REPORTAGE: Operaregisseur Jan Bouws: deel 2

De Nederlandse operaregisseur Jan Bouws ensceneerde gedurende zijn loopbaan ruim 200 opera’s, waaronder talrijke Nederlandse premières. Daarnaast deed hij vele herinstuderingen voor De Nederlandse Opera. Voor de Opera Studio produceerde hij maar liefst 43 opera’s. Een eerbetoon aan deze meest veelzijdige en productieve operaregisseur die Nederland ooit heeft gekend.

 

1971

Hans de Roo werd per 1 september 1971 benoemd tot algemeen directeur van De Nederlandse Operastichting (DNOS) (NRC Handelsblad; 22-10-1970).

De Roo zou buitenlandse regisseurs als Götz Friedrich, Harry Kupfer, Robert Wilson, Tito Capobianco, Lotfi Mansouri, Peter Sellars en Rhoda Levine hun stempel laten drukken op de producties. Dirigenten als Hans Vonk en Edo de Waart traden steeds meer op de voorgrond naast regelmatig uit het buitenland terugkerende dirigenten als Kenneth Montgomery en Bohumil Gregor. Wat het zangersgilde betreft kwam het accent sterker bij Nederlandse zangers te liggen met onder anderen Cristina Deutekom, Jennie Veeninga, Wilma Driessen, Cora Canne Meijer, Adriaan van Limpt, Jan Blinkhof, Jan Derksen, John Bröcheler, Henk Smit, Pieter van den Berg en de in Nederland woonachtige Roberta Alexander. Daarnaast zouden internationale sterren als gast worden uitgenodigd, waaronder Joan Sutherland, Catherine Malfitano, Teresa Stratas, Frederica von Stade, Renato Capecchi en Robert Lloyd.

1972

De Roo hechtte tevens groot belang aan de Opera Studio en Jan Bouws kreeg in deze periode opdrachten om al regisserend jonge Nederlandse zangers in te wijdden in het theatervak. Zo regisseerde Bouws voor de Opera Studio ‘The Telephone’ van Menotti, die op 23 september 1972 voor het eerst werd opgevoerd in De Bijenkorf van Amsterdam. Maria Boender was Lucy en Tom Haenen was Ben.*

Op 1 oktober 1972 beleefden twee opera’s voor de Opera Studio hun Nederlandse première in een enscenering van Bouws: ‘La Voix Humaine’ van Poulenc met Anne Haenen en ‘Trouble in Tahiti’ van Bernstein met Nardy Graus, Inge Frölich, Jan Blinkhof, Willem Laakman, Nico Schaap en Anne Haenen. Anne Haenen zou daarna met deze productie van ‘La Voix Humaine’ over de hele wereld met succes optreden.*

Jan Bouws deed tussendoor bij DNOS nog onder andere de herinstudering van Jean-Pierre Ponnelles enscenering van de Haydn-opera ‘La Fedeltá Premiata’:

“Jan Bouws die de regie van Ponnelle had ingestudeerd, bleek de spirituele opzet goed geconserveerd te hebben” (NRC Handelsblad; 14-10-1972)

Dit werk wekte bij Bouws de liefde op voor de opera’s van Haydn en de componist zou jaren later terugkomen in zijn repertoire.

De vierde enscenering van Jan Bouws voor de Opera Studio in dat jaar was ‘Le Mariage aux Lanternes’ van Offenbach. Mary Willems was Katrien, Henk Kooijmans was Gillot, Christine Harvey zong Fanchette en Inge Frölich was Dénise. Deze productie opende op 10 december 1972 in Schouwburg Agnietenhof te Tiel.*

Ook in december 1972 deed Bouws de herinstudering van John Copley’s enscenering van ‘Lucia di Lammermoor’ van Donizetti bij DNOS. Sonja Poot zong de titelrol, Ottavio Garaventa was Edgardo en Jan Derksen was Enrico (De Tijd; 22-12-1972).

