RECENSIE: Lehár – Das Land des Lächelns

****
© Björn Hickmann
Dortmund, 18 januari 2019

Nostalgische groet uit een voorbij tijdperk

Operettes worden door Nederlandse operagezelschappen stelselmatig genegeerd. Voor de laatste operettevoorstellingen bij DNO en de Reisopera dient men alweer 10 c.q. 15 jaar terug te gaan – allebei ‘Die Fledermaus’ – en er is dan ook een hele generatie Nederlanders die nog nooit een operette heeft gezien. De liefhebber moet voor operettes derhalve over de landsgrenzen kijken.

In Duitsland kan men ‘Das Land des Lächelns’ van Franz Lehár (1870-1948) dit seizoen in vier verschillende ensceneringen zien. De nieuwe productie van het Theater Dortmund wordt tussen januari en juni 2019 opgevoerd en de voorstelling is optisch en muzikaal van grote schoonheid. De enscenering is in handen van de Weense operette-regisseur Thomas Enzinger, die inmiddels onder andere ‘Im weißen Rößl’, ‘Gräfin Mariza’, ‘Die Zirkusprinzessin’, ‘Die Blume von Hawaii’ (Dortmund, 2017) en ‘Die lustige Witwe’ op het toneel heeft gezet. Enzinger zet warmhartig en met grote toewijding het verhaal van ‘Das Land des Lächelns’ van librettisten Ludwig Herzer en Fritz Löhner-Beda uiteen.

Herzer en Löhner hadden eerder al het libretto voor Lehárs succesvolle operette ‘Friederike’ (1928) geschreven en Löhner zou later nog waardering krijgen met ‘Schön ist die Welt’ en ‘Giuditta’ van Lehár en ‘Ball im Savoy’, ‘Viktoria und ihr Husar’ en ‘Die Blume von Hawaii’ van Paul Abraham, voordat Löhner in 1942 in Auschwitz werd vermoord. Het libretto van ‘Das Land des Lächelns’ was een revisie van Lehárs ‘Die gelbe Jacke’ (1923), dat vanwege het zwakke literaire en muzikale scenario geen hit was. Het happy end van het verhaal over de hopeloze liefde tussen de Chinese prins Sou-Chong en de Weense gravin Lisa was ongeloofwaardig en de zestien maten van het latere Tauberlied kwamen te laat in de operette voor. ‘Das Land des Lächelns’ – zonder happy end – was echter vanaf de wereldpremière op 10 oktober 1929 in Berlijn Lehárs grootste triomf sinds ‘Die lustige Witwe’ (1905).

In het Theater Dortmund – op de plek waar de toenmalige synagoge in 1938 werd vernietigd – schetst de Duitse ontwerper TOTO de sfeer van ‘Das Land des Lächelns’ schitterend met een prachtig decor en flamboyante kostuums. Het draaitoneel wordt effectief gebruikt en fungeert in de eerste akte eerst als Weense villa en vervolgens als Chinees paleis. De clichés zijn heerlijk operette; in Wenen de kroonluchters, paardenbeelden en aan weerszijden een gebogen trap en in China de strohoedjes, drakenvaandels, lampions, parapluutjes, een reusachtige gong en aan weerszijden steile trappen.

Thomas Enzinger brengt gang en tragiek aan zonder te overdrijven. De gesproken teksten duren niet te lang en er is een uitstekende verhouding tussen de dialogen en de muziek. Enzinger laat gedoseerd dansende dubbelgangers van Sou-Chong en Lisa de onuitgesproken gevoelens van de Chinese prins en het Weense gravin uitbeelden. Dit alles wordt opgesmukt met geestige en smaakvolle details. Zo brengt Lisa’s jeugdvriend Graaf Gustl een Sachertorte voor Lisa uit Wenen mee naar China.

Het operettepaar Sou-Chong en Lisa is ideaal bezet. De Weense tenor Martin Piskorski hoorde men in Amsterdam als Ein junger Seemann in ‘Tristan und Isolde’ en zong al in de Scala Tamino in ‘Die Zauberflöte’. Hij is een groot talent. Zijn tenor heeft in het borstregister een eerlijk, open geluid, tonen à la Pavarotti en een mooi slank en ingetogen gehouden kopregister. Hij geeft Prinz Sou-Chong goed profiel met een voortreffelijke tekstuitbeelding en Schmalz. Helaas zong hij met jeugdige bevolgenheid in het Tauberlied “Dein ist mein ganzes Herz” de finale in één adem, waardoor de steun wegviel en de belangrijke hoge As mislukte.

De Duitse sopraan Irina Simmes portretteert de ambivalente Lisa voorbeeldig met verstaanbare soubrette en stralende hoogte. Het buffopaar wordt prima vertolkt door de Zuid-Koreaanse sopraan Anna Sohn als een charmante Prinz Sou-Chongs zuster Mi en de Oostenrijkse karaktertenor Fritz Steinbacher als Lisa’s jeugdvriend Graf Gustl von Pottenstein.

Dortmunds Generalmusik Direktor Gabriel Feltz houdt te allen tijde rekening met de zangers. De Dortmunder Philharmoniker zorgt voor treffende versnellingen en vertragingen van de Weense walsen gemengd met Oostelijke klanken en precieze ritmische accenten. Opvallend het grote slagwerk met pauken, trommels, bekken, tam-tam en klokkenspel en de contrasterende, zijden toon van strijkers, harp en celesta.

Helaas vormt operette tegenwoordig een vrijbrief voor productieteams om te rommelen met haar muziek en ook in Dortmund kan men jammer genoeg de operette niet integraal en ongewijzigd laten. Lisa’s Lied “Ich möcht’ wieder einmal die Heimat sehn” is van de tweede akte verplaatst naar het begin van de derde akte en wordt in plaats van haar geschrapte Lied “Märchen vom Glück’ gezongen.

‘Das Land des Lächelns’ is een kort werk van twee maal een uur. De pauze is in Dortmund goed geplaatst na de eerste akte en de boventiteling tijdens de zang is comfortabel. Een productie met een nostalgische groet uit een ver voorbij operettetijdperk.

Buitenlandse Recensies, Nieuwe Recensie