NEDERLANDSE PREMIÈRE: Wagner – Die Walküre

In de serie ‘Nederlandse premières’ worden de eerste opvoeringen van opera’s in Nederland belicht. In deel 27: ‘Die Walküre’ van Richard Wagner.

De wereldpremière van ‘Die Walküre’ van Richard Wagner (1813-1883) was op 26 juni 1870 in het Königliche Hof- und Nationaltheater van München en de eerste uitvoering van de opera als onderdeel van ‘Der Ring des Nibelungen’ was op 14 augustus 1876 in het Festspielhaus van Bayreuth. De Nederlandse première van het werk was op woensdag 17 april 1878 om 19.30 uur in Rotterdam door het Hoogduitsch operagezelschap van directeur Jean Pfläging (Rotterdamsch Nieuwsblad; 17-4-1878).

Rotterdam was waarschijnlijk – na München, Bayreuth, Wenen en New York – de vijfde stad ter wereld waar ‘Die Walküre’ werd gespeeld. Een uitvoering overigens die – net als alle andere opera’s van Wagner en net als in alle andere steden – behoorlijk qua lengte was teruggesnoeid (Meurs – Wagner in Nederland; Zutphen: Walburg Pers, 2002).

De Duitse bas-bariton Emil Fischer (1838-1914) vertolkte Wotan. Van 1875 tot 1880 was hij geëngageerd aan de Hoogduitsche Opera in Rotterdam, waar hij in 1870 ook al een jaar aan verbonden was geweest. Op 23 november 1885 zou hij zijn debuut maken aan de Metropolitan Opera van New York met Lohengrin en een week later zong hij tijdens zijn tweede optreden in de Met al de ‘Walküre’-Wotan. Fischer zou in de Met tot en met 1891 in maar liefst 375 voorstellingen optreden.

“en eindelijk de hr. Fischer als Wotan. Hem noemen wij het laatst, omdat het ons voorkwam dat hij niet met die warmte en ingenomenheid bezield was, die wij bij andere gelegenheden in hem hadden te prijzen. Het is waar zijn partij is niet de gemakkelijkste en de lange dialoog eerst met Fricka later met Brünnhilde is niet wat men „dankbaar” noemt (en ze zijn dan ook bij latere voorstellingen zéér besnoeid); maar een kunstenaar als Fischer had door actie en wat meer gloed in de voordracht kunnen verhoeden, dat men de „longueurs”, waaronder het tweede bedrijf ontegenzeglijk te lijden heeft, zóo gevoelde en opmerkte als thans het geval was” (Caecilia jrg 35, 1878 pag 108)

De Duitse mezzosopraan Louise Jaide (1842-1914) zong Brünnhilde. Richard Wagner had haar in 1872 in Darmstadt gehoord en was zo onder de indruk, dat hij haar uitnodigde voor de eerste Bayreuther Festspiele in 1876. Daar zong zij Erda in ‘Das Rheingold’ en in de wereldpremière van ‘Siegfried’ en Waltraute in ‘Die Walküre’ en de oeropvoering van ‘Götterdämmerung’ in de eerste uitvoering van ‘Der Ring des Nibelungen’. Daarna was zij van 1878 tot 1888 aan Rotterdamse Opera verbonden.

De Weense tenor Ferdinand Groß (1835-1909) was Siegmund. Hij had al in 1872 in Rotterdam opgetreden, was tussen 1873 en 1876 in Frankfurt am Main geëngageerd en keerde daarna terug naar Rotterdam. De Joods-Oostenrijkse bas Jacques Pohl (Jakob Pollak, 1850-1926) was Hunding en de dames Marie Beihl en mej. Arnaud zongen respectievelijk Sieglinde en Fricka:

“In de allereerste plaats mogen wel de heer Gross en mevr. Jaide (Siegmund en Brünnhilde) worden genoemd, die in alle opzichten beantwoordden aan de eischen die Wagner aan zijn zangers stelt; dan volgen mej. Beihl, die een zeer verdienstlijke Sieglinde mag worden genoemd, de hr. Pohl als Hunding, mej. Arnaud als Fricka” (Caecilia jrg 35, 1878 pag 108)

De muzikale leiding was in handen van de Weense dirigent en componist Adolf Müller jr. (1839-1901), zoon van de componist Adolf Müller senior. Müller was net als zijn vader Kapellmeister van het Theater an der Wien en componeerde vooral operettes. Zijn bewerking van de operette ‘Wiener Blut’ (1899) van  Johann Strauss  jr. wordt nog dikwijls uitgevoerd. Müllers meest succesvolle operette ‘Der Millionenonkel’ (1892) werd in 1913 verfilmd door Hubert Marischka met Marischka zelf als Graf Waldersberg en Alexander Girardi als Pufferl-Valentin. Tevens is zijn operette ‘Des Teufels Weib’ uit 1890 op tekst van Theodor Herzl het vermelden waard.

“den buitengewonen ijver en de zorgen aan het instudeeren besteed en waarvoor wij onzen voortreflijken en talentvollen kapelmeester Adolf Müller niet genoeg kunnen danken. Hij heeft het initiatief genomen tot de uitvoering van Die Walküre” (Caecilia jrg 35, 1878 pag 108)

Nieuwe Reportage, Reportage