1973

Jan Bouws bracht op 2 mei 1973 in het Circustheater van Scheveningen zijn gevierde Opera Studio-productie van ‘Albert Herring’ uit het seizoen 1967/1968 in een aangepaste regie en met een nieuw decor bij DNOS. Solisten waren onder anderen Simon van der Geest, Sophia van Sante, Judith Pierce en Jan Blinkhof:

“De regie van Jan Bouws is net zo to the point en bijna té beschaafd qua grappenmakerij” (De Volkskrant; 3-5-1973)

“Ook nu weer trof de geestige regie van Jan Bouws en in de speelse sfeer daarvan, die door de aangepaste smaakvolle decors van Herman van Elteren fraai werd geaccentueerd, werd door de medespelenden uitstekend geacteerd” (De Telegraaf; 4-5-1973)

“dank zij de stilistisch doordachte regie van Jan Bouws acteerde men grappig, zonder zijn toevlucht te nemen tot het soort goedkope chargeren dat de zaken in de gooi- en smijtsfeer trekt. De ironie was in deze regie terecht op het gniffelen en de binnenpret afgestemd” (NRC Handelsblad; 4-5-1973)

Jan Bouws bracht in het seizoen 1973/1974 bij DNOS een reprise van zijn ‘Die Entführung aus dem Serail’ uit 1969/70 met een nieuw decor. Op 28 september 1973 opende de voorstellingsreeks in het Circustheater van Scheveningen met Sonja Poot als Konstanze, Norma Burrows als Blondchen en Hubert Waber als Osmin. Henk Vonk dirigeerde er zijn eerste Mozart-opera. De enscenering werd tot en met 17 oktober 1973 negen keer opgevoerd:

“De regie van Jan Bouws, die ook voor de vorige Entführung tekende, zit vol met vondsten die sommigen als grappig en anderen als flauw zullen ervaren. Het blijft altijd een probleem om deze echte nummer-opera acceptabel te ensceneren. De scène met de langzaam wegdrijvende roeiboot, met de dronken Osmin aan boord, is zonder meer een vondst “ (De Tijd; 29-9-1973)

“De opvoering is optisch geslaagd, met wat kleine anachronistische ondeugendheidjes en met enkele bescheiden machinerieën die het Middellandse-Zeeklimaat plezierig dicht bij de toeschouwer brengen” (NRC Handelsblad; 29-9-1973)

“bruisende ensembles, levendige regie (Jan Bouws) en sierlijke aankleding met Turkse couleur locale” (De Telegraaf; 1-10-1973)

“Jan Bouws zorgde voor een levendige regie, zodat deze „Entführung’, die op 15 oktober in Rotterdam in de Schouwburg komt, ook visueel erg aantrekkelijk is” (Het Vrije Volk; 2-10-1973)

Voor de Opera Studio regisseerde Jan Bouws de kameropera ‘The Four Note Opera’ van Tom Johnson, anderhalf jaar na diens wereldpremière in New York. Lieuwe Visser was één van de solisten. Deze Nederlandse première werd in het Nederlands gezongen en vond op 4 november 1973 plaats in Orpheus te Apeldoorn:

“en alles staat en valt met een goede regie; op dat punt had men geen mogelijkheid onbenut gelaten tot een aantrekkelijk, logisch en sluiten geheel te komen” (Nieuwsblad van het Noorden; 12-11-1973)

Eind 1973 deed Bouws bij DNOS de herinstudering van Ulrich Brechts enscenering van ‘Rigoletto’ van Verdi met Jan Derksen in de titerol:

“Brechts ongelukkige, schrale regie, eigenlijk een oningevulde mise en-scène zonder spanningsrelaties tussen de hoofdfiguren had Bouws bij zijn herinstudering niet volledig gehandhaafd: de gekste vrijmoedigheden waren nu weggelaten en dat leverde al winst op” (Het Parool; 8-12-1973)

