REPORTAGE: Nederlandse sopraan Sophie Offermans-van Hove

16-07-2020

De Nederlandse sopraan Sophie Offermans-van Hove was een lyrische oratorium- en concertzangeres in de 19e eeuw. Zij ontwikkelde een voorliefde voor de Duitse klassieke en romantische muziek, waaronder werken van Bach, Brahms, Händel, Schubert en Schumann. Zo introduceerde zij van die laatste twee componisten veel liederen in Nederland. Tevens heeft zij zich beijverd het Nederlandse lied bekendheid te geven en “hedendaagse” werken van Richard Hol, Willem Nicolaï en Johannes Verhulst stonden dikwijls op haar programma.

Sophie Offermans-van Hove werd op 31 juli 1829 als Sophia Johanna Huiberta van Hove te ’s-Gravenhage geboren in een katholiek gezin van veertien kinderen. Vader Andries van Hove – passementwerker en koffiehuishouder – was getrouwd met Johanna de Graaf en oom Bartholomeus Johannes van Hove (1790-1880) was een bekende kunstschilder van stadsgezichten. (0335-01.220 Geboorteakten Den Haag).

1840

Sophia van Hove ontving haar zangopleiding van Joseph Fastré (1784-1842), die sinds 1830 onderwijzer was aan de Koninklijke Muziekschool in Den Haag. Daarna kreeg zij les van Johann Heinrich Lübeck (1799-1865), die sinds de oprichting van de Koninklijk Muziekschool in 1826 was aangesteld als eerste directeur aldaar. Pianoles ontving zij van Friedrich Johann Xavier Wirtz (1798-1864), die sinds de oprichting aldaar pianodocent was:

“Op de Koninklijke Muziekschool was de zestien-jarige toen nog een der ijverigste en begaafdste leerlingen, en de toenmalige directeur de heer Lübeck, stelde zich van de heerlijke omvangrijke sopraanstem, welke de jonge zangster van de natuur ontvangen had, zeer veel voor” (Nieuwe Tilburgsche Courant; 3-8-1899)

Zij zong als tiener zondagsochtends tijdens de mis in de Sint Anthoniuskerk te Den Haag:

“dat menig Hagenaar geen enkelen Zondagochtend verzuimde in de St. Anthoniuskerk aan den Boschkant te ’s Gravenhage tegenwoordig te zijn, om er met innig genot naar eene heerlijke zeldzaam-reine, jeugdige sopraanstem te luisteren […] Die aanbiddelijke stem, welke zoo velen Roomsch en niet-Roomsch, naar het kerkgebouw aan den Boschkant lokte, behoorde mejuffrouw Sophia van Hove toe. Zij zong daar met haar geloovige ziel en met heel haar kunstenaarshart die gloedvolle soli uit Haydn’s, Van Bree’s, Mozart’s en Beethoven’s missen” (Nieuwe Tilburgsche Courant; 3-8-1899)

1845

Sophia van Hove zong in 1846 – op 17-jarige leeftijd – reeds tijdens een concert in Haarlem:

“Men behoefde de annalen der Kon. Muziekschool slechts op te slaan om te weten hoe mej. Sophia van Hove reeds op zeer jeugdigen leeftijd zich onderscheidde en overwinningen op kunstgebied wegdroeg. Hoe fier moet Lübeck op u geweest zijn, zeide de spreker, toen gij reeds op 17-jarigen leeftijd met een aria van Elvire (uit „La Muette”) te Haarlem lauweren oogstte” (Algemeen Handelsblad; 31-7-1899)

1850

Sophia van Hove maakte haar officiële debuut op 15 juni 1850 in Haarlem bij het Algemeen Muziekfeest van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst tijdens de Nederlandse première van ‘Elias’ van Felix Mendelssohn-Bartholdy, dat vier jaren eerder zijn wereldpremière had beleefd. Naast haar zongen onder anderen haar oudere zuster, de sopraan Jeanne Hekking-van Hove (geb. 1816), de alt Antoinette Alberdingk Thijm, de tenor Jan Andreas Tuyn en de bas J. van der Kun en het geheel stond onder muzikale leiding van Johannes Verhulst:

““een stuk zo volkomen … als wellicht in geen tiental en misschien in nog meer jaren weder aldus zal worden gehoord; ook niet, indien de meest gevierde zangeres, bv. eene Jenny Lind, eene Henriette Nissen – wij schromen niet zelfs deze namen te noemen – hier hare heerlijke kunstgaven ten gehoore mochten brengen. Men kan ja eene nog schonere , sterkere stem, een groteren omvang bezitten, maar het groote air “Höre Israel, höre des Herrn Stimme” wegsleepender, meer onbeschrijflijk, verrukkend schoon voor te dragen, dan dit door Mej. Sophia van Hove is geschied, achten wij eene onmogelijkheid en wij geloven, dat van de toehoorders al diegenen het met eens zullen wezen, wier harten kloppen voor wat schoon en edel is en die een warm gevoel bezitten voor kunst” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 15-07-1850)

Een maand later trad Sophia van Hove op 10 juli 1850 in het huwelijk met Ludovicus Bernardus Wilhelmus George Offermans (1824-1905), muziekleraar en violist in de Hofkapel en het orkest van de Koninklijke Fransche Opera te ‘s Gravenhage (Toegangsnummer: 0335-01/Inventarisnummer: 599).

Na hun huwelijksreis door België verbleef Sophie Offermans-van Hove nog enige tijd in Brussel, waar zij zich verder bekwaamde bij de violist Charles de Bériot, die haar de zangtechniek bijbracht van zijn overleden echtgenote Maria Malibran.

“Aan het huwelijksreisje naar België verbond men tevens een langdurig verblijf te Brussel, om eenige lessen te nemen bij Charles de Bériot, leeraar aan het conservatoire aldaar, die de jonge zangeresse met de wijze van zingen zijner overleden echtgenoote, de beroemde Malibran, bekend maakte” (Algemeen Handelsblad; 30-7-1899)

De Nederlandse componist Willem Nicolaï droeg zijn ‘VI Loverkens; Sechs altniederländische Lieder, op.12’ uit 1852 op aan Sophie Offermans (Catalogus.MuziekbibliotheekvandeOmroep.nl).

Sophie Offermans werkte op 6 december 1853 in Den Haag mee aan een uitvoering van het oratorium ‘Der Rose Pilgerfahrt’ van Robert Schumann. De Duitse componist was zelf aanwezig, zijn echtgenote Clara Schumann-Wieck speelde de pianopartij en het geheel stond onder leiding van dirigent Johann Lübeck:

“Roerend zong mevr. Offermans-van Hove het “Du arme Schwester, tief beklag!”, dat zoo heerlijk en liefelijk tusschen het schoone treurkoor uitkomt” (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 9-12-1853)

“Toen Robert Schumann in 1854 [sic] hier te lande vertoefde, was hij opgetogen over de wijze, waarop zij, de partij van de Roos in „Der Rose Pilgerfahrt” zong. Op het voorblad van het Klavieruittreksel dezer compositie hetwelk hij mevrouw Offermans-Van Hove ten geschenke bood, noemde hij haar in zijne opdracht: “Die liebliche Rose”” (Algemeen Handelsblad; 30-7-1899)

Een ander hoogtepunt in de carrière van Sophie Offermans was haar medewerking aan een concertreeks de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst van Rotterdam in 1854 gaf in het kader van haar 25-jarige bestaan. Dit werd gevierd met een driedaags muziekfeest onder leiding van de Johannes Verhulst, met beroemde solisten. Sophie Offermans zong op 13 juli in het oratorium ‘Israel in Egypte’ van Händel, op 14 juli in ‘Die Jahreszeiten’ van Haydn en op 15 Juli in de ‘145e Psalm’ van Verhulst, een concertaria van Verhulst en de Negende Symfonie van Beethoven (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 17-7-1854).

