19-05-2020

De Nederlandse tenor Hans Kaart werd op 19 mei 1920 als Joannes Franciscus Jansen in Amsterdam geboren. Een overzicht van een aantal hoogtepunten uit zijn carrière.

Hans Kaart was een zoon van Joannes Franciscus Jansen (*1896) en Isabella Johanna Maria Kaart (*25 december 1900), die op 2 februari 1919 waren getrouwd. Hans’ moeder overleed een jaar na zijn geboorte op 21 september 1921 (Geneagraphie.com). Hij was verder een neef van acteur Johan Kaart.

1935

Hans Kaart werkte in een glas-in-loodhandel en een drukkerij. Zijn hang naar toneel vond enigermate bevrediging toen hij kon assisteren als lichtmeester in Theater Carré te Amsterdam. De revue bracht hem dankzij Henriëtte Davids in de gelegenheid als toneelmeester zijn krachten te beproeven (Algemeen Handelsblad;19-6-1963).

Kaart kreeg zijn opleiding in het acteursvak van Louis Saalborn, die hem opnam in zijn gezelschap Saalborn-Parser. Daar maakte Kaart zijn debuut op 16-jarige leeftijd naast zijn oom Johan en Heintje Davids in ‘Het Getrouwde Schoolmeisje’ van de Hongaarse schrijver Stefan Bekeffi. De première was op 12 december 1936 in het Rika Hoppertheater (Het Vaderland; 8-12-1936).

In 1938 speelde Kaart in een cabaret-revue ensemble onder directie van Louis Davids in de revue ‘De Koekoek’ van Jacques van Tol naast onder anderen Louis de Bree. De première was op 16 juli 1938 in het Kurhaus-Cabaret te Scheveningen (Het Vaderland; 12-7-1938).

Een 19-jarige Hans Kaart stond bij de Bouwmeester Revue in 1939 als tweede man naast Lou Bandy in ‘Wij In Holland’ (De Telegraaf; 18-7-1959).

1940

Hans Kaart speelde in de Tweede Wereldoorlog bij diverse gezelschappen, waaronder het Gezelschap van Jacques van Bijlevelt en Octave van Aerschot, het gezelschap van de actrice Louise Bouwmeester-Sandbergen, het Willem Goossens’ Volkstoneel, het gezelschap van Boskamp-Van Aerschot-Bijlevelt en het Gezelschap Bouwmeester en Van Tol (TheaterEncyclopedie.nl).

Op 30 september 1941 trouwde Hans Kaart in Rijswijk met de actrice Joy Carla Bouwmeester (*1921), de dochter van Louis Bouwmeester jr. (1884-1931) (Haagsche Courant; 30-9-1941).

In 1943 werd zijn dochter Carla Jansen geboren.

1945

Hans Kaart speelde na de Tweede Wereldoorlog tot 1947 bij Het Residentie Tooneel. Hij debuteerde in 1947 bij De Haagsche Comedie als Boris Kolenkhov in ‘Je Kunt ’t Toch Niet Meenemen’. Bij dit gezelschap speelde hij anderhalf jaar (TheaterEncyclopedie.nl).

In 1947 werd zijn huwelijk met Joy Bouwmeester ontbonden (De Telegraaf; 18-7-1959).

1950

Hans Kaart speelde van 1951 tot 1955 bij De Nederlandse Comedie, de opvolger van de Haagsche Comedie (TheaterEncyclopedie.nl).

Hij had in 1953 een klein rolletje in de film ‘Sterren Stralen Overal’ naast zijn neef Johan Kaart, Piet van Amstel, Péronne Hosang, Edwin Rutten, Kitty Janssen, Guus Oster, Hetty Blok, Willy Walden en Piet Muijselaar (IMDb.com)

Het was in de eerste helft van de jaren vijftig dat Hans Kaart zich steeds meer ging interesseren voor het zingen:

“In Amsterdam heb ik […] tweemaal gezongen, vermomd als Italiaan en zonder mijn naam bekend te laten maken. Dat was op een nachtfeest in Tuschinski en in een revue in Carré. Weer ongelofelijk veel succes […] Tenslotte heeft Felix de Nobel naar mij geluisterd. Hij toonde zich erg verbaasd. Toen mocht ik bij Julia Culp voorzingen. Ook enthousiast […] Ik ging met vacantie naar Italië. Dat was verleden jaar zomer. De laatste dag van mijn verblijf besteedde ik in Milaan er aan, dat een of andere zangpaedagoog naar mij zou willen luisteren. Na heel veel moeite gelukte dat. Op deze mogelijkheid had ik mij voorbereid door de smartaria uit Paljas in te studeren. Ze wilden mij direct houden – Terug in Amsterdam heb ik bij Jozef Krips, de dirigent van de Nederandse Opera, voorgezongen. Toen ging de steen pas goed rollen. Enfin, nu zit ik hier met een beurs van de Nederlandse regering” (Algemeen Dagblad; 18-3-1954)

Kaart begon op 17 februari 1954 een opleiding tot operazanger bij professor Binetti aan de Scala te Milaan (Algemeen Dagblad; 18-3-1954).

