****
© skpbeijing
Essen, 27 februari 2026

‘Giulio Cesare‘; Sabine Devieilhe boven alle twijfel

Het barokorkest Il Pomo d’Oro toert in februari 2026 door Europa met een concertante uitvoering van de opera ‘Giulio Cesare’ van Händel. Het laatste optreden in Essen was er één van eenzaam hoog niveau.

Il Pomo d’Oro werd opgericht in 2012 en is gespecialiseerd in historisch geïnformeerde uitvoeringen van muziek uit de barok en klassieke periode. Sinds 4 februari 2026 toerde het orkest door Europa met twaalf concertuitvoeringen van de opera ‘Giulio Cesare in Egitto’ van de Duitse componist Georg Friedrich Händel (1685-1759). De laatste speeldatum was in de Philharmonie van de Duitse stad Essen.

Op de locatie van de Philharmonie in Essen werd vanaf 1901 de eerste concertzaal gebouwd, die op 24 september 1904 door Richard Strauss werd ingehuldigd. Na het bombardement op 26 juli 1943 werd de zaal vanaf 1949 gereconstrueerd in de bescheiden stijl van de jaren vijftig en op 14 november 1950 ingehuldigd. Na de renovatie van 2004 draagt de zaal de naam Alfried-Krupp-Saal. In deze zaal worden regelmatig werken van Händel uitgevoerd, waaronder zijn oratoria’s en opera’s, zoals nu ‘Giulio Cesare’.

In ‘Giulio Cesare’ volgt Cesare zijn vijand Pompeo, die samen met zijn echtgenote Cornelia en zoon Sesto naar Egypte is gevlucht. Daar wordt Pompeo echter vermoord door Tolomeo, de broer van Cleopatra. Cleopatra wil met hulp van de Romeinen de troon van haar broer Tolomeo veroveren en toeval wil dat Cesare verliefd wordt op Cleopatra… Drama en muziek werden door Händel gecombineerd tot één en ‘Giulio Cesare’ is sinds de wereldpremière van 20 februari 1724 in het King’s Theatre in The Haymarket te Londen een publiekslieveling.

Il Pomo d’Oro brengt ‘Giulio Cesare’ rondom de Poolse countertenor Jakub Józef Orliński. Orliński was tien jaren geleden een grote belofte en inmiddels een superster. Het stelt echter teleur te moeten constateren dat hij niet tot de grote Cesare-vertolkers van de afgelopen 35 jaren – zoals Scholl, Bowman of Gall – behoort.

De stem van Orliński heeft aan schoonheid verloren. Lage resonansen zijn uit de stem verdwenen, er zit teveel lucht tussen de noten en de medeklinkers worden uitgespuugd. Hij hinnikt de coloraturen en haalt in bepaalde frasen vaker adem dan nodig is. Alle trillers worden martellato’s en de da capo’s zijn niet virtuoos. Goed acteren, good looks en break dancing is niet voor iedereen voldoende. Overigens zijn Cesares grote recitatief “Alma del gran Pompeo” en aria “Quel torrente” helaas geschrapt.

“Caesars vrouw moet boven elke verdenking verheven zijn”, zei Caesar ooit en de Franse coloratuursopraan Sabine Devieilhe staat als Cleopatra op eenzame hoogte. Zij is de ultieme verleidster, prachtig fragiel en de langzame aria’s zijn beeldschoon verstild en innemend. Het enige gemis is dat zij het geluid dikwijls teveel bij zich houdt, haar zangspeelveld te beperkt maakt en het publiek soms te weinig geeft. Dat werkt bij “Se pietà di me non senti” en “Piangerò la sorte mia” uitstekend, waar zij het publiek naar zich toetrekt. Maar bij het coloratuurvuurwerk mogen het geluid en de lijnen guller zijn. Zong zij een extra hoge F in “Da tempesta”? Het was een speldenprik die nauwelijks te horen was. Haar aria’s “Tu la mia stella sei” en “Venere bella” waren helaas geschrapt.

De Engelse Rebecca Leggett vertolkt Sesto met prachtig lichte mezzosopraan. De Schotse mezzo Beth Taylor heeft een mooi sonoor en droevig timbre voor Cornelia, maar sommige tonen vallen uit de stem. De Amerikaanse bas Alex Rosen zingt de Egyptische generaal Achilla met opwindend, groot en viriel timbre en doet denken aan Samuel Ramey. De Oekraïense Yuriy Mynenko zingt Tolomeo flamboyant, heeft mooie tonen à la Andreas Scholl, nochtans is de stem niet gelijkmatig. Zijn aria “Belle dee” is helaas uit de tweede akte geschrapt.

De Italiaanse gastdirigent en klavecimbelspeler Francesco Corti gaf met Il Pomo d’Oro een muzikaal boeiende lezing op eenzaam hoog niveau. Het spel kreeg een indrukwekkende drive en het ensemble boetseerde een schitterend klankvlak. Diverse da capo’s waren geschrapt voor de drieënhalf uur (inclusief pauze) durende uitvoering. 

Vreemd genoeg viel de pauze op een volstrekt onlogische plek, zeven minuten voor het begin van de derde akte. Van de Alfried-Krupp-Saal in Essen waren bijna alle 1906 zitplaatsen bezet en het publiek toonde zijn dankbaarheid en geestdrift met stormachtig, staand applaus.