1974

Jan Bouws bracht in het seizoen 1974/1975 bij DNOS de reprise van de enscenering van ‘Così Fan Tutte’ van Vlado Habunek uit 1971/72 in een nieuwe, aangepaste regie. De voorstelling werd vanaf 21 september 1974 acht maal gespeeld. Hanneke van Bork was Fiordiligi, Cora Canne Meijer was Dorabella, Hubert Waber zong Don Alfonso en Harry Wich was verantwoordelijk voor het decor en de kostuums:

“Een geheel vanuit de opera gedachte regie van Jan Bouws, precies die verfijnde humor, die bij de muziek past” (Trouw; 23-9-1974)

“Het is een muzikale regie met veel stil spel, in plaats van onnodig heen en weer gedraaf dat afleidend werkt” (NRC Handelsblad; 23-9-1974)

“terwijl ook een eenvoudige aankleding, zoals uit de enscenering van Jan Bouws en Harry Wich opnieuw bleek, geen afbreuk behoeft te doen aan een in dit geval zelfs uitzonderlijk fraaie geheel” (De Volkskrant; 23-9-1974)

“dat Jan Bouws en Harry Wich „Cosi fan Tutte”, nu zo geregisseerd en aangekleed hebben als het behoort” (De Telegraaf; 27-9-1974)

Voor de Opera Studio bracht Bouws een enscenering van het dramma giocoso per musica ‘Il Filosofo di Campagna’ van Baldassare Galuppi samen met zijn eerdere productie van ‘La Voix Humaine’. De tweeluik ging op 16 oktober 1974 in het Rosa Spier Huis in Laren in première. Lieuwe Visser en Tom Haenen alterneerden als Don Tritemio en Anne Haenen trad op in haar glansrol van La Femme.*

1975

Jan Bouws was op 29 augustus 1975 met de Opera Studio terug in het Rosa Spier Huis voor een enscenering van de opera ‘La Canterina’ van Joseph Haydn. Wouter Goedhart was Don Pelagio, Angela Bello zong Gasparina, Adriaan van Limpt was Apollonia en Elise Galama zong Don Ettore:

“Een leuk ogende functionele aankleding, waarvoor Nico Out en Ruth Hellmer tekenen, en een al even aardige regie van Jan Bouws zorgden voor de sfeer waarbinnen de amusante amoureuze intrige zich geheel volgens de regels van de comedia dell’ arte kon ontwikkelen” (De Volkskrant; 29-9-1975)

Bouws bracht verder aan het begin van het DNOS-seizoen 1975/1976 de herinstudering van John Copley’s enscenering van ‘Lucia di Lammermoor’ met Cristina Deutekom in de titelrol, Jan Derksen als Enrico, Jan Blinkhof en Adriaan van Limpt alternerend als Edgardo en Pieter van den Berg als Raimondo. Carlo Franci had de muzikale leiding (Het Parool; 19-9-1975).

1976

Jan Bouws bracht op 2 januari 1976 bij DNOS een enscenering van de twee eenakters ‘Die Kluge’ van Carl Orff en ‘Arlecchino’ van Ferruccio Busoni. De première was op 2 januari 1976 in de Stadsschouwburg van Amsterdam en de productie werd die maand zes keer gespeeld:

“De regisseur Jan Bouws en de ontwerper van decors en kostuums Huub van Gestel hebben het gegeven visueel goed aangepakt. De grote, draaiende schaakstukken als toneelattributen, de bonte kleuren van de gewaden die echt gecomponeerd bleken te zijn van de bezadigde tussentinten tot en met het felle rood, het felle blauw en het felle groen, dit geheel had een echte sprookjessfeer, wreed en zoetsappig ombeurten. En het wat plompe acteren had het juiste potsierlijke raffinement dat bij het verhaal past” (NRC Handelsblad; 7-1-1976)

“regisseur Jan Bouws en de zeer inventieve decorkostuumontwerper Huub van Gestel zorgden voor een pittige, natuurlijke, niet te kluchtige en kleurrijke presentatie met een solistenteam, dat voornamelijk uit de jongerengarde van de Nederlandse Opera was gerecruteerd” (De Telegraaf; 8-1-1976)

