|












| |
REPORTAGE
Gesmoorde stemmen (3)
Door: Mark
Duijnstee

De
misdaden van de Nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog strekten zich uit tot de
kunstenaars van Joodse afkomst. Het Nationaalsocialistische denkbeeld, dat de Joden letterlijk en figuurlijk van het
toneel moesten verdwijnen, leidde tot de moord op vele Joodse operazangers. Dit
ongeacht het feit, dat zij ooit door het Duitse publiek bewonderd werden en zij
hen door hun toewijding hadden laten genieten van de kunst. Sommigen van deze zangers –
zoals de tenoren Michel Gobets en Joseph Schmidt – zagen hierdoor hun carrière
bekort en konden hun gaven niet verder ontwikkelen. Anderen – zoals de alten
Therese Rothauser, Ottilie Metzger en Magda Spiegel - werden na een lange staat
van dienst een ongestoorde oude dag ontnomen. Lang is er over hen gezwegen en is
men vergeten wat zij gegeven hebben. Hun biografieën zijn indrukwekkend
en verdienen het gelezen te worden. Het is confronterend als deze vermoorde
Joodse operazangers opeens een identiteit krijgen.
Machiel Gobets (roepnaam Michel) werd geboren op 21
mei 1905 te Amsterdam. Hij kwam uit een muzikaal gezin. Zijn vader, Nathan
Gobets Sr., was tenor in het ‘Koor der Groote Synagoge’, het koor waar Michel
later als solist ook lid van zou worden. Dit koor - een dubbel mannenkwartet -
stond in de periode 1916 – 1942 onder leiding van de dirigent Sam H. Englander.
In 1928 behaalde het koor de eerste prijs bij een wedstrijd in Londen, dat was
uitgeschreven door ‘The Jewish Chronicle’. Michel Gobets ontving zijn zangstudie
aan het Amsterdamsche Conservatorium. Daar volgde hij ook de operaklas, die in
1937 opgericht was en onder leiding stond van de dirigent Johannes den Hertog.
Deze operaklas was een 2-jarige vervolgopleiding, aansluitend op de
conservatoriumopleiding en kende tijdens deze periode veel later bekend geworden
namen, zoals Jo Vincent, Frans Vroons, Greet Koeman en
Theo Baylé.
Gobets was tevens lid van het in
1937 door Felix de Nobel opgerichte ‘Het Nederlands Kamerkoor’. Dit koor kende
aanvankelijk vele grote solisten onder zijn leden, zoals Frans Vroons, Annie
Hermes en Corry Bijster. Er is een aantal opnames van dit koor
bewaard gebleven, waaraan Gobets meewerkte. Op 2 januari 1938 zong hij mee in
‘De Parelvissers’ - naast Corry Bijster,
Otto Couperus en Johan Lammen - en op 7 oktober van dat jaar in ‘Gräfin Maritza’. Michel
Gobets maakte op 10 januari 1940 zijn debuut bij het net opgerichte gezelschap
‘De Nederlandsche Opera Stichting’ in hun tweede productie in de titelrol van
‘Les contes d' Hoffmann’ van Jacques Offenbach¹. De overige solisten waren Gré Brouwenstijn, Greet Koeman,
Jo van Meent, Johan Lammen, Theo Baylé en Frans Vroons en de dirigent was opnieuw
Johannes den Hertog. Op 3 februari 1940 volgde nog een uitvoering van deze
voorstelling met Michel Gobets voor de Wagnervereeniging, met grotendeels dezelfde solisten
en Ruth Horna in plaats van Gré Brouwenstijn als Giulietta. De laatste opname van Michel Gobets dateert van 9 februari
1941, waarop hij met Corry Bijster en Laurens Bogtman een fragment uit
‘L’enfant prodique’ van Debussy zingt.