Op 30 juni 1954 werkte Kaart als koordirigent mee aan een productie van ‘La Cenerentola’ in het kader van het Holland Festival. Het betrof hier een gastoptreden van de Scala met in de titelrol de Italiaanse mezzosopraan Giulietta Simionato:

“Het Nederlands Kamerkoor, uiterst fraai van zang en verblijdend los van actie, mogen we dan niet vergeten om ten slotte te komen bij Hans Kaart – onze tenore-drammatico-in-spe – die uiteindelijk deze voorstelling heeft mogelijk gemaakt door zijn zwoegen met het koor en door zijn zorgen voor alles en nog wat” (Het Vaderland; 1-7-1954)

Hans Kaart werkte in de tweede helft van 1954 mee aan de verfilming van ‘Het Wonderlijke Leven van Willem Parel’, die in 1955 verscheen. In de overige rollen speelden onder anderen Wim Sonneveld, Péronne HosangJoop Doderer, Rijk de Gooyer, Lex Goudsmit en Albert Mol (IMDb.com).

1955

Hans Kaart werd in 1955 door Walter Legge en Herbert von Karajan verwezen naar de Amerikaanse zangpedagoog Frederick Husler in het Duitse Steinhude am Meer/Detmold:

“die vroeger nauw met Furtwängler heeft samengewerkt en zangeressen als Erna Sack en Erna Berger heeft opgeleid” (De Telegraaf; 21-4-1956)

Bij Husler studeerde ook de elf jaar jongere, Schotse mezzosopraan Caroline Raitt. Met haar maakte Kaart in april 1956 in Parijs studio-opnamen met het Orchestre du Théâtre National de l’Opéra. Onder leiding van dirigent Robert Blot zongen zij uit ‘Il Trovatore’ van Verdi de twee duetten “Non son tuo figlio” en “Ai nostri monti” plus het stretta “Di quella pira” en de drie fragmenten uit ‘Otello’ van Verdi “Esultate”, “Ora e per sempre addio” en “Niun mi tema”.

“Het is de eerste maal dat ik met orkest heb gezongen” (De Telegraaf; 21-4-1956)

Op 5 november 1956 was het duo terug in de Parijse studio en zong onder leiding van dirigent Pierre Dervaux de derde scène uit de eerste akte van ‘Die Walküre’. Op 7 november 1956 nam Kaart nog de aria’s “Recitar!… Vesti la giubba” uit ‘Pagliacci’, “Ch’ella mi creda” uit ‘La Fanciulla Del West’ en “La donna è mobile” uit ‘Rigoletto’ op:

“Voor de twijfelaars aan Kaart’s toekomstmogelijkheden als operazanger kan het wellicht belangwekkend zijn te vernemen, dat het His Master’s Voice-Pathé-Marconi-concern in de drie grammofoonopnamen, die het tot dusverre met medewerking van Kaart en Caroline Raitt maakte, buiten de honoraria voor de solisten een bedrag van f 67.000 aan kosten investeerde” (De Telegraaf; 8-11-1956)

Hans Kaart maakte op 25 januari 1957 zijn professionele operadebuut bij het Badische Staatstheater van de Duitse plaats Karlsruhe als Canio in ‘Pagliacci’ van Leoncavallo (Algemeen Handelsblad; 26-1-1957).

Op 3 maart 1957 gaven Hans Kaart en Caroline Raitt een radioconcert met het Omroeporkest onder leiding van Walther Boer, waarin de tenor de aria “La donna è mobile” uit ‘Rigoletto’ en hij samen met zijn – inmiddels – verloofde een fragment uit de eerste akte van ‘Die Walküre’ zong (Het Vaderland; 14-2-1957).

Hans Kaart gaf op 11 maart 1957 zijn Nederlandse debuut als operazanger in het Concertgebouw te Amsterdam. Samen met Caroline Raitt was hij solist tijdens een concert van het Residentieorkest onder leiding van dirigent Willem van Otterloo:

“Enthousiaste ovaties vielen gisteravond de vroegere toneelspeler Hans Kaart in het Concertgebouw te Amsterdam ten deel, waar hij op een concert voor de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid zijn concertpodiumdebuut maakte als tenor. Begeleid door het Residentie-Orkest onder leiding van Willem van Otterloo zong hij de aria van Florestan uit de Fidelio van Beethoven. Samen met zijn verloofde, de Engelse sopraan Caroline Raitt, zong hij het liefdesduet van Otello en Desdemona uit Otello van Verdi” (Het Binnenhof; 12-3-1957)

Hans Kaart maakte op 24 maart 1957 zijn debuut bij De Nederlandse Opera als Canio in ‘Pagliacci’ van Leoncavallo. In dezelfde productie vertolkte Caroline Raitt de rol van Santuzza in ‘Cavalleria Rusticana’ van Mascagni:

“Zelden zal Paljas, wanneer hij op zijn kar zijn entree op het toneel maakt, met zoveel verwachtingsvol applaus zijn begroet als gistermiddag, toen Hans Kaart in deze rol als gast bij de Nederlandse Opera in de Stadsschouwburg in Amsterdam als opera-zanger in ons land debuteerde. Eindelijk was het dan zo ver” (Algemeen Handelsblad; 25-3-1957)

Hans Kaart en Caroline Raitt traden op 23 augustus 1957 in Edinburgh in het huwelijk (Het Parool; 24-8-1957).

Kaart keerde in het seizoen 1957/1958 nogmaals terug naar het toneel en speelde bij het Rotterdams Toneel Kackerlack in ‘Moortje’ van Bredero (Holland Festival 1957), Sganarelle in ‘Don Juan’ van Molière (1957) en Jim Cherry in ‘De Boomgaard’ van Robert Bolt (1958) (TheaterEncyclopedie.nl).