“zo aardig in scène was gezet met decors en costuums van Huub van Gestel, en met een vlotte regie van Jan Bouws” (Trouw; 8-1-1976)

Bij de Opera Studio regisseerde Jan Bouws begin 1976 opnieuw een Nederlandse première met de opera ‘Les Malheurs d’Orphée’ van Darius Milhaud. Op 6 februari 1976 traden onder anderen op Bernard Kruijsen in de titelrol, Roberta Alexander als Euridice en Thea van der Putten als Le Renard / Ainée in het Congresgebouw van Den Haag:

“voor het decor en de kostuums van John Otto en de regie van Jan Bouws was het voldoende om het geheel zich op een kleine speelplaats om een soort wendbare wigwam te laten afspelen” (NRC Handelsblad; 9-2-1976)

“Jan Bouws ontdeed de regie van elke bijkomstigheid, John Otto streefde in decor en kostuums eveneens naar eenvoud” (Trouw; 9-2-1976)

Bij Opera Forum – intendant Gustav Fülleborn – maakte Jan Bouws zijn debuut op 6 maart 1976 met zijn productie van ‘La Voix Humaine’. In De Hagen te Almelo vertolkte Anne Haenen opnieuw haar succespartij (De Volkskrant; 10-3-1976).

Met de Opera Studio bracht Bouws op 5 oktober 1976 ‘Il Matrimonio Segreto’ van Cimarosa naar Theater Gooiland te Hilversum. Daarna zouden er door het land maar liefst tien voorstellingen van deze productie worden gegeven.*

Tevens regisseerde Bouws bij de Opera Studio de Nederlandse première van Donizetti’s ‘Il Campanello di Notte’. De voorstellingsreeks opende op 28 november 1976 in de Stadsschouwburg van Groningen en Roberta Alexander en Thea van der Putten alterneerden erin als Serafina.*

1977

Jan Bouws ensceneerde in het kader van het Holland Festival in juni 1977 de negen minuten durende opera ‘A Hand of Bridge’ van Samuel Barber en het nieuwe operaatje ‘O, gij Rhinoceros’ van Otto Ketting. Onder anderen Anne Haenen en Inge Frölich waren de solisten en het Ensemble M stond onder leiding van David Porcelijn:

“de regie van Jan Bouws bijzonder inventief en geestig” (De Volkskrant; 4-6-1977)

Bouws bracht met de Opera Studio ‘El Retablo de Maese Pedro’ van Manuel de Falla terug naar Nederland. Het gezelschap speelde de productie op 10 september 1977 in het Congresgebouw van Den Haag:

“vindingrijk geregisseerd door Jan Bouws en met geestige decors en kostuums van Danielle Waslander een sprankelende vertoning” (De Telegraaf; 12-9-1977)

“De regie was van Jan Bouws. decor en kostuums van Danielle Waslander, geslaagde elementen in een kleurrijk geheel” (Trouw; 12-9-1977)

Nog geen twee weken later bracht Bouws met de Opera Studio nog een nieuwe enscenering. Op 23 september 1977 ging zijn productie van ‘Le Cantatrici Villane’ van Fioravanti in première in de Speeldoos te Zaandam:

“Aan de uitwerking was met beperkte middelen veel zorg besteed” (Het Parool; 26-9-1977)

Voor DNOS vervaardigde Jan Bouws in het seizoen 1977/1978 een nieuwe regie van ‘Die Entführung aus dem Serail’. Op 12 oktober 1977 was de première ervan in het Circustheater van Scheveningen met opnieuw Sonja Poot als Konstanze en Hubert Waber als Osmin:

“deze knap door Jan Bouws geregisseerde voorstelling met fraaie decors van Nico Out” (De Telegraaf; 14-10-1977)

Bouws bracht een nieuwe productie van ‘La Voix Humaine’ bij DNOS in een combinatie met Erik Vos’ enscenering van ‘Blauwbaards Burcht’ van Bartók. De première was op 28 oktober 1977 in de Stadsschouwburg van Amsterdam en Marie-France Duffaut sprong als La Femme in voor de wegens ziekte verhinderde Anne Haenen (De Telegraaf; 31-10-1977).

