en tweede deel uit het Pianoconcert in g-klein van Camille Saint-Saëns tijdens een einduitvoering van het Amsterdamse Conservatorium (Het Nieuws van den Dag; 2-7-1903).
Aan het einde van het studiejaar 1902/1903 van het Conservatorium Amsterdam van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst werd aan Rosette Kopuit na afgelegd examen een eind-getuigschrift uitgereikt (Algemeen Handelsblad; 7-7-1903).
Waarschijnlijk gaf zij daarna pianolessen. Over eventuele optredens van Roza Kopuit wordt in de kranten niet gesproken.
1905
Zangopleiding
Rosette Kopuit heeft vervolgens korte tijd zangles gehad van Aaltje Noordewier-Reddingius (Soerabaijasch Handelsblad; 26-11-1937).
Rose Kopuit verloofde zich in augustus 1907 met de Joods-Nederlandse componist Charles Grelinger (1873-1942) (De Telegraaf; 25-8-1907).
Grelinger was toen volop bezig met de opvoeringen in Leipzig van zijn lyrische drama ‘Op hoop van zegen’ dat op 9 maart 1907 in première was gegaan in het Paleis voor Volksvlijt van Amsterdam (Het Vaderland; 10-3-1907).
Rond die tijd voltooide Rose Kopuit haar zangstudies in Berlijn bij de Hongaarse coloratuursopraan Etelka Gerster (De Courant; 24-8-1907).
Gerster was zelf leerlinge geweest van Mathilde Marchesi en docente van onder anderen Julia Culp en Lotte Lehmann. Haar schoonzoon was de dirigent Fritz Reiner.
Wellicht is Rose via Julia Culp met Gerster in contact zijn gebracht. Rose zou twee jaren bij Gerster studeren (Indische Post; 24-12-1937).
Tot een huwelijk van Rose Kopuit met Charles Grelinger zou het niet komen. Rose trouwde op 17 augustus 1909 met de Duitse Wolf (Willy) Schönberg (geboren 6 augustus 1879 te Weiskirchen) (Algemeen Handelsblad; 19-8-1909).
1910
Zangschool
Rose Schönberg-Kopuit was in november 1912 terug in Amsterdam en startte er haar eigen Zangschool alwaar zij de methode van Etelka Gerster uit Berlijn onderwees (Algemeen Handelsblad; 24-9-1912).
Rose Schönberg heeft zelf geen zangcarrière geambieerd:
„Bent u zelf nooit opgetreden?” „Jawel, ik heb wel tournees gemaakt door Zwitserland en Duitschland. Ik zou hier nog met Evert Cornelis gewerkt hebben, maar toen ben ik toch als vanzelf in de paedagogie beland; ik heb nooit getwijfeld, en wist als ’t ware bij intuïtie, dat ik deze weg moest inslaan” (Soerabaijasch Handelsblad; 26-11-1937)
Haar zangschool met een aanbeveling van Gerster aan de Okeghemstraat 11 – en daarna op andere adressen – werd door diverse zangers en zangeressen doorlopen.
1915
Rosé Schonbergs zangschool organiseerde op 17 april 1916 in de foyer van het Amsterdamse Concertgebouw één van haar eerste leerling-concerten met medewerking van Betsy van Praag aan de piano en Alex Polak op viool (De Telegraaf; 12-4-1916).
Rose Schönberg werd in januari 1919 benoemd tot zanglerares aan de Muziekschool der Toonkunst te Amsterdam (De Tijd; 29-1-1919).
Op een leerlingen-concert in februari 1919 zongen onder anderen haar studenten de sopranen Greet Wortman, Henny Roggeveen en Annie van Kampen, de alt Mien Branderhorst en de bariton Ton Boskamp. De kranten schreven lovend over haar leerlingen (De Maasbode; 3-3-1919).
1920
Rose Schönberg organiseerde in maart 1920 opnieuw een concert van haar leerlingen, nu in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw (De Telegraaf; 17-2-1920).
Op 7 mei 1920 werd haar huwelijk met Willy Schönberg na tien jaren ontbonden.
Op 18 mei 1920 schiedden ook – na 45 jaren – haar vader Salomon Kopuit (66 jaar oud) en moeder Judith Kopuit-Cohen (70 jaar oud).
Nog geen vier maanden later hertrouwde Salomon Kopuit op 1 september 1920 met de 15 jaar jongere Anna van Loen (geboren 29 april 1869 te Amsterdam) (Nieuw Israelietisch Weekblad; 3-9-1920).
Hoofdlerares Conservatorium van Amsterdam
Rose Schönberg – zij behield de achternaam van haar ex-man – werd per september 1920 benoemd tot hoofdlerares aan de zangafdeling van het Conservatorium van Amsterdam (De Telegraaf; 13-9-1920).
Haar leerling-concerten in het Amsterdamse Concertgebouw gingen gewoon door, zoals op 4 mei 1921. Daar zong voor het eerst de 17-jarige sopraan Hélène Cals (1903-1937):
“Hélène Cals, voordragende „Madonnakindje” van v. Rennesen drie fijne „Chansons enfantines” van Grovlez, is een talentvol, veelbelovend sopraantje met gezonde muzikaliteit”
Rose Schönberg begeleidde zelf haar leerlingen aan de vleugel en ontving een bloemenhulde. Het publiek was talrijk en opgetogen (De Maasbode; 7-5-1921).
