RECENSIE: Wagner – Das Rheingold

***
© Karl und Monika Forster
Gelsenkirchen, 24 mei 2019

Bastiaan Everink maakt machtig roldebuut als Wotan in ‘Das Rheingold’

Het Musiktheater im Revier van de Duitse stad Gelsenkirchen voert een nieuwe productie van ‘Das Rheingold’ op, losstaand en niet als vooravond van Wagners driedaagse ‘Der Ring des Nibelungen’. De Nederlandse heldenbariton Bastiaan Everink maakt hierin een indrukwekkend roldebuut als Wotan.

Het voorspel van ‘Das Rheingold’ van Richard Wagner (1813-1883) in het Musiktheater im Revier (MiR) te Gelsenkirchen neemt de toeschouwer mee naar de luxetrein Rheingold, die vanaf 1928 tussen Nederland en Zwitserland reed. Intendant van het MiR en regisseur Michael Schulz en decorontwerpster Heike Scheele zetten hier hun nieuwe productie op de rails. In het restauratierijtuig staan de paaldansende Rheintöchter achter de bar en bewaken het Rijngoud. Bele Kumberger als Woglinde, Lina Hoffmann als Wellgunde en Nohad Becker als Flosshildezingen harmonischen helder.

Om onduidelijke beweegreden drinkt hier de oppergod Wotan wijn met de Nibelungen dwerg Alberich. Het oog van Alberich valt op het Rijngoud en wanneer de meisjes hem het geheim van dit goud verklappen – degene die de liefde afzweert en eruit een ring kan smeden, verwerft de heerschappij over de wereld – zweert de dwerg daarop de liefde af en steelt hij – hier overigens nogal stuntelig – het goud. Urban Malmberg zingt de partij van Alberich als een soort Sprechgesang; in de eerste scène nog met volle bariton, in de derde en vierde scène echter teveel met musicaltonen. Zijn Alberich is stekelig, maar nooit dreigend.

De handeling van de tweede scène verplaatst zich naar de eersteklas coupé, waar Wotan en zijn schoonfamilie verblijven. De Nederlandse bariton Bastiaan Everink maakt hier een machtig roldebuut als Wotan. Vocaal met schijnbaar gemak en groots overwicht en met verheven fysieke aanwezigheid zet hij een indrukwekkende oppergod neer. Zijn egale heldenbariton, heldere dictie en brede hoogte – niemand anders dan wijlen zijn leraar James McCray kon dat onderwijzen – maken Bastiaan Everink superieur voor dit Wagnervak.

De trein komt aan op eindstation Walhall, de burcht die de reuzen Fasolt en Fafner voor de goden bouwden. De altijd heldere en stemvaste bas van Joachim Gabriel Maaß als Fasolt en de volle, donkere bas van Michael Heine als Fafner zingen hun partij in eerste instantie off-stage. Dit is een anticlimax en bij hun opkomst is de muzikale omvangrijkheid dan ook verdwenen. Wotans echtgenote Fricka is bang dat deze reuzen haar zuster Freia als onderpand voor hun loon meenemen. Almuth Herbst als Fricka zingt niet met de karakteristieke klank van een mezzo en heeft voor Wagner helaas niet het brede middenregister en dramatische geluid.

De reuzen eisen Freia – Petra Schmidt helder, jong en glanzend – zoals hen beloofd is als hun loon. Haar broers Froh (de belcantotenor Khanyiso Gwenxane in het verkeerde stemvak) en Donner (een solide Zhive Kremshovski) trachten haar uit hun handen te bevrijden, maar Wotan houdt zijn zwagers tegen. Hij vertrouwt op de vuurgod Loge, wiens partij door de tenor Cornel Frey met prachtige fraseringen en enorme acteervreugde wordt vertolkt. Loge verklaart met de ring, die Alberich uit het Rheingold smeedde, iets gelijkwaardigs voor Freia te hebben gevonden en de reuzen gelasten Wotan hen dit goud te bezorgen. Zij voeren Freia op een tamelijk kluchtige wijze weer weg en omdat de goden nog niet van haar appels – die hen eeuwige jeugd verschaft – hadden gegeten, verouderen de opperwezens plotsklaps. Schulz schetst dit echter niet als een verouderingsproces, maar als een soort collectieve migraineaanval.

Helaas trekt Schulz de lijn van de eerste twee akten niet door naar de laatste twee. De luxetrein maakt plaats voor een leeg toneel Nibelheim met projectie op de achterwand. Alberich voert hier een schikbewind over de andere Nibelungen inclusief zijn broer Mime (tenor Tobias Glagau met teveel musicaltonen). Alberich kan zich met behulp van de uit het goud gesmede Tarnhelm onzichtbaar maken. Hier geen helm, maar een gouden doek (gebietst van Tankred Dorst in Bayreuth) en Alberichs onzichtbaarheid wordt nogal klungelig gedaan. Vervolgens komen Wotan en Loge met een lorrie in Nibelheim aan. Als Alberich zich op hun verzoek eerst in een slang (een knullige aluminium buis) en vervolgens in een pad (een sullig, stoffen beest) verandert, kunnen zij de dwerg met zijn goud ontvoeren naar hun rijk in de bergen.

Eveneens onbeholpen is de verschijning van de aardgodin-oermoeder Erda in de laatste scène vanwege de dubbelrol van Almuth Schmidt. Is Fricka hier tevens Erda? Door haar waarschuwing geschrokken staat Wotan de ring aan de reuzen af en meteen wordt de Alberichs vloek op de ring duidelijk wanneer Fafner zijn broer Fasolt vermoord en met het Rheingold vertrekt. Uiteindelijk is de intocht van de goden in Walhall een staatsceremonie met doorknippen van een lint en ten slotte is er nog een zedenprekerige finale als de Rheintöchter een doek met ‘Ihr hattet die Wahl’ aan het publiek tonen.

Een klungelige, knullige, sullige en onbeholpen enscenering, maar groot applaus voor de gastsolisten en dirigent. Ook de Italiaanse dirigent Giuliano Betta benadert Wagner als belcanto en slaagt daarmee menigmaal. Hij houdt de Neue Philharmonie Westfalen slank tijdens de vocale momenten, maar motieven en thema’s verschijnen daardoor soms niet aan de oppervlakte. Daarentegen pakt hij bij de intermezzi indrukwekkend uit, zoals in het voorspel tot de derde scène met de acht (!) aambeelden. Betta neemt snelle tempi en rondt ‘Das Rheingold’ af in minder dan twee en half uur.

Buitenlandse Recensies, Nieuwe Recensie