In 1958 verschenen nog twee films waarin Hans Kaart rollen speelde: Sjef in ‘Dorp Aan De Rivier’ naast onder anderen Max Croiset, Mary Dresselhuys en Louis van Gasteren Sr. met muziek van Jurriaan Andriessen en de rol van kastelein Geursen in ‘Fanfare’ van Bert Haanstra naast onder anderen Andrea Domburg, Albert Mol, Ton Lutz en Riek Schagen (IMDb.com).

Inmiddels had Hans Kaart zangles in Den Haag bij Johanna Zegers de Beijl:

“De stem van de tenor is de laatste twee jaar uiterst voorzichtig, geschoold door Johanna Zegers de Beyl en het resultaat is nu een vast engagement in het buitenland” (Het Vaderland; 3-5-1958)

“Alle eer voor de snelle, mooie ontwikkeling van zijn zangstem verwijst Hans Kaart naar zijn lerares Johanna Zegers de Beijl, die in nauwelijks één jaar dit nog nauwelijks geschoolde tenorgeluid rijp maakte voor Covent Garden” (Het Vrije Volk; 30-5-1958)

Hans Kaart maakte op 18 december 1958 zijn debuut in het Royal Opera House Covent Garden van Londen als Calaf in ‘Turandot’ van Puccini. De voorstelling werd gegeven in het kader van Puccini’s 100ste geboortedag. De titelrol werd gezongen door Amy Shuard en het geheel stond onder muzikale leiding van dirigent John Pritchard:

“Hans Kaart, die praktisch zijn debuut in de grote opera als Calaf maakte en als gevolg van dit succes ongetwijfeld op meer aanbiedingen van Covent Garden zal kunnen rekenen. De recensent van de Times heeft het over de „gouden kwaliteit en het grote vermogen” van de stem van Hans Kaart en prijst zijn uitbeelding van de rol als acteur. Vrijwel alle recensenten zijn het er over eens dat Hans Kaart met meer ervaring een goede operakracht zal kunnen worden, en slechts een van hen noemt de stem „ongelijk”. Het is waar dat Hans Kaart in zijn aria in het begin van de derde akte een ogenblik zijn stem kwijt raakte, maar hij mocht aan het eind van zijn aria een open doekje in ontvangst nemen wat hier in Londen een zeldzame gebeurtenis is” (Algemeen Handelsblad; 19-12-1958)

Hans en Caroline Kaart zongen in maart 1959 de rollen van Siegmund en Sieglinde in een concertante uitvoering van de eerste ‘Die Walküre’ van Richard Wagner in de Amerikaanse stad Minneapolis. Het Minneapolis Symphony Orchestra stond onder leiding van dirigent Antal Dorati. Het was een opmaat voor een concertreis door de Verenigde Staten (Het Vaderland; 31-3-1959).

Hans Kaart was inmiddels teruggevraagd door het Royal Opera House en zong er op 7 juli 1959 de rol van Don José in ‘Carmen’ van Bizet naast Regina Resnik in de titelrol opnieuw onder leiding van John Pritchard:

“,,Hans Kaart zong met een vaste uitdrukking van huilende consternatie, miste kracht in zijn lagere en middenregister en sprak een grappig soort Engels”, aldus schrijft Charles Reid van de News Chronicle. ,,Maar door de kracht van zijn persoonlijkheid en het schitterend gehalte van zijn hoge tonen was hij beter dan alle andere José’s die hier in Covent Garden zijn gehoord sedert het huidige regime dat 12 jaar geleden is begonnen” aldus Reid. De Daily Mail prees eveneens de prachtige hoge tonen van Kaart, maar verklaarde dat hij verrassend weinig had gemaakt van het Bloemenlied. „Hij maakte niet zozeer de indruk van een korporaal van de dragonders”, aldus Eric Mason, ,,al was zijn oogrollende José in de laatste akte overtuigend”. Kaart was een man met twee stemmen aldus de Daily Express. ,,Zijn hoge tonen waren prachtig, manlijk en welluidend, maar zijn lagere register was een ander verhaal, inderdaad een andere stem. Hier had hij een saai geluid en een onzekere techniek”. De Times had echter slechts lof voor Kaart. ,,Kaart legde de juiste hartstocht in het Bloemenlied”. „Het was inderdaad een juist beoordeelde vertolking van een soldaat met geringe intelligentie, die in een toestand geraakt die hem te veel wordt. En de vocale capaciteiten van Kaart waren aangepast aan iedere stijl van de toenemende spanning in het stuk” (Algemeen Handelsblad; 8-7-1959)

Op 22 september 1959 verving Hans Kaart bij DNO de wegens ziekte verhinderde tenor Leonard del Ferro als Canio in ‘Pagliacci’ (Algemeen Handelsblad; 23-9-1959).