Jan Bouws had tussen 1977 en 1980 zitting in de afdeling Muziekdramatische Kunst van de Raad voor de Kunst.

1978

Zijn vader Jan Bouws sr. overleed plotseling op 26 januari 1978 op 75-jarige leeftijd in Zuid-Afrika.

Zijn Amerikaanse debuut maakte Jan Bouws op 27 oktober 1978 bij de San Diego Opera met ‘Così Fan Tutte’. Hierin zongen Sung-Sook Lee (Fiordiligi), Katherine Hindrelet-Brydon (Despina), Susanne Marsee (Dorabella), Joseph Evans (Ferrando), Lenus Carlson (Guglielmo) en Andrew Foldi (Don Alfonso). John Naccarato ontwierp de decors en John Naccarato en Edguard Johnson de kostuums. De muzikale leiding was in handen van dirigent Theo Alcantara.

“Bouws: „Het is hun keuze, maar het enorme geluk is dat ik Così drie weken voor ik naar Amerika vlieg bij de Operastichting her-instudeer. De eerste keer was dat in het seizoen ’74/75.” Jan Bouws (40) – zojuist uit Amerika teruggekeerd om over projecten na de Mozart-opera te praten – heeft in Londen gestudeerd, debuteerde in 1967 als operaregisseur (Kaapstad: Carmen) en bracht kort daarop zijn eerste produktie in Nederland: Brittens „Albert Herring”” (Het Parool; 12-4-1978)

Voor de Opera Studio regisseerde Bouws rond die tijd tevens ‘Die schöne Galathée’ van Franz von Suppé. Saskia Gerritsen was Galathee, André Spijker was Pygmalion en Arthur Schildmeijer zong Mydas. De opera werd opgevoerd in combinatie met Bouws’ oude productie van ‘The Bear’ van Walton. De première van deze tweeluik was op 27 oktober 1978 in De Meervaart te Amsterdam:

“„Die schone Galathee” vraagt om een luchtigheid die in deze windstreken nauwelijks meer mogelijk lijkt. Regisseur Jan Bouws heeft het gelukkig allemaal simpel gehouden. Soepel bewegen zat er uiteraard niet in op de luttele vierkante meters van De Meervaart, maar de actie was doorgaans logisch en vrijwel nooit overdreven” (Het Parool; 30-10-1978)

1979

Jan Bouws regisseerde voor het seizoen 1979/1980 bij de Opera Studio de komische opera ‘Il Trionfo dell’Onore’ van Alessandro Scarlatti. Rachel Ann Morgan was Leonora, Joep Bröcheler zong Erminio en Lucia Meeuwsen was Rosina. De première was op 7 september 1979 in De Kleine Komedie te Amsterdam:

“de regie van Jan Bouws die schijnbaar losjes de figuren over het toneel liet fladderen, maar in feite niets aan het toeval overliet en zorgde voor een zeer levendig toneelbeeld” (Leeuwarder Courant; 7-1-1980)

Deze productie van ‘Il Trionfo dell’Onore’ bracht Bouws in 1979 terug naar de San Diego Opera met Juliana Gondek als Doralice en dirigent John Balme.

