RECENSIE: Händel – Rodelinda

****
© Monika Rittershaus
Frankfurt, 8 juni 2019

Jeugdtraumata in Händels ‘Rodelinda’

Operapersonages kunnen aardig wat jeugdtraumata bij hun kinderen veroorzaken. Een Händel-operafamilie is zo’n onveilige thuissituatie, waarin een kind blootgesteld wordt aan bedrog, woede, jaloezie, haat, geweld, machtswellust, verraad en zelfs dood. Regisseur Claus Guth toont deze geestelijke kindermishandeling in zijn enscenering van ‘Rodelinda’ en het werkt wonderwel.

De jonge Flavio krijgt aardig wat voor zijn kiezen in de opera ‘Rodelinda’ van Georg Friedrich Händel (1685-1759). Hij is getuige van de moord op zijn oom door zijn vader Bertarido, waant vervolgens zijn vader overleden, ziet hem terugkeren uit de dood, verneemt dat hij toch weer gestorven is en moet zelfs horen dat zijn moeder Rodelinda hem – haar eigen zoon – wil laten vermoorden om haar eer te redden. Belevingen genoeg dus voor levenslange psychotherapie.

Ter verduidelijking: Om Flavio en Rodelinda te beschermen houdt Bertarido zich schuil en wendt voor gestorven te zijn. Zijn vijand Grimoaldo wil Rodelinda daarop tot echtgenote maken. Om dit te verhinderen maakt Bertarido zich bekend, wordt echter gevangen genomen en uiteindelijk door zijn vriend Unulfo bevrijd om even later Grimoaldo van diens verraderlijke vertrouweling Garibaldo te kunnen redden.

De Duitse regisseur Claus Guth (1964) toont opera’s graag vanuit een denkbeeldige waanwereld en zijn enscenering van ‘Rodelinda’ bij de Oper Frankfurt openbaart de jeugdtraumata van zoon Flavio door diens zwijgende rol tot middelpunt te maken. De productie ging in 2017 in Madrid in première, kwam via Lyon en Barcelona naar de Frankfurt en zal in 2020 in Amsterdam worden opgevoerd. Guth vertelt alles uit het oogpunt van het kind en dat werkt wonderwel.

De verwaarloosde Flavio reageert driftig en levendig op de gebeurtenissen en verwerkt de traumata door het maken van kindertekeningen, die geprojecteerd worden. Levende geesten met monsterhoofden – als dubbelgangers van de andere personages – kwellen de kleine jongen en zijn schijnbaar alleen voor hem zichtbaar. De parallelle uitingen van Flavio tijdens de aria’s zorgen echter soms voor teveel afleiding en de ideeën en taferelen draaien vaak op dezelfde situatie uit, waardoor verveling optreedt.

Het decor van ontwerper Christian Schmidt presenteert een Georgiaanse villa, aangezien George I ten tijde van ‘Rodelinda’ (1725, Londen) de koning van Engeland was. Via een draaitoneel – typerend voor het oeuvre van Guth – wordt nu eens de buitenzijde, dan weer het interieur van de villa getoond. Hierin positioneert Guth de personages stijlvol. Schmidt ontwierp ook de kostuums – zwarte en witte avondkleding – die uitstekend passen bij de personages en de muziek.

De Britse sopraan Lucy Crowe zong de titelheldin al in Madrid en zal de rol ook in 2020 in Amsterdam vertolken. Zij is een statige koningin, heeft een grote stem en ronde hoogte. Zij zet hoog in het middenregister breed aan, waardoor de overgang naar het kopregister niet altijd even vloeiend verloopt.

Er is geen betere vertolker van Bertarido denkbaar dan Andreas Scholl. De Duitse countertenor maakte in deze rol zijn operadebuut in 1998 in Glyndebourne en hij zong de partij tevens in The Metropolitan Opera van New York. Eerder was Scholl in Frankfurt te gast in de titelrol van ‘Giulio Cesare’. Zijn toneelaanwezigheid is indrukwekkend en hij steekt boven alle anderen uit. Voor de pauze klonk zijn vertolking vermoeid en miste hij glans, maar daarna was zijn stem open, groot en egaal als altijd.

De Poolse countertenor Jakub Józef Orliński was in Frankfurt eerder al te bewonderen in de titelrol van ‘Rinaldo’. Ook hij zong na de pauze beter met beweeglijke stem en gewaagde coloraturen, ook al wenst men nog meer projectie van zijn stem in een groot operahuis. Orliński is een fantastisch acteur en zet Unulfo geestig neer met ironische trekken en zelfspot à la Charlie Chaplin. De breakdance bewegingen in de finale waren overbodig.

De Oostenrijkse tenor Martin Mitterrutzner geeft prima karakter aan de ambivalente Grimoaldo – één van Händels weinige grote operarollen voor tenor – en zingt de coloraturen vloeiend. De Kroatische bas Božidar Smiljanić is een duistere Garibaldo en voert zijn aria’s met lastige intervalsprongen goed uit. De Duitse alt Katharina Magiera als Eduige zong vaak ongesteund waardoor de laatste noten van de fasen wegvielen en de hoogte onzeker was. Flavio wordt door de Colombiaanse acteur en “kleine mens” Fabián Augusto Gómez Bohórquez uiterst intensief en overtuigend gespeeld.

De Italiaanse dirigent Andrea Marcon leidt een kleine bezetting van het Frankfurter Opern- und Museumsorchester met gespecialiseerde gasten op oude instrumenten in een historisch geïnformeerde lezing. Het continuo bestaat uit twee cembali (waarvan één door Marcon bespeeld), cello, luit en barokgitaar. Marcon biedt een genuanceerd en kleurrijk spel met prachtige, diverse lichtschakeringen, waaruit instrumenten af en toe solistisch opstijgen om vervolgens weer te fuseren tot ensemble.

De pauze viel middenin de tweede akte en dat is jammer, want daardoor wordt de structuur van Händels drieakter – met voorstelling, ontwikkeling en uitwerking – helaas teniet gedaan. Zal men in januari 2020 in Amsterdam wel voor twee kleine pauzes kiezen? Waarschijnlijk niet…

Buitenlandse Recensies, Nieuwe Recensie