Toen Kaart op 23 november 1959 de rol van Don José in ‘Carmen’ opnieuw in Covent Garden zong naast de Amerikaanse mezzosopraan Gloria Lane als Carmen waren de recensies positiever:

“Nu is een grote verbetering gekomen. Kaarts hoge register geeft nog groter genot dan van de zomer. Het heeft een doorslaggevende viriliteit, die geheel bij zijn forse gestalte past en aan het gemak waarmee hij zich dramatisch beweegt kunnen vele anderen in Covent Garden een lesje nemen. Het is zeker de beste Don José, die wij hier sedert de oorlog hebben gezien” (Algemeen Dagblad; 24-11-1959)

1960

Hans Kaart zong op 1 en 4 januari 1960 de rol van Canio in ‘Pagliacci’ voor het eerst in het Royal Opera House Covent Garden:

“Terwijl de muziekrecensent van de “Financial Times” Harold Rosenthal de voordracht door Kaart van het “Vesti la gubba” hoog prijst, moet hij ook opmerken, dat de tenor zijn stem nog niet geheel schijnt te beheersen. Dezelfde aanmerking maakt Charles Reid van de “News Chronicle”, die schrijft, dat hij zich wel eens afvroeg of Kaarts stem het in het middenregister zou uithouden. Beide recensenten komen overigens overeen in hun lof voor de schallende hoge noten van Kaarts stem. Daarentegen is de recensent Donald Mitchell van de Daily Telegraph niet tevreden. Kaart was een impersonatie met weinig dramatische kracht en van schaarse vocale prestatie, aldus deze criticus. Dit klopt echter niet met de vrij algemeen gehoorde opmerking in de zaal, dat Kaart een zo intense uitbeelding van zijn rol gaf, dat hij meer op Otello dan op Canio leek. Er was aan het slot trouwens ook hartelijk applaus voor onze landgenoot” (Algemeen Handelsblad; 5-1-1960)

Op 2 februari 1960 was Hans Kaart weer terug in het Royal Opera House. Opnieuw vertolkte hij Calaf in ‘Turandot’ naast in de titelrol Amy Shuard en onder leiding van John Pritchard (ROHCollections.org.uk).

Kaart werkte samen met de sopraan Erna Spoorenberg op dinsdag 9 februari 1960 in het Amsterdamse Concertgebouw mee aan een buitengewoon concert ten bate van de bewoners van Tuindorp Oostzaan, die door overstroming werden getroffen. Voor de tenor stonden op het programma de aria’s “Recondita armonia” uit ‘Tosca’ en “Nessun dorma” uit ‘Turandot’. Het Concertgebouworkest stond onder leiding van de dirigent Bernard Haitink:

“Hans Kaart, voor deze gelegenheid uit Londen overgekomen, haalde in aria’s uit Puccini’s Tosca en Turandot formidabel krachtige en heldere hoge tonen uit zijn tenor, die niet slechts een toegift ten gevolge hadden (uit Leoncavallo’s Paljas) maar ook een korte toespraak: woorden van dank aan het orkest, dat hem bij zijn debuut met ditvermaarde ensemble op zo prettige manier had ontvangen” (Het Parool; 10-2-1960)

Eind februari 1960 zou Kaart in het Royal Opera House nog twee maal Calaf en één maal Canio hebben gezongen (De Telegraaf; 27-2-1960).

Hans Kaart zong tussen 15 en 27 maart 1960 in Nederland vier maal de rol van Calaf in ‘Turandot’ bij De Nederlandse Opera naast Marijke van der Lugt in de titelrol. De première was in de Stadsschouwburg van Amsterdam (De Telegraaf; 16-3-1960).

Kaart vertolkte bij De Nederlandse Opera tussen 16 september en 2 oktober 1960 zes maal de rol van Radamès in ‘Aida’ van Verdi. De première was in de Stadsschouwburg van Amsterdam en de overige solisten waren Gré Brouwenstijn en Antoinette Tiemessen alternerend in de titelrol, Annie Delorie als Amneris, Arnold van Mill als Ramphis, Theo Baylé als Amonasro en Guus Hoekman als Il Re:

“De grootste verrassing was zonder twijfel Hans Kaart als Radames. Sinds zijn optreden verleden jaar als Canio in Paljas, heeft hij opvallende vorderingen gemaakt. Zijn formidabele stem die vroeger zowat zijn enige troef is geweest, bezit hij nog in dezelfde mate, doch hij gebruikt deze niet meer uitsluitend om stoom af te blazen. Als Radames aan het slot van de vermaarde scène aan de oever van de Nijl zich aan de opperpriester overlevert, dan klinkt zijn „Sacerdote io, reste a te” als een trompetstoot. Zulk een grandioze alinea waarmee Kaart als heldentenor triomfen kan vieren, is nu tevens muzikaal gevormd, is van het melos uit geprofileerd en klinkt ook dramatisch waarachtig. Dat Hans Kaart nog niet in staat is de „hoge” bes aan het eind van zijn aria Celeste Aida, zoals Verdi dat voorschrijft: ,,pianissimo, morendo” te zingen zal niet gauw iemand hem euvel duiden. Zelfs de grootsten van het uitstervend ras van heldentenoren hebben met die beruchte passage moeite. Zulke schier onneembare zangtechnische vestingen daargelaten, was het bewonderenswaardig hoe delicaat Hans Kaart zijn sotto voce wist te gebruiken in het parlando en in vele prachtig geciseleerde melodische episoden. Dat zijn stem in zulke passages glans begint te krijgen en in het middenregister reeds een grote draagkracht bezit, is de belangrijkste vordering die gememoreerd dient te worden. Met spanning zien wij de ontwikkeling van dit merkwaardige fenomeen tegemoet. Als de tekenen niet bedriegen is in enkele jaren het operabedrijf een volleerde heldentenor rijker. Dan is Hans Kaart wat men noemt „binnen” als operazanger” (Algemeen Handelsblad; 17-9-1960)

Op 22 oktober 1960 was Kaart terug in het Royal Opera House voor Canio in ‘Pagliacci’ (ROHCollections.org.uk).

Op 2 november 1960 vertolkte Hans Kaart de rol van Jonathan Beachum voor een TV-registratie van ‘Die Dreigroschenoper’ van Kurt Weill voor de VARA. De regie was van Willy van Hemert (De Volkskrant; 14-10-1960).

