REPORTAGE: 125e geboortedag Nederlandse tenor Gerard van den Berk

17-07-2018

De Nederlandse tenor Gerard van den Berk werd op 17 juli 1893 als Gerardus van den Berk in een boerengezin te Woensel geboren.

Zijn vader Martinus van den Berk (St. Oedenrode, 7-9-1858) en zijn moeder Paulien de Leest (Schijndel, 13-10-1864) kregen elf kinderen en Gerard was de vijfde na drie meisjes en een jongen (Brabants Historisch Informatie Centrum).

Gerard zat in Woensel op de lagere school en op 6-jarige leeftijd kwam hij met het gezin aan de Schoorse Hoefstraat van Sint-Oedenrode wonen. Daarna woonden zij aan wat nu de Nijnselseweg is. In het koor van de kerk te St. Oedenrode mocht Gerard al snel soli zingen.


Aan de rand van natuurgebied Diependaal ging Gerard van den Berk werken als boer op het perceel achter zijn woning en oefende hij reeds opera-aria’s.

1920

Gerard van den Berk zocht op aanraden van bekenden contact met Arnold Spoel, die vanaf 1885 zangdocent was aan de Koninklijke Muziekschool, thans het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Tot diens leerlingen behoorden vooraanstaande zangeressen als Maartje Offers en Anna Kappel.


Op een door Spoel georganiseerde volkszangavond maakte Van den Berk op vrijdag 16 februari 1923 zijn openbare zangdebuut in Den Haag:

“Gerard van den Berk uit St. Oedenrode, zong vier liederen, vier Hollandsche liederen, die direct tot het hart spreken, van Spoel en Richard Hol. Deze tenor, die gewoon is in kleinen kring in Brabant te zingen – ze zingen allen bij hem thuis en hij is ook lid van een koor, vertelde hij ons – kende natuurlijk niet dadelijk de verhoudingen van de groote zaal van ons Gebouw, die hij alleen te vullen had. Een echt natuurmensch, zoowel de verschijning als de nog niet officieel geleide stem. Zijn hoogte, als hij warm loopt, bezorgt ze, zooals aan het slot van “Van eene Koningsvrouwe”, even die prop in de keel van dankbare ontroering, en het nobel weeke timbre is onbegrijpelijk van iemand, die feitelijk geen les heeft gehad. Maar hoe lief moet men in dat huisgezin de muziek hebben, dat iemand dat er zelf van maken kan en men zou bepaald eenigszins huiverig worden om deze stem te gaan „beschaven”. Bijzondere hoogte hebben we er niet in gehoord, maar wel Hollandsche oerkracht.

Na het eerste donderend applaus zei Spoel zoo langs z’n neus weg: “Wel, heb ik gelijk gehad?” De heer v. d. Berk, dien ik als een ‘hoogst eenvoudig en verstandig man heb leeren kennen, zal zich niet dadelijk door het zeldzame enthousiasme laten bedwelmen, maar wat zal hij nog ontzettend veel in zijn leven voor zichzelf en voor anderen kunnen zijn met deze heerlijke natuurlijke begaafdheid!” (Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche Courant 20-2-1923)

Op aanraden van onder anderen Aaltje Noordewier-Reddingius vertrok Gerard van den Berk in 1923 naar Amsterdam om bij haar te gaan studeren aan het conservatorium:

“Al lang hadden ze ‘m gezegd, dat ie naar Meneer Spoel moest gaan, maar ’n boerenjongen, die maar niet beseft, wat ’n schat hij bezit, gaat niet zoo spoedig daartoe over. De heer v. d. Broek, de directeur van de Harmonie te St Oedenrode, had ook al jaren terug er op aangedrongen, doch elk weet hoe zulke dingen in ’t boerenhuisgezin worden betiteld als onzin e.d. De boer slaat kunst niet hooger aan dan ’n ontspanning en is meer tevreden met stevige handen en breede schouders, dan met ’n zuivere mooie stem. En zoo kwam het, dat Gerard v.d. Berk bleef wat ie was. Toen kreeg ie ‘t, door al dat roemen op z’n stem, in z’n hoofd, maar ‘ns naar Den Haag te gaan. Hij was ‘r nog bekend uit z’n diensttijd. De heer Spoel hoorde hem, raakte in verrukking over dat schoone natuurgeluid en gaf hem lessen, dank zij de medewerking van enkele kunstminnaars. Hij kwam in aanraking met mej. Maissan, Dr. Casparie [de Boosche psychiater J. Casparie, red.] en allengs werd ’n plan gevormd om Gerard v.d. Berk’s geluid te gaan ontwikkelen. Zoo’n mijn van schoonheid mocht niet onontgonnen blijven liggen. Dank zij voornoemde personen en mevr. Noorderwier-Reddingius zal Gerard v.d. Berk in Sept. naar Amsterdam vertrekken om daar de lessen te gaan volgen aan het Conservatorium. Het zal daar onzen 29-jarigen boerenjongen ’n leven worden van studie en strijd” (Nieuwe Tilburgsche Courant; 9-6-1923)

“Na een hartelijk afscheid van zijn familie en zijn talrijke vrienden vertrok gisteren onze bekende heldentenor, de heer Gerard van den Berk, naar Amsterdam, om aldaar aan het muziek-Iyceum, onder leiding van de beroemde zangeres mevrouw Noordewier-Reddingius, zijne zangstudies aan te vangen. Met groote belangstelling zal niet enkel in Rooij maar ook elders het verloop zijner studies gevolgd worden en het is voorzeker de wensch van allen, die het voorrecht hebben gehad zijne prachtige stem te hooren, dat hij moge schitteren als eene ster van den eersten rang aan den muziekhemel” (Nieuwe Venlosche Courant; 5-10-1923)

Daarna werd het in de Nederlandse pers lange tijd stil aangaande Gerard van den Berk. Tussen 1927 en 1933 wordt af en toe melding gemaakt van een optredens van Van den Berk voor de radio (Algemeen Handelsblad; 1-7-1933).

1930

Gerard van den Berk maakte zijn operadebuut op 17 november 1933 bij de Eindhovensche Operavereeniging in ‘Hans Heiling’ van Heinrich Marschner (Eindhovensch Dagblad; 14-11-1933).

Hij zou in die jaren met name radio-optredens en recitals in Brabant en Limburg geven. Onder andere werkte hij op zaterdag 9 juni 1934 mee aan een radio-uitvoering van ‘Der Zigeunerbaron’ van Johann Strauss jr. voor de KRO. Hij zong de rol van Ottokar naast Sophie Both als Saffi, Ankie van Wickevoort-Crommelin als Arsena, Jo van der Meent als Chipra, Gerrit Visser in de titelrol en Otto Couperus als Carnero (Haagsche Courant; 9-6-1934).

1935

Gerard van den Berk nam in 1935 voor het label My Cinetone te Amsterdam het Limburgs Volkslied (“Limburg, mijn vaderland”) en het Brabants Volkslied (nr.11512) op 10 inch 78-toeren platen op ten behoeve van de T.B.C.-bestrijding in Noord-Brabant. Daarvoor zou Van den Berk al een vijftal 78-toeren platen hebben opgenomen met bekende Italiaanse volksliederen.

Gerard van den Berk werkte op 10 november 1935 mee aan een Wagnerconcert bij de Arnhemsche Orkest-Vereeniging in Musis Sacrum te Arnhem. Daar zong hij het gebed uit ‘Rienzi’, de Gralserzählung uit