Ook in dat seizoen deed Bouws weer diverse herinstuderingen bij DNOS, waaronder ‘Gianni Schicchi’, ‘Il Tabarro’ en ‘Lucia di Lammermoor’ met Deutekom, Van Limpt, Derksen en Van der Berg.*

1980

Jan Bouws bracht zijn enscenering van ‘Il Filosofo di Campagna’ van Galuppi van 1974 bij de Opera Studio terug als een double-bill met ‘Bagatelle’ van Offenbach. Voor de vertaling tekenden Bouws zelf en Han Wilmink. De première was op 26 september 1980 in De Kleine Komedie van Amsterdam en de productie zou nog lopen tot en met 22 april 1981:

“het door Jan Bouws uitgewerkte concept van voorzichtige actie” (De Volkskrant; 29-9-1980)

Reeds op 3 november 1980 was de première van nog een enscenering van Bouws bij de Opera Studio. De opéra bouffe ‘Paris à Nous Deux’ van Jean Françaix uit 1954 werd door het gezelschap voor het eerst opgevoerd op de Muziekschool van Doetinchem in een samenwerkingsproject met het Nederlands Impresariaat als onderdeel van een serie feestconcerten ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van het Nederlands Saxofoonkwartet. Rachel Ann Morgan was La Maîtresse de Maison:

“de mime en pantomime van het Nederlands Kamerkoor en de solisten. Dat gaf, in deze uitvoering, overigens behoorlijk houvast” (Nieuwsblad van het Noorden; 6-11-1980)

“Jan Bouws maakte van regie (en chique uitmonstering) wat er hier van te maken viel” (NRC Handelsblad; 8-11-1980)

Rondom die tijd deed Bouws tevens de herinstudering bij DNOS van Tito Capobianco’s ‘Il Trovatore’ van Verdi. De première was op 6 november 1980 in het Circustheater van Scheveningen met Cristina Deutekom, Adriaan van Limpt, Cora Canne Meijer, Jan Derksen en Tom Haenen.*

In die maand was Bouws tevens verantwoordelijk voor de regie van ‘Mozart en Salieri’ van Rimski-Korsakov in de serie Muziektheater van het Utrechts Symfonie Orkest. De scenische uitvoering ging in première op 29 november 1980 in Muziekcentrum Vredenburg onder leiding van Cormeliu Dumbraveanu en de solisten waren Wouter Goedhart en Lieuwe Visser:

“Heel handig had regisseur Jan Bouws, werkend in de kale ruimte van de concertpiste met enkele zetstukken deze scène „bevroren” (de figuren staan dan als dood) in een witte lichtbundel” (Trouw; 1-12-1980)

“één levendig beeld te voorschijn toverde: dat van Salieri die Mozarts partituren vertwijfeld de lucht in gooit en in een regen laat neerdwarrelen” (De Volkskrant; 1-12-1980)

1981

Jan Bouws regisseerde in dezelfde serie Muziektheater de opera ‘Blauwbaards Burcht’. De première was op 21 februari 1981 in Muziekcentrum Vredenburg; Charles van Tassel zong de titelrol en Cora Canne Meijer was Judith (Het Parool; 20-2-1981).

In het seizoen 1981/1982 regisseerde Bouws bij de Opera Studio de opera ‘La Scala di Seta’ van Rossini. De première was op 8 september 1981 in Stads Doelen te Delft en de productie werd in die maand maar liefst 14 keer in Zuid Holland en Zeeland gespeeld:

“men zag dan ook de allerkleinsten pas weer uit hun slaappositie op vaders of moeders schoot overeind komen toen er via de zijden ladder echt spectaculaire dingen gingen gebeuren en er allerlei mensen door allerlei verschillende deurtjes moesten wegduiken. Het toppunt van vermaak vormde de bediende Sebastian alias Germano die, als duidelijk herkenbare komiek onder de tafel verscholen, op een en ander reageerde” (NRC Handelsblad; 21-9-1981)

Jan Bouws esceneerde voor het Velser Operagezelschap Bel Canto de opera ‘I Due Foscari’ van Verdi. De première was op 6 november 1981 en de hoofdrollen werden vertolkt door Willem Laakman, Margaret Roest, Ferdinando Musemeci en David Shapero (Het Parool; 4-11-1981).