In december 1960 was Kaart geëngageerd door de Deutsche Opera am Rhein van Düsseldorf en Duisburg voor drie gastvoorstellingen van ‘Pagliacci’ onder leiding van chefdirigent Alberto Erede:

“In december treedt hij tweemaal op in Dusseldorp als Canio in Paljas. Omstreeks Kerstmis zingt hij deze rol in de Duisburgse opera, die ook tot de Deutsche Oper am Rhein behoort. De dirigent Alberto Erede zal de voorstellingen leiden, de „Paljas”-uitvoering waarin Hans Kaart optreedt zal geheel nieuw worden geënsceneerd. Behalve deze drie voorstellingen geeft de Nederlandse zanger dit seizoen nog vijftien gastvoorstellingen in Dusseldorp” (De Telegraaf; 22-9-1960)

“De Deutsche Oper am Rhein heeft Hans Kaart een vast contract aangeboden voor dit seizoen. De zanger kon dit aanbod niet accepteren, daar hij vele verplichtingen elders had. De general-intendant De Joch heeft Kaart nu een nieuw aanbod gedaan voor het seizoen 1961-1962, waarbij voor de zanger de gelegenheid openblijft gastvoorstellingen elders te geven. Kaart zal dit contract slechts kunnen aanvaarden als dit valt te combineren met zijn verplichtingen bij Covent Garden en de Nederlandse Opera” (De Telegraaf; 22-9-1960)

1961

Hans Kaart zong op 15 januari 1961 de rol van Canio in ‘Pagliacci’ bij DNO (De Tijd De Maasbode; 12-1-1961).

In die tijd deden zich al oorproblemen voor bij Hans Kaart:

“Doordat de tenor Hans Kaart is overvallen door een acute middenoorontsteking, heeft hij maandagavond niet kunnen optreden In het NCRV-televisie-programma „Van naar kleine k” zoals de bedoeling was. Hij is inmiddels in het Diakonessenhuis te Amsterdam behandeld en moet nu voorlopig in zijn woning te Amstelveen het bed houden. „Zaterdagnacht werd hij overvallen door een hevige oorpijn”, deelde Kaart’s echtgenote, de zangeres Caroline Raitt, ons mede. “Onze dokter was niet te bereiken. Zondagmorgen kon ik de hulp inroepen van een keel-, neus- en oorspecialist, die onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk achtte. Mijn man werd naar het Diakonessenhuis gebracht waar de ontsteking werd doorgeprikt, een buitengewoon pijnlijke geschiedenis. Zondagmiddag werd hij weer thuisgebracht met het consigne, dat hij voorlopig binnen moest blijven. Het spijt hem vreselijk, dat hij niet voor de televisie heeft kunnen verschijnen. Hij voelt zich nog steeds erg ziek. Hij heeft vanavond geprobeerd het avondeten te bereiden, want koken is zijn grote hobby, maar zelfs dat kon hij niet volbrengen. Ten gevolge van de behandeling hoort hij momenteel slecht, zodat ik tegen hem moet schreeuwen wil hij mij verstaan”, aldus mevrouw Kaart” (De Telegraaf; 7-2-1961)

In april 1961 vertolkte hij bij de Deutsche Opera am Rhein de rol van Ollendorf in ‘Der Bettelstudent’ van Carl Millöcker (De Telegraaf; 20-4-1961).

Het echtpaar Kaart kreeg op 26 juni 1961 een ernstig verkeersongeluk. Daarbij raakte de tenor gewond aan zijn rechter oor:

“De Nederlandse operazanger Hans Kaart is gisteravond op dertig kilometer van de Frans-Belgische grens met zijn auto uit de bocht gevlogen. De wagen, waarin Hans Kaart en zijn echtgenote zaten, sloeg twee maal over de kop en kwam met zijn wielen omhoog in een lager dan de weg gelegen land terecht. Mevrouw Kaart liep bij het ongeval een kneuzing in haar rug op; Hans Kaart zelf werd aan zijn rechteroor gewond. Het ongeluk gebeurde bij het Franse plaatsje Sarcelles. De heer Kaart en zijn echtgenote keerden terug uit Parijs, waar hij repetities voor het nieuwe operaseizoen heeft meegemaakt” (Leeuwarder Courant; 27-6-1961)

Hans Kaart trad echter op 7, 9 en 11 juli 1961 alweer op als Calaf in ‘Turandot’ bij DNO in kader van het Holland Festival onder leiding van dirirgent Francesco Molinari Pradelli. Marijke van der Lugt zong opnieuw de titelrol:

“Hij schijnt voor deze knalpartij de hand niet om te draaien. De stem is dan ook in al die hoge fortissimo-noten bijzonder fraai van klank en Kaart heeft zich bovendien aangeleerd zuiver te zingen […] Zijn grootste voordeel is, dat hij kan toneelspelen en dus de plastiek van de scène tot op aanzienlijke hoogte beheerst. Men ziet bij hem hoe belangrijk het stille spel juist op het opera-toneel is in de talloze ogenblikken waarop de zanger rust heeft. Kaart is ontegenzeglijk de enige die spelen kan” (De Tijd De Maasbode; 8-7-1961)

“Naast deze sterk-bezette rol heeft men in Hans Kaart een volkomen gelijkwaardige vertolker voor de rol van Prins Calaf gevonden. Zijn machtig stemgeluid bleek voortdurend in een juist evenwicht te zijn met zijn tegenspeelster” (Het Vrije Volk; 12-7-1961)

Kaart was in het seizoen 1960/1961 bij de Deutsche Opera am Rhein nog ingevallen voor de verhinderde tenor Ernst Kozub als Radamès in ‘Aida’. Verder tekende hij bij de Deutsche Oper am Rhein voor het seizoen 1961/1962 een vast contract (De Telegraaf; 12-7-1961).

