De Nederlandse première van ‘La Fanciulla Del West’ van Puccini beleefde zijn Nederlandse première op 22 november 1912. Dit was al binnen twee jaren na de wereldpremière van de opera op 10 december 1910 in de Metropolitan Opera van New York en zelfs nog voor de premières in Milaan en Rome.
De Nederlandse première van ‘La Fanciulla Del West’ van Giacomo Puccini (1858-1924) was een productie van het gezelschap de Italiaansche Opera dat onder leiding stond van Machiel de Hondt. De eerste uitvoering op 22 november 1912 was in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen van Den Haag. De zaal was bijna vol, maar niet geheel uitverkocht:
“De groote Gebouwzaal was zeer goed bezet” (De Nieuwe Courant; 23-11-1912)
Unaniem was er lof voor de Italiaanse sopraan Magda Dorini in de titelrol van Minnie. Zij had op 2 oktober 1912 net haar Nederlandse debuut bij de Italiaansche Opera gemaakt als Leonora in ‘Il Trovatore’:
“Magda Dorini woekerde met haar uitnemende talenten als zangeres en actrice, en we denken hier vooral aan haar superieure uitbeelding van de slotscène der tweede acte, de poker-scène – waar ze door een valschen truc het leven van den geliefde en haar eer redt. De spanning van het spel op leven en dood, haar voorgewende ongesteldheid, haar triomf en vooral de nerveuze reactie – dat alles gaf ze subliem weer: het overspannen lachen, het zenuwachtig rondgooien met de kaarten, en eindelijk haar omhelzing van den geredden Johnson, die zich van niets bewust is; deze en andere fijne détails waren vol echt leven, zuiver geobserveerd en voortreffelijk uitgebeeld” (De Nieuwe Courant; 23-11-1912)
Dorini zou in dat seizoen bij de Italiaansche Opera zeven rollen zingen, onder andere de titelrol in de Nederlandse première van ‘La Wally’ van Catalani. Zij nam in 1922 afscheid van het operatoneel vanwege haar huwelijk. Haar stem is vastgelegd op een handvol grammofoonopnamen.
Over het optreden van de Italiaanse tenor Nunzio Bari (1875-1954) als Ramerrez alias Dick Johnson waren de meningen verdeeld. Bari zong vooral in Italiaanse operahuizen en had op 2 december 1911 zijn Nederlandse debuut bij de Italiaanse Opera gemaakt als Manrico in ‘Il Trovatore’:
“Signor Nunzio Bari, als Dirk Johnson, een naar Californië gevlucht bandiet, wien ‘t toch niet aan betere gevoelens ontbreekt. Ook al een moeilijke partij, die talent vordert voor zang en spel” (Het Nieuws van den Dag; 27-11-1912).
“Nunzio Bari speelde zijn rol (Johnson) goed; in zijn zang heeft evenwel voor dit genre van opera veel te veel ouderwetsche bravoure” (De Nieuwe Courant; 23-11-1912)
Bari maakte eveneens diverse grammofoonopnamen.
Ook de Italiaanse bariton Luigi Mazzoleni (16.11.1874 – 15.9.1951) had in dezelfde voorstelling als Bari zijn Nederlandse debuut bij de Italiaanse Opera gemaakt als Il Conte di Luna in ‘Il Trovatore’. In ‘La Fanciulla Del West’ vertolkte hij de rol van Jack Rance:
“dat we ook allen lof hebben voor de wijze, waarop Mazzoleni de Rance-figuur uitbeeldde; vooral zijn zang was voortreffelijk” (De Nieuwe Courant; 23-11-1912)
Mazzoleni zong tussen 1911 en 1922 diverse voorstellingen bij de Italiaansche Opera, het Nederlandsch Opera Ensemble van Désiré Pauwels en de latere Nederlandsche Opera. Hij bleef daarna in Nederland wonen en was actief als zangdocent. Hij overleed op 15 september 1951 op 76-jarige leeftijd in Amsterdam (Archief Gemeente Amsterdam A01232_0540_0273).
De begrafenis van Mazzoleni was op 19 september 1951 om 11.00 uur op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, grafnummer 42-3-0520 (De Waarheid; 19-9-1951).
Daar ligt hij in het graf met zijn schoonzoon Gino Troiani, die Mazzoleni’s dochter Valentina op 20 december 1928 trouwde en twee maanden voor Mazzoleni overleden was (Archief Gemeente Amsterdam A01588000125).