Ondertussen deed Bouws de herinstudering van ‘Un Ballo in Maschera’ van Verdi bij DNOS. Tijdens de première op 11 november 1981 in de Amsterdamse Stadsschouwburg traden op Cristina Deutekom als Amelia, Adriaan van Limpt als Gustav III, Jan Derksen als Anckarström, Cora Canne Meijer als Ulrica, Pieter van den Berg als Ribbing, Lieuwe Visser als Horn en Lilian Watson als Oscar.*

1982

Jan Bouws bracht op 12 maart 1982 de eenakter ‘The Telltale Heart’ van de Amerikaanse componist Daniel Kessner naar Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht (NRC Handelsblad; 13-3-1982).

Vervolgens deed Jan Bouws bij DNOS de herinstudering van ‘Lucia di Lammermoor’ met Joan Sutherland. Op 29 april 1982 was het eerste optreden in de Stadsschouwburg van Amsterdam. Jan Derksen was Enrico, Adriaan van Limpt was Edgardo en Pieter van den Berg zong Raimondo (De Volkskrant; 22-4-1982).

Op 12 juni 1982 werd Bouws’ productie van ‘The Telltale Heart’ door DNOS opnieuw opgevoerd in het kader van het Holland Festival. De eenakter ging hier in een tweeluik met Bouws’ nieuwe productie van ‘Mirrors of the Truth’ van Ian McQueen in het HOT-theater van Den Haag:

“De „hippe” fantasiekostuums van Barry Kay (je bent jong en je wil wat), de punk van Bouws, het armen- en benenwerk dat het respectievehjk aantrekken en afstoten binnen de driehoek moet verbeelden: menigeen in de zaal houdt het buikje vast van het lachen” (Het Parool; 14-6-1982)

DNOS opende het seizoen 1982/1983 met Tito Capobianco’s productie van ‘Simon Boccanegra’ van Verdi. Jan Bouws deed de herinstudering, Kees Bakels dirigeerde en de solisten waren allemaal Nederlanders: Cristina Deutekom, Henk Smit, Pieter van den Berg, Adriaan van Limpt en Tom Haenen:

“al moet gezegd dat her-instudeerder Jan Bouws in de massale scènes aan het slot nog het best denkbare resultaat had bereikt” (Trouw; 6-9-1982)

Voor de Opera Studio bracht Bouws in die maand tevens zijn nieuwe productie van ‘Mavra’ van Stravinsky. De try-out was in het Rosa Spierhuis te Laren en op 26 september 1982 was de première in de Ronde Lutherse Kerk te Amsterdam:

“Een goed op elkaar ingespeeld team dat door Jan Bouws In popperige kledij was gestoken” (Trouw; 17-12-1982)

Bouws bracht eind 1982 een nieuwe, eigen enscenering ‘Lucia di Lammermoor’ voor Operagezelschap Forum, dat toen eveneens onder leiding stond van Hans de Roo. De productie ging op 26 december 1982 in première in het Concertgebouw van Hengelo.*

Jan Bouws werkte tevens vanaf 1982 tot 2002 als gastdocent regie aan het Conservatorium van Maastricht en werkte daar met de studenten aan vele ensceringen in een heel gevarieerd repertoire van barok tot hedendaags.

1983

Bouws’ productie van ‘Die Entführung aus dem Serail’ was op 9 april 1983 terug bij DNOS met een dialoogregie van Cox Habbema:

“Veel lof voor de regisseur Jan Bouws die er een plezierig en goed geregisseerd geheel van wist te maken en de spelers ook tijdens de zang het nodige liet doen” (De Waarheid; 13-4-1983)

“Dat Bouws, gesteund door Cox Habbema, over het geheel genomen echter goed werk had verricht, bleek uit de zaalrespons en zijn aandacht voor een synchroniteit met de muziek” (Het Parool; 11-4-1983)

Voor de Opera Studio regisseerde Bouws de tweeluik ‘Veselohra na Mostě’ van Bohuslav Martinů en ‘Man of Feeling’ van Stephen Oliver. De productie ging op 12 november 1983 in het Rosa Spier Huis te Laren in première.*