Verder maakte Hans Kaart in het seizoen 1960/1961 zijn roldebuut als Manrico in ‘Il Trovatore’ in Luik. Op 10 en 13 november 1960 en 25 april 1961 zong hij in het Théâtre Royal de Liège naast Victoria Elliott als Léonore, Constance Shacklock als Azucena en Jess Walters als Comte de Luna:

“Hij had er een uitbundig succes, zelfs (hetgeen alles zegt) op de gevreesde donderdagavond” (De Telegraaf; 28-3-1961)

Kaart zong op 17 november 1961 opnieuw Calaf in ‘Turandot’ bij DNO in Amsterdamse Stadsschouwburg tijdens een gastvoorstelling van dirigent Alberto Erede:

“en dat Hans Kaart zoals gewoonlijk een machtig en toch gedifferentieerd volume ontwikkelde” (Algemeen Handelsblad; 18-11-1961)

“de geweldenaar in emotioneel gebaar en vocale expressie, die Hans Kaart is” (De Tijd De Maasbode; 18-11-1961)

“De held van de avond was natuurlijk Hans Kaart als prins Calaf, die met briljante vocaliteit en meeslepende actie aller aandacht trok” (Het Vrije Volk; 21-11-1961)

“Hans Kaart in de rol van Calaf toont zich steeds duidelijker een zanger met grote kwaliteiten. Zijn intonatie was vlekkeloos en hij wist mede door zijn goede spel een indrukwekkende inhoud aan zijn rol te geven. Slechts een enkele maal ondervond men het grote volume van Kaarts stem als een bezwaar. Het juiste gevoel voor de klankverhoudingen in het ensemble is bij deze zanger nog niet ten volle ontwikkeld. Voor het overige komt hem voor zijn prestatie de grootste lof toe” (Algemeen Dagblad; 21-11-1961)

Op zaterdag 25 november 1961 zong Hans Kaart bij de Deutsche Opera am Rhein de rol van de Heks in ‘Hänsel und Gretel’ van Engelbert Humperdinck:

“Hoe was die heks? Het is een creatie zoals u zelden in uw operaleven zult tegenkomen. U kunt zich voorstellen hoe Kaart als acteur zo’n opgaaf vervult: meesterlijk van grime, van beweging, houding, sfeer. Die heks staat geen twintig minuten op het toneel, alleen in de laatste akte, maar na afloop heeft men de indruk dat er niemand anders geweest is. Kaarts stem is in deze rol onherkenbaar. Ieder ander zou bij zo’n experiment een maand hees zijn. Kaart echter zong vrijdag de „Bettelstudent”, zaterdag voor het eerst die heks, zondagmiddag in Amsterdam de Kalaf in „Turandot” (onder zijn Dusseldorpse chef Alberto Erede), maandag nog eens de heks. In december zingt hij drie dagen achtereen: de eerste dag Paljas, de tweede Aïda, de derde weer Paljas. Daartussen door heeft hij bij Felsenstein in Berlijn „Turandot” gezongen, na de opera in drie dagen in het Duits te hebben omgestudeerd. Het was voor – het eerst dat Felsenstein een gast tolereerde” (De Telegraaf; 29-11-1961).

Op zondagmiddag 26 november 1961 zou Hans Kaart als Calaf in ‘Turandot’ zijn laatste voorstelling bij DNO zingen (De Telegraaf; 29-11-1961).

1962

Hans Kaart werd in januari 1962 failliet verklaard als gevolg van een niet opgeloste huurkwestie:

“”Het gaat in werkelijk om een heel oude kwestie – men heeft geprobeerd mij een gemene, streek te leveren en iedereen denkt nu natuurlijk, dat ’t is gelukt ook. Maar ik pas voor dit soort praktijken. Mij zien ze voorlopig niet meer in Nederland. Ik heb hier succes – ik verdien veel geld, méér dan men mij kan betalen in Amsterdam, Rotterdam of Den Haag.” Hans Kaart heeft zojuist voor het tweede jaar getekend voor de beroemde Deutsche Oper am Rhein (Het Vrije Volk; 20-1-1962)

Hans Kaart vertolkte op 18 februari 1962 bij de Deutsche Opera am Rhein de rol van Mephisto in ‘Doktor Faust’ van Ferruccio Busoni (De Telegraaf; 8-3-1962).

Midden oktober 1962 maakte Kaart in Düsseldorf zijn roldebuut in de titelpartij van ‘Otello’ van Giuseppe Verdi naast Gerry de Groot als Desdemona (De Telegraaf; 20-10-1962).