De productie stond onder muzikale leiding van de dirigent Giuseppe Rubino over wie weinig bekend is. Hij had op 1 december 1911 met ‘Il Trovatore’ zijn Nederlandse debuut bij de Italiaansche Opera gemaakt en zou er tot begin 1913 blijven dirigeren:
“Rubino eindelijk verdient groote hulde voor de wijze, waarop hij zijn taak heeft vervuld. Met Magda Dorini had hij het zwaarste werk te verrichten. Het orkest heeft zich uitstekend gehouden, er is onder zijn leiding blijkbaar hard en met veel toewijding gewerkt, en meer dan een zwak oogenblik – een première ligt vol voetangels en klemmen – werd gered door zijn vaste hand en groote slagvaardigheid” (De Nieuwe Courant; 23-11-1912)
De enscenering was in handen van de Italiaanse regisseur Federico Coraluppi, die al sinds 1905 bij de Italiaansche Opera in Nederland werkte. Dit was zijn laatste seizoen bij het gezelschap en ‘La Fanciulla Del West’ werd positief ontvangen. Er waren in het laatste bedrijf zelfs paarden op het toneel:
“Bewonderenswaardig werd met de paarden gemanoeuvreerd in het bosch van de derde acte” (De Avondpost; 24-11-1912)
Uiteindelijk toonde het publiek zich enthousiast:
“Het Haagsche publiek bleef vrij koel na het eerste lange bedrijf, maar gaf na de tweede acte solisten, dirigent en directeur een langdurige ovatie” (Algemeen Handelsblad; 23-11-1912)
“Toen kreeg Rubino, na op het tooneel te zijn gesleept, een reusachtigen krans, waarachter de kleine man even volkomen onzichtbaar werd” (De Nieuwe Courant; 23-11-1912)
Zover bekend waren er hierna nog vijf opvoeringen met steeds dezelfde bezetting.
Al een dag later op 23 november 1912 werd de voorstelling gespeeld in de Groote Schouwburg van Rotterdam (Rotterdamsch Nieuwsblad; 26-11-1912).
De productie werd op 25 november 1912 opgevoerd in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam (Het Nieuws van den Dag; 27-11-1912).
In de Groote Schouwburg van Rotterdam werd de uitvoering opnieuw op het podium gebracht op 30 november 1912 (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 26-11-1912).
Op 3 december was de opera in de Stadsschouwburg van Amsterdam (De Nieuwe Courant; 1-12-1912).
Het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam verwelkomde ‘La Fanciulla Del West’ op 11 december 1912 (Het Nieuws van den Dag; 10-12-1912).
Over de opera zelf waren de recensenten niet erg positief:
“Maar ’t is vaak (dank zij de bonten en woeligen situaties) ’n wirwar en rumoer van stemmen door elkander, waaruit niet wijs te worden is en de drukke, luidruchtige orchestratie maakt het volgen van ’t woord vaak heel moeilijk, ja onmogelijk. Men moet hier den tekst wel van buiten kennen om er iets aan te hebben. Maar dit zou nog zoo erg niet zijn, als de muziek tenminste, qua vinding en bewerking, nieuws en interessants bracht. Dit is echter absoluut niet het geval. Zij ook, zij vooral is gebaseerd op grove, schrille uiterlijke effecten en geheel en al op den Puccini s bekende dramatische trucjes. Armoede aan melodische en harmonische inspiratie wordt kwalijk verborgen door brutale instrumentatie-effecten en pikante dissonanten. Er zijn te veel dissonanten trouwens en er is te weinig, veel te weinig variatie in de harmoniek. Tot vervelens toe: aanwending van vergroot-dominant-septaccoorden, vergroote drieklanken de eeuwige Puccinische kwintengangen” (De Avondpost; 24-11-1912)
“Alles bijeen kunnen „wel”-denkenden het betreuren, dat de kosten en de ontzaglijke inspanning artistiek niet beter besteed zijn; aan een opvoering van Mozart’s ‘Don Giovanni’ bijvoorbeeld of aan de opvoering van een van die opera’s van Bellini en Rossini, waaromtrent men ten onzent nog steeds – na bijna een eeuw! – in een Egyptische duisternis zit” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 26-11-1912).
“Het libretto is een draak, als drama is het een vrij armzalig spektakelstuk en Puccini toont zich in al zijn bedroevende machteloosheid en impotentie” (De Nieuwe Courant; 23-11-1912).