1984

Jan Bouws regisseerde vervolgens bij Opera Forum – nu was de intendant Peter van de Braak – de opera ‘Nabucco’ van Verdi. De productie ging op 1 februari 1984 in première in De Hagen te Almelo. Charles van Tassel zong de titelrol, Lieuwe Visser was Zaccaria en Anne Marie Dur en Annett Andriesen alterneerden als Fenena.*

Op 2 maart 1984 bracht Bouws een nieuwe productie bij Opera Forum van zijn geliefde opera ‘Albert Herring’. In De Hagen te Almelo zong Hein Meens de titelrol, Pauline Tinsley de rol van Lady Billows, trad Annett Andriesen op als Florence Pike, Lieuwe Visser als Mr. Budd en Rachel Ann Morgan als Mrs. Herring:

“Bouws is erin geslaagd al te kluchtige elementen met de nodige reserve te benaderen en deze toch wat wrange komedie niet te degraderen tot een dijenkletser. Te lachen valt er genoeg, maar op de juiste plaatsen en binnen redelijke grenzen” (Trouw; 5-3-1984)

“Onder deze in de regie geestig uitgewerkte laag van het verhaal zit een wezenlijk thema verborgen” (Leeuwarder Courant; 17-3-1984)

Bouws regisseerde in oktober 1984 de opera ‘Candide’ van Leonard Bernstein voor in totaal 75 spelers van de Amsterdamse Studenten Muziekvereniging Aedon. De productie werd gespeeld op 17 en 18 oktober 1984 in de Kleine Komedie te Amsterdam (De Telegraaf; 11-10-1984).

Voor de Opera Studio bracht Bouws tevens ‘Signor Deluso’ van de Amerikaanse componist Thomas Pasatieri naar Nederland. De productie werd op 2 november 1984 voor het eerst gespeeld in het Rosa Spier Huis met James Doing, Nellie van der Sijde en Huub Claessens.*

Ook in 1984 ensceneerde Bouws bij Bel Canto te Velsen de opera ‘Mignon’ van Thomas met Elena Vink als Philine.

Jan Bouws werkte vanaf 1984 tot 2005 aan het Conservatorium van Zwolle in talrijke producties in een divers repertoire.

1985

Jan Bouws maakte voor de Opera Studio in 1985 een nieuwe enscenering van ‘The Medium’ van Menotti. De productie werd op 4 april 1985 voor het eerst gespeeld in de Kleine Komedie van Amsterdam met Nellie van der Sijde en Huub Claessens als Mrs. en Mr. Gobineau (De Volkskrant; 28-3-1985).

Voor de herneming van Lotfi Mansouri’s enscenering van ‘Tosca’ van Puccini bij DNOS op 17 mei 1985 deed Bouws de herinstudering. De titelrol zong Martina Arroyo en Henk Smit was Scarpia:

“De Operastichting brengt het werk in de beproefde, al verschillende malen door Jan Bouws her-ingestudeerde enscenering van Lotfi Mansouri (regie) en Max Röthlisberger (decors en kostuums). Tosca, dat is de Operastichting in al haar tijdloze glorie. Het werk lijkt speciaal voor Jan Bouws en de Nederlandse Operastichting geschreven. Niet dat moeilijke gedoe: goed is goed […] Zo kan deze Tosca nog eens vijftien jaar mee. Desnoods ingestudeerd door de kleinzoon van Jan Bouws” (De Volkskrant; 20-5-1985)

Er zouden echter andere tijden aanbreken voor opera in Nederland, want Hans de Roo had begin maart 1984 aangekondigd te vertrekken als intendant van DNOS (Het Parool; 2-3-1984).

De gouden decennia van de Nederlandse opera zouden na zijn vertrek op 1 september 1985 voorgoed voorbij zijn.

* Annalen van de Operagezelschappen in Nederland [eindred. Piet Hein Honig] (Amsterdam: Theater Instituut Nederland, 1996)

Regisseur Jan Bouws, Reportage