Na het plotselinge overlijden van Hélène Cals in 1937 vertelde Rose Schönberg in een interview over de sopraan:
“Een van degenen, die dat zoo ten volle hebben begrepen, was de jonge vrouw, wier tragische, plotselinge dood mij zéér diep heeft geschokt. „Aan Hélène Cals, want haar bedoel ik hier, heb ik, als leerlinge en als vriendin de aangenaamste herinneringen. Een frêle, opgeschoten meisje van zeventien jaar kwam op mijn spreekuur zich melden. Zij was een natuurtalent, want toen ik haar vroeg om mij de muziek te laten zien, die zij had meegebracht en waarvan zij mij het een en ander zou kunnen voorzingen, kreeg ik als antwoord, dat zij niets bij zich had, want dat zij nooit noten had geleerd.
“Maar kind,” zei ik, „dan ben je bij mij niet terecht.” „Ik kan wel zingen en spelen, mevrouw,” antwoordde zij. Zij ging aan den vleugel zitten en toen zij allerlei aria’s speelde en zong uit opera’s, die zij had gehoord, toen was het mij, alsof de hemel voor mij open ging. Wat ze in haar hoofdje kreeg scheen zij na te kunnen zingen. En hoe! „Kind,” zei ik bewogen, “je bent wèl bij mij terecht!” Ik was gelukkig, dit toen nog kleine stemmetje te kunnen vormen en ontwikkelen. Héél subtiel heb ik dat dan ook gedaan, want zoo lang het meisje frêle en teer bleef, moest ik haar stem klein van omvang houden. Naarmate zij zich lichamelijk meer ontwikkelde, ontdekte ik haar bijzondere gaven als coloratuurzangeres. Wie haar hoorde, was opgetogen; ik herinner mij het enthousiasme van Roeske eerst, van Louis Zimmermann daarna, van Pierre Monteux tenslotte, die haar, nadat hij haar samen met den eersten concertmeester van ons beroemd Concertgebouw Orkest had gehoord, dadelijk engageerde voor een volksconcert. Ik denk vooral aan de opgetogenheid van den Italiaanschen dirigent Ferrari, die Hélène zoo graag voor de rol van Mimi in Bohème had geëngageerd, maar hier stuitte op tegenstand van de ouders. Welk een schitterende loopbaan als opera-zangeres was voor deze begaafde vrouw weggelegd.” (De Indische Courant; 24-12-1937)
Als leerlinge van Rosé Schönberg kwam Hélène Cals in 1921 op het Amsterdamse Conservatorium en zou in 1926 het einddiploma behalen (Nieuwe Hoornsche Courant; 17-1-1931).
Naar aanleiding van een leerlingen-concert in maart 1922 schreef de Nieuwe Haarlemsche Courant:
“Mevrouw Rosé Schönberg is een intelligente vrouw, die uitnemend klavier speelt ook en degelijk en smaakvol weet te begeleiden. Zij heeft daarbij een goed stijlgevoel, een niet hoog genoeg te schatten eigenschap voor degene die zich tot taak stelt, leerlingen niet slechts te leeren zingen, maar ook hen in te wijden in de rijke literatuur der vocale muziek” (Nieuwe Haarlemsche Courant; 13-3-1922)
Rose Schönberg zat op 19 mei 1923 met Cornélie van Zanten en Catherina van Rennes in de jury van het internationale zangconcours Amstel’s Werkman voor de afdeling kinderkoren (De Courant Het Nieuws van den Dag; 22-5-1923).
Rose Schönbergs vader Salomon Kopuit overleed op 24 mei 1923 in Amsterdam op 69-jarige leeftijd. Hij werd op de Joodse begraafplaats Muidenberg bijgezet (Algemeen Handelsblad; 24-5-1923).
Naast haar hoedanigheid als hoofddocente zang aan het conservatorium én de muziekschool bleef Rose Schönberg privélessen geven aan het Weteringschans 123-b (De Telegraaf; 18-9-1924).
1925
Haar moeder Judith Cohen overleed op 5 oktober 1925 “na een kortstondig lijden” op 76-jarige leeftijd te Amsterdam. Ook zij werd op de Joodse begraafplaats Muidenberg bijgezet (Centraal blad voor Israëlieten in Nederland; 9-10-1925).
Naar aanleiding van een uitvoering van ‘Don Giovanni’ door de Wagner Vereeniging in mei 1926 schreef De Courant Het Nieuws van den Dag over Rose Schönbergs vroegere leerlinge Elisabeth Ohms, die inmiddels furore maakte:
“Onze landgenoote Elisabeth Ohms werd voor ettelijke jaren ontdekt door mevrouw Rose Schönberg en ik herinner mij haar prachtige mezzo-sopraan, gevormd door deze zangpaedagoge. Men vindt haar als hooge sopraan terug. Men zag in Duitschland kans de stem op te drijven, waardoor en laagte en hoogte geleden hebben. De eerste werd vlak, de hoogte dun, zoodat wij twee stemmen hoorden” (De courant Het Nieuws van den Dag; 31-5-1926)
Maar de grote internationale carrière van Elisabeth Ohms zou hierna nog beginnen met optredens onder andere als Kundry in ‘Parsifal’ in München onder leiding van Hans Knappertsbusch (1926), in de titelrol van ‘Fidelio’ in de Scala onder leiding van Arturo Toscanini (1927), Brünnhilde in ‘Götterdämmerung’ in Covent Garden (1929) en de Metropolitan Opera van New York (1930) en als Kundry in Bayreuth onder leiding van Arturo Toscanini (1931).
Ook de alt Annie Hermes trad – waarschijnlijk midden jaren twintig – toe tot het Amsterdams Conservatorium. Rose Schönberg zou één van haar docentes gewezen zijn.