Nog
diezelfde maand februari 1941 werden in Amsterdam de eerste razzia’s op de Joden
gehouden. Kort daarna werden hen allerlei beperkende maatregelen opgelegd en
vanaf september 1941 mochten zij niet meer aan openbare voorstellingen
deelnemen. Ook Michel Gobets mocht niet meer optreden. Hij werd medewerker in
het culturele werk van de Joodse Raad en wat hij daar gedaan heeft, is niet
bekend. Wel weet men, dat medewerkers van de Joodse Raad aanvankelijk
vrijstelling kregen van transport naar Westerbork. In juni 1943 werd Gobets
uiteindelijk toch naar kamp Westerbork afgevoerd. Daar heeft hij nog opgetreden,
zo blijkt uit het boek ‘In Depot’ van Philip Mechanicus². In dit boek
wordt in het kort een concert beschreven, dat werd gegeven op woensdag 11
augustus 1943 en waarbij Gobets naast Joodse volksliederen ook hoogtepunten uit
‘Gräfin Mariza’ van Emmerich Kalman en melodieën van Paul Abraham zong met
Jetty Cantor en een gemengd koor.
Op
18 januari 1944 werd Gobets vanuit Westerbork op transport naar het
concentratiekamp Theresienstadt
gedeporteerd. Daar zong hij een maand later al op 15 februari 1944 de partij van Uriël in Haydns oratorium ‘Die Schöpfung’ onder leiding van Karl
Fischer en met Renée Gärtner-Geiringer aan de piano³. Karel
Freund zong Rafael en Adam, Frau Kohn-Schlesskov zong Gabriel en
Gertrude Borger zong Eva. In de zomer van 1944 zong Gobets ‘Elijah’ van Mendelssohn met de sopraan Gertrude Borger, de alt Hilde Aronson-Lindt en
de bas Walter Windholz als Elijah. De begeleiding was met twee piano’s
door dr. Karel Reiner en Frau Bach-Fischer en de koorsoli nam Frau
Kohn-Schlesskov voor haar rekening in een koor van zo’n 80 man. Verder zong
Gobets de rol van Tamino in ‘Die Zauberflöte’ van Mozart onder
leiding van dirigent Rafael Schächter en met Ada Hecht als
Koningin van de Nacht en Karel Berman en Karel Freund afwisselend als Sarastro. Als Don José in ‘Carmen’ van Bizet alterneerde Gobets met David
Grünfeld in een regie van Kurt Gerron begeleid door twee piano’s gespeeld
door Edith Steiner-Kraus en de dirigent Franz Eugen Klein. Hedda
Grab-Kernmayr en Ada Schwarz-Klein zongen om beurten de rol van Carmen, Walter Windholz en Karel Freund alterneerden als Escamillo en Karl Fischer en Jakob
Goldring als Remendado. In de andere bijrollen zongen Karel
Berman, Ada Hecht (Michaëla), Truda Borger (Frasquita), Hilde
Aronson-Lindt (Mercedes). Verder gaf Gobets in Theresienstadt meerdere recitals met liederen en
aria’s van Schubert, Brahms, Händel, Donizetti, Verdi, Puccini en Jiddische
volksliedjes begeleid door Rafael Schächter en Renée Gärtner-Geiringer.
Daarnaast nam hij deel aan Kurt Gerrons ‘Karusell’ op tekst van dr. Leo
Strauss en Manfred Greiffenhagen naast Gerron zelf, de
sopraan Anne Frey en waarschijnlijk Hermann Scheiner.
Van Theresienstadt werd Michel
Gobets op één van de grote transporten van eind (vermoedelijk 28) september 1944
naar het concentratiekamp Sachsenhausen (bij Berlijn) gezet. Op 17 november 1944 werd hij van
Sachenhausen overgebracht naar het concentratiekamp Dachau (bij München).
Volgens de registratie van Dachau is Michel Gobets daar - vermoedelijk aan tyfus - overleden op 20 april 1945, negen
dagen voordat de Amerikaanse troepen het kamp bevrijdden.
Referenties
1. Annalen van de
Operagezelschappen in Nederland [eindred. Piet Hein Honig] (Amsterdam:
Theater Instituut Nederland, 1996)
2. Philip Mechanicus – In Depot (Laren: Verbum, 2008)
3. Joža Karas - Music in Terezín (1941 – 1945) (Stuyvesant: Pendragon
Press, 1985)
Met dank aan Ed Nieuwenhuyzen, zoon
van Michel Gobets
|