In november 1962 maakte Kaart zijn roldebuut als Samson in ‘Samson et Dalila’ van Camille Saint-Saëns in Chicago. Rita Gorr was Dalila, Gabriel Bacquier zong de Le Grand-Prêtre de Dagon en Fernando Corena vertolkte de Vieillard Hébreu. De Chicago Lyric Opera Orchestra stond onder leiding van Pierre Dervaux:

“waar moest men zo vlug een Samson vandaan halen? Toen moet Dervaux zich herinnerd hebben, dat hij een paar grammofoonplaten had gemaakt met een Nederlandse heldentenor. Hoe dan ook: Hans Kaart kreeg telegrafisch bericht of hij de rol van Samson kon overnemen. Een rol die hij nooit eerder gezongen had. Zonder auditie, zo maar op gezag van zijn recensies over ‘Otello’. Er volgde een jacht op een grammofoonopname van ‘Samson’ – waarvan één enkel compleet exemplaar in Den Haag gevonden werd – en een studie van de rol in acht dagen tijds. Maar daarna bleek, dat Dusseldorp weigerde Kaart verlof te geven om naar Amerika te vliegen. Hij had nog twee Otello’s te zingen en ondanks het feit, dat er een driedubbele bezetting was stond men erop, dat hij dat contract zou nakomen. Het werd een fel gevecht, dat uiteindelijk door Kaart gewonnen werd – er stond een optreden als Zsupan in de operette ‘Der Zigeunerbaron’ op het spel, dat voor Dusseldorp erg aantrekkelijk was. Hij zong die twee Otello’s dus vervroegd, tussen zijn Samson-studies door, en vloog naar Chicago. Daar kreeg hij precies één repetitie en een generale, en schminkte zich voor de première met het angstzweet in de handen. Het succes was overweldigend. De meest gevreesde critica van Chicago en zelfs van heel Amerika, Claudia Cassidy, die over het algemeen felle kritiek op alles en iedereen heeft, schreef een prachtige kritiek, en kwam de tweede voorstelling terug. Het resultaat is, dat Hans Kaart voor de vijf volgende seizoenen werd vastgelegd om in Chicago terug te keren, en hij daar waarschijnlijk de gelegenheid zal krijgen zijn grote ambitie te vervullen om Eleazar in ‘La Juive’ te vertolken. Ook San Francisco heeft hem nu benaderd, zodat de eerstvolgende jaren Hans Kaart wel de volle herfstmaanden in Amerika zal doorbrengen. Daar is mogelijk wat in zijn eigen land niet schijnt te kunnen” (De Telegraaf; 27-11-1962)

1963

Hans Kaart zong op 14 februari 1963 in Duisburg de rol van Radamès in ‘Aida’ naast Ingrid Bjoner in de titelrol en Erika Wien als Amneris. Van deze uitvoering bestaat een geluidsopname.

In april 1963 zorgde Hans Kaart bij de Deutsche Oper am Rhein nog voor een schandaal in ‘Der Zigeunerbaron’:

“Men heeft voor zijn rol een vervanger genomen nadat Hans Kaart de vorige week met het lied „Von dem Tagostrand” een enorm succes had behaald en het keer op keer moest bisseren. Hans Kaart had een geheel eigen versie op dit lied gemaakt […] Hans Kaart vond de oorspronkelijke tekst van de operette veel te ouderwets, en vanaf de première had hij er een eigen versie op gemaakt. Bij het lied „Von dem Tagostrand” maakte hij ook heel aparte komische bewegingen die bij het publiek zeer in de smaak vielen. Hij moest het elke keer bisseren. De vorige week zei de dirigent Brenner in de pauze tegen hem dat er die avond geen herhaling meer van het lied zou komen. Hans Kaart zei: „Natuurlijk komt die wèl”. Zijn artiestenbloed kwam in werking, en het lied was weer een enorm succes. Hij moest het tweemaal herhalen. Als demonstratie tegen de kritiek die sommige operafunctionarissen tegen zijn wijze van werken hadden, verzocht Hans Kaart toen al de zestienhonderd mensen in het operagebouw op te staan als hij het lied opnieuw ging zingen. Zij deden het meteen, Hans Kaart zong zijn komische lied nadat hij hen bedankt had voor deze staande ovatie als waardering voor zijn kunst. Dit heeft men hem zeer kwalijk genomen” (De Telegraaf; 1-5-1963)

Het echtpaar woonde inmiddels in het Zwitserse plaats Giubiasco. Op 15 juni 1963 zong Hans Kaart nog de titelrol in ‘Otello’ van Verdi in Düsseldorf en twee dagen later liet hij zich in St. Annaziekenhuis van de Zwitserse plaats Lugano opnemen voor een geplande ooroperatie:

“Maandagavond had hij zich voor een vrij lichte operatie aan zijn rechteroor in het ziekenhuis laten opnemen. Hans Kaart was aan dit oor gedeeltelijk doof en had zich hiervoor ook al enige jaren geleden laten opereren. Gistermiddag zou echter de laatste operatie plaatshebben, die hem zijn gehoor volledig zou moeten teruggeven. Opgeruimd vertrok hij maandag per vliegtuig uit Amsterdam naar Lugano, nadat hij zaterdagavond in Dusseldorp de laatste ‘Otello’ van dit seizoen had gezongen. Maandagavond reed hij van het vliegveld naar het ziekenhuis, waar hij zich liet opnemen in afwachting van de operatie van dinsdag. De chirurg en de narcotiseur bezochten hem maandagavond nog in het ziekenhuis en vonden hem in staat om de lichte operatie te ondergaan. Tijdens het laatste gedeelte van de operatie kreeg Hans Kaart echter een hartverlamming.