1855

Sophie Offermans gaf op 19 december 1855 een concert in Diligentia te Den Haag met “hedendaags” repertoire. Zij zong daar onder andere een aria uit de opera ‘Faust’ van Louis Spohr, ‘Variatien’ van Charles De Bériot en liederen van Willem Nicolaï (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 19-12-1855).

Ter gelegenheid van de 100ste geboortedag van Wolfgang Amadeus Mozart bracht het gezelschap Eruditio Musica tijdens een soirée op 31 januari 1856 de eerste akte van ‘Don Giovanni’. Daarin zong Sophie Offermans de partij van Donna Anna:

“De talentvolle mevrouw Offermans van Hove stond als Donna Anna aan het hoofd der solisten en vervulde natuurlijk die belangrijke partij, behoudens eene in sommige oogenblikken overdrevene en voor het effect schadelijke zucht tot krachtsontwikkeling, in vele opzigten loffelijk” (Rotterdamsche Courant; 11-2-1856)

Op 30 april 1956 werkte Sophie Offermans mee aan een afscheidsconcert van Henri Wieniawski in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag. Daar zong zij een aria uit ‘L’Elisir d’Amore’ van Donizetti en “Casta diva” uit ‘Norma’ van Bellini (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 29-4-1856).

In 1957 werd een medaillon van Sophie Offermans vervaardigd door de Belgische beeldhouwer Eugène Lacomblé, die in 1855 naar Nederland was gekomen:

“Men verneemt, dat de heer Eugène Lacomblé, dezelfde, die het zoo gelijkende afbeeldsel van den beroemden violist Wieniawski heeft vervaardigd, eene buste in groot medaillon onderhanden heeft van Mevr. Offermans-van Hove. Dit afbeeldsel van de begaafde zangeres, wordt zoowel om de gelijkenis als de sierlijke behandeling zeer geroemd. De inteekenlijsten daarvan liggen alhier, even als te Amsterdam en Rotterdam, bij de voornaamste muzijkhandelaren, bij wie eerstdaags eene proef zal kunnen worden bezigtigd van dit nieuwe uitmuntende werk van den heer Lacomblé” (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 12-2-1857)

Opera-aria’s bracht Sophie Offermans vaker tijdens concerten. Zo zong zij in maart 1957 in Felix Meritis te Amsterdam een aria uit ‘Fidelio’ van Beethoven de “Bolero” uit ‘Les Vêpres Siciliennes’ van Verdi:

“bijval voor Mw. Offermans van Hove een aria uit Beethoven’s Fidelio, een Bolero uit Verdi’s Vêpres Siciliennes […] werd met bravogejuich teruggeroepen” (Algemeen Handelsblad; 23-3-1857)

Eind maart 1858 trad Sophie Offermans op in Brussel:

“Men verneemt, dat aan de Nederlandsche zangeres, Mw. Offermans van Hove.de onderscheiding is te beurt gevallen, dat zij door het bestuur der “Association des Artistes” te Brussel, is uitgenoodigd, zich in het laatst dezer maand aldaar te doen hooren, en wel op een concert, dat met een liefdadig doel zal worden uitgevoerd” (Algemeen Handelsblad; 12-3-1858)

Sophie Offermans werd in 1958 benoemd tot erelid van de Maatschappij de Toekomst voor haar medewerking aan de zogenaamde “toekomstconcerten”:

“Men verneemt, dat aan de begaafde zangeres, mevr. Offermans van Hove het diploma van eerelid der maatschappij de Toekomst door het bestuur is aangeboden, uit dankbaarheid voor de vele diensten, die zij der Maatschappij door hare uitstekende talenten heeft bewezen” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 22-4-1858)

1860

Een ander hoogtepunt in de carrière van Sophie Offermans was haar optreden tijdens het meerdaagse muziekfeest van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst van Arnhem. Hier zong zij op 9 augustus 1860 de sopraanpartij in ‘Samson’ van Händel:

“Mevrouw Offermans handhaafde haren welgevestigden roem. Zij zong voortreffelijk en drong geheel door in den geest van den grooten meester. Wanneer zij, als Dalila, Samson wederom tracht te verleiden, en tot hem zegt:
“Mit Klagelaut und Liebesgirren
Der Taube gleich, die blieb allein,
So nah, ich dir”
werd men als medegesleept door haren bezielden zang; het was alsof men werkelijk de duif eenzaam hoorde treuren. Ik wil niets van den roem der andere artisten afdingen , die zich allen met lof van hunne taak kweten, maar Mevrouw Offermans blijft werkelijk onovertroffen” (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 11-8-1860)

Een dag later was zij te bewonderen in de sopraansoli van de Tweede Symfonie (‘Lobgesangsymphonie’) van Mendelssohn en de cantate ‘Lorelei’, op.70 van Ferdinand Hiller:

“In de Loreley was Mevrouw Offermans nooit volprezen” (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 12-8-1860)

“Heerlijk schitterde hierbij het talent onzer sopraan, mevrouw Offermans van Hove, die in dit stuk eene alles behalve ligte taak had; hare solo’s waren wegslepend en gaven geheel het karakter van Loreley terug; door het vibreren harer stem en de krachtige sforzando’s bragt zij een geheel eigenaardigen indruk te weeg; zij maakte de sage aanschouwelijk” (Algemeen Handelsblad; 13-8-1860)

Sophie Offermans werkte op 4 februari 1863 mee aan de wereldpremière van het oratorium ‘Die Auferstehung’ van de componist Gustaaf Adolf Heinze (1821-1904) in de concertzaal Het Park te Amsterdam. De sopraanpartij van Maria Magdalena had Heinze speciaal voor haar geschreven en Willem Deckers zong de baritonpartij:

“Vooral de Dames Offermans-van Hove (Maria Magdalena), Wattiau (de Engel), de Heeren Deckers uit ’s Hertogenbosch (baryton), Kuster (tenor) en Zweers (bas) werden toegejuicht” (Algemeen Handelsblad; 10-2-1863)

1865

Sophie Offermans-van Hove trad tevens op in diverse andere Europese steden, waaronder Antwerpen:

“Uit Antwerpen schrijft men, dat aldaar Woensdag avond de inwijding van de nieuwe concertzaal heeft plaats gehad, door het geven van een vocaal en instrumentaal concert. Men had als soliste daarvoor uitgenoodigd onze Nederlandsche zangereres, mevr. Offermans van Hove, die in die stad thans voor de vierde maal optrad. Zij heeft er weder uitbundigen lof ingeoogst, en de eer van de Nederlandsche kunst op schitterende wijze gehandhaafd” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 18-2-1865)

Bij het Nederlandse Koninklijk Huis was de Sophie Offermans eveneens zeer gevierd. Zij ontving dikwijls uitnodigingen om in intieme kring te concerteren op Huis ten Bosch, waar Koningin Sophie – gescheiden van haar echtgenoot koning Willem III – in de zomermaanden verbleef. De Koningin gaf blijk van ingenomenheid met de Nederlandse toonkunst door Sophie Offermans de titel van “Hoogstderzelver Hofzangeres” te verlenen:

“Nu de vele toejuichingen, welke mevr. Offermans bij haar jongste concert van de zijde van het publiek ten deel vielen, op zoo verrassende wijze, door dit bewijs van Koninklijke waardering, worden bekroond, zal de indruk van dien avond, voor de talentvolle vrouw in waarheid een feestavond te heeten, nog maar te meer onvergetelijk voor haar blijven” (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 1-12-1866)

In maart 1968 trad Sophie Offermans op in Bordeaux:

“Met de meeste belangstelling hebben wij kennis genomen van de zeer vereerende wijze, waarop zoowel in het veel gezaghebbend Fransch weekblad la Presse musicale, als in het dagblad la Gironde van Bordeaux, melding gemaakt wordt van onze verdienstelijke stadgenoote, mevrouw Offermans-van Hove, die zich heeft doen hooren op een concert van den Cercle philharmonique te Bordeaux, waartoe hare medewerking was verzocht. De Presse musicale getuigt van onze talentvolle cantatrice, dat hare gaven door de ware kunstenaars teregt op hoogen prijs worden gesteld; terwijl la Gironde aan mevrouw Offermans de welverdiende hulde toebrengt, dat zij eene schoone stem en eene uitmuntende methode bezit, die men niet genoeg kan waarderen. De variatiën van Bériot en van Rode wist mevrouw van Hove met het meeste talent te vertolken en het schoone aria uit ‘Samson’ van Handel werd door haar met zeer veel gevoel gezongen. Mevrouw Offermans-van Hove is eene uitstekende artiste, verzekert de Gironde, en bij die uitspraak sluiten wij ons gaarne aan en zeker allen, die met ons het voorregt hebben gehad de begaafde zangeres meermalen te mogen bewonderen” (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage; 15-4-1868)

1875

Sophie Offermans vierde op 10 juli 1875 haar zilveren huwelijk én tevens het zilveren feest van haar optreden als zangeres. Ten tijde van dit feest zou zij reeds negen of tien kinderen hebben gekregen:

“Niet iedere vrouw is eene kunstenaresse die uit den aard der zaak slechts één oog op ‘t huishouden en ’t andere of hare kunst houden kan. En zelfs dán nog vindt men uitzonderingen. Onlangs b.v. wilde eene bekende van mevrouw Offermans-van Hove haar een bezoek brengen, en vond deze moeder van negen of tien kinderen aan het strijken, vroolijk en beminnelijk als Mimi Pinson van De Musset, roulades zingende en eene partitie bestudeerende. Ook in de kunstwereld behoeft dus de artiste, indien zij met overleg en orde te werk gaat, de huisvrouw niet te verdringen.
Mevrouw Offermans-van Hove, de alom bekende zangeresse, viert aanstaanden Woensdag hare zilveren bruiloft en tevens het zilveren feest van haar optreden als zangeres.
Vijf-en-twintig jaar lang heeft haar nachtegaalstem ons in verrukking gebracht, heeft haar innig fijn gevoel ons de liederen van Schumann en Schubert, de scheppingen van Beethoven en zoo vele anderen in al hunne schakeeringen vertolkt. De beminnelijke zangeresse is nu eene vrouw van tweemaal drie-en-twintig, en steeds kweelt zij onvermoeid, met bewonderenswaardige frischheid, voort. Geene stad van eenige beteekenis in ons land, waar mevrouw Offermans haar gehoor niet in verrukking gebracht en de lokale beroemdheden wanhopig gemaakt heeft. Overal werd hare komst, haar zang als een evenement beschouwd en zijn er allerlei aangename herinneringen aan haar optreden verbonden gebleven. Toch is mevrouw Offermans, ondanks al de huldeblijken, dat vergoden harer liefelijke persoonlijkheid, eene eenvoudige degelijke huisvrouw gebleven, die, eenmaal van het met bloemen bestrooid orkest in de huiskamer teruggekeerd, daarvan con amore de plichten vervult.
Wanneer zulk eene buitengemeen begaafde vrouw met haar echtgenoot en kinderen ‘t zilveren huwelijksfeest viert, mag het land, dat dit keurig talent bezit, wel juichen, en dient vooral de stad harer inwoning niet karig met huldeblijken te wezen. In het buitenland zou men zulk een feest met erkentelijkheid en bijzonderen glans vieren” (Algemeen Handelsblad; 11-7-1875)

Koningin Sophie overleed op 3 juni 1877 op 58-jarige leeftijd. Koning Willem III hertrouwde twee jaren later de 41-jarige Emma, Prinses van Waldeck en Pyrmont. Op 7 januari 1879 trouwden zij in haar geboorteplaats Arolsen. Ter gelegenheid van hun huwelijksfeest trad de 49-jarige Sophie Offermans op 1 mei 1879 op in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen te Den Haag:

“Een koor van 250 zangers en zangeressen, de laatste allen in ’t wit gekleed, zong eenige coupletten van het volkslied, met een solo-couplet door mevr. Offermans; daarna Händel’s “Hallelujah” en het slot van de cantate, door Lübeck gecomponeerd bij gelegenheid van het Oranjefeest” (Bataviaasch Handelsblad; 14-6-1879)

Dit zou het laatste publieke optreden van Sophie Offermans zijn geweest. Haar kinderrijke gezin noopten haar het concertpodium in 1879 op 49-jarige leeftijd vaarwel te zeggen. Daarna gaf zij nog wel uitvoeringen in huiselijke kring:

“Haar grooter wordende huishouding nam langzamerhand al haar tijd in beslag; zoo bedankte zij meer en meer voor alle engagementen” (Haagsche Courant; 26-9-1906)

1895

Sophie Offermans werd op zondag 30 juli 1899 – een dag voor haar 70e verjaardag – onderscheiden tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau:

“Met bloemen bestrooid door lieftallige kleinen, toegezongen door een schaar van jeugdige zangeressen, zoo trad mevr. Sophia Offermans-Van Hove heden Zondagmiddag, aan de zijde van haar echtgenoot en begeleid door hare naaste familieleden de voorzaal van Diligentia binnen om de hulde in ontvangst te nemen haar bij gelegenheid van haar 70en verjaardag toegedacht” (Algemeen Handelsblad; 31-7-1899)

1905

Sophie Offermans overleed op 23 september 1906 om 11.00 uur te Laren in het huis van haar zoon Tony Offermans, waar zij reeds enige tijd werd verzorgd (Toegangsnummer: 0335-01/Inventarisnummer:1439):

“Ten huize van haar zoon, den schilder Tony Offermans, te Laren, waar zij al geruimen tijd verpleegd werd, is mevr. S. Offermans-Van Hove, op 77-jarigen leeftijd overleden. Jongeren van dagen hebben haar niet gekend, want in 1879 trad zij voor de laatste maal in het publiek op” (Arnhemsche Courant; 25-9-1906)

“Zij stierf gisterenavond 11 uur. Het jongere geslacht heeft mevr. Offermans niet meer gekend, want vroeg, al te vroeg trok zij zich terug uit het openbare leven en ook als onderwijzeres. Zij, die haar in haar kracht hoorden, zullen zich haar herinneren niet alleen als onze eerste zangeres, maar als eender beste zangeressen van haar tijd, door de zeldzame schoonheid van haar stem, haar eminente zang. kunst, haar stijlvolle en warme voordracht. Haar glanstijd valt samen met dien van Verhulst, Nicolai, Hol, wier werken zij creëerde en wier liederen zij steeds op haar repertoire hield” (Het Vaderland; 24-9-1906)

“Zij was Ridder van de Oranje Nassau orde, eerelid van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst, van de maatschappij de Toekomst, van de vereeniging Diligentia, van de Nationale Handwerkschool te ‘s-Gravenhage, van het studenten-concert Apollo te Delft van Sempre Crescendo te Leiden van het Stadsmuziekcollege en het Studenten-concert te Utrecht en van den Cercle Artistique pour la Belgique te Antwerpen” (Bataviaasch Nieuwsblad; 20-10-1906)

Sophie Offermans werd vier dagen later op 27 september 1906 begraven op de Rooms Katholieke begraafplaats te ‘s-Gravenhage in de familiegrafkelder:

“Het stoffelijk overschot van Mevr. Offermans-Van Hove, hofzangeres van wijlen Koningin Sophie, is Donderdag voormiddag van uit Laren naar Den Haag overgebracht en op de R. K. begraafplaats in ’t familiegraf bijgezet” (De Maasbode; 29-9-1906)

Reportage