De chirurg in Lugano, die hem behandelde, de oorspecialist dokter Bettelini, vertelde mij gisteravond: „Ik was bijna klaar met mijn operatie, toen ik plotseling merkte dat zijn pols niet meer klopte en de adem stilstond. Zijn hart stond stil. De narcotiseur en ik stelden alles in het werk hem nog te redden. We masseerden zijn hart lang en gaven hem injecties. We deden alles wat wij konden, maar het baatte niet. De narcotiseur en ik zijn bijzonder onder de indruk van zijn dood. Het is een grote schok als iemand op de operatietafel sterft. Maar dit keer was de schok heel groot, omdat wij het niet verwachtten. Ik deed een ooroperatie en deze leek te slagen, maar plotseling stond dat hart stil. De stem van dokter Bettelini klonk bijzonder geëmotioneerd „Wij hebben echt om uiterste best gedaan”, zei hij, “maar ik geloof dat deze hartverlamming is ingetreden doordat Hans Kaart de laatste tijd een te grote omvang had. Hij woog honderdendertig kilo. Bovendien maakte hij op mij een vermoeide indruk. Hij leidde een te druk bezet leven…” De vrouw van Hans Kaart, de zangeres Caroline Raitt, wachtte in het ziekenhuis op de afloop van de operatie. Zij wachtte met een gerust hart, wetende hoe weinig riskant deze operatie was” (De Telegraaf; 19-6-1963)

Hans Kaart overleed op 18 juni 1963 op 43-jarige leeftijd onder narcose tijdens een ooroperatie, een paar maanden voor zijn debuut in de titelrol van Verdi’s ‘Otello’ bij DNO. Hij werd op 24 juni 1963 ter aarde besteld op begraafplaats Zorgvlied – graf 18-I-472 – te Amsterdam:

“Het stoffelijk overschot van de dinsdag in Lugano plotseling overleden operazanger-acteur Hans Kaart zal maandag 24 juni worden opgebaard in de tot chapelle ardente ingerichte hal van de Stadsschouwburg te Amsterdam. Van 12.30 tot 13.00 uur bestaat gelegenheid tot defileren. Te 14.00 uur volgt de teraardebestelling op de begraafplaats Zorgvlied” (Algemeen Handelsblad; 21-6-1963)

“Aan de Amsterdamse Stadsschouwburg – anders in deze Holland Festivaltijd zo feestelijk gepavoiseerd – hingen de vlaggen halfstok en waren de schitterende kronen met een rouwvloers omgeven. Een schier eindeloze rij van belangstellenden, waaronder vele collega’s van de overledene zowel uit toneel- als operakringen, is langs de baar gedefileerd, waarnaast de jonge acteurs Piet van der Meulen, Allard van der Scheer, Jules Royaard en Ben Hulsman de dodenwacht hadden betrokken. Een schat van bloemen die een zoete geur verspreidden zorgden voor een stemmige omlijsting in de tot chapelle ardente ingerichte hal van de Stadsschouwburg. Er waren o.a. kransen van de Nederlandse Opera, de Deutsche Oper am Rhein (waar Kaart tot zijn overlijden aan verbonden was), de Nederlandse Comedie en van de Nederlandse Televisie Stichting. Tegen half twee verliet de lange rouwstoet de Stadsschouwburg om Hans Kaart naar zijn laatste rustplaats op de begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam te dragen. Als slippendragers fungeerden Mary Dresselhuys, Ton Lutz, Guus Oster, Evert Cornelis, Jan Teulings, Bob van Leersum, Evert Smit, Rudi Meyer, Leo Riemens, Albert Mol, Herman van der Horst en Bert Haanstra. Achter de begrafeniskoets volgde als eerste de weduwe van Hans Kaart aan de arm van Johan Kaart, een neef van de overledene. Daarachter had zich een grote schare kunstenaars, vrienden en kennissen aangesloten. Op de Stadhouderskade is de stoet ontbonden en vertrokken de rouwauto’s naar Zorgvlied waar de begrafenis in alle eenvoud plaats vond” (Algemeen Handelsblad; 24-6-1963)

Caroline Kaart zou daarna permanent in Nederland komen wonen:

“De echtgenote van de overleden acteur-zanger Hans Kaart, de Engelse opera-zangeres Caroline Raitt, zal zich blijvend in Nederland vestigen. Zij heeft haar huis in Zwitserland verlaten en zal trachten zich hier in Nederland geheel aan de operazang te wijden iets waartoe zij tijdens haar huwelijk met Hans Kaart nooit is gekomen” (De Telegraaf; 29-6-1963)

Met dank aan Caroline Kaart

Repertoire (11 rollen):
Bizet – ‘Carmen’ (Don José)
Busoni – ‘Dr. Faust’ (Mephisto)
Humperdinck – ‘Hänsel und Gretel’ (Knuperhexe)
Leoncavallo – ‘Pagliacci’ (Canio)
Millöcker – ‘Der Bettelstudent’ (Ollendorf)
Puccini – ‘Turandot’ (Calaf)
Saint-Saëns – ‘Samson et Dalila’ (Samson)
Johann Strauss jr. – ‘Der Zigeunerbaron’ (Zsupan)
Verdi – ‘Aida’ (Radamès)
Verdi – ‘Otello’ (Otello)
Verdi – ‘Il Trovatore’ (Manrico)

Discografie:
EMI LP Verdi, Wagner, Leoncavallo, Puccini – april/november 1956, Parijs
Puccini – ‘Turandot’ (Calaf) – 1960, Londen
Busoni – ‘Dr. Faust’ (Mephisto) – 18 februari 1962, Düsseldorf
Saint-Saëns – ‘Samson et Dalila’ (Samson) – november 1962, Chicago
Verdi – ‘Aida’ (Radamès) – 14 februari 1963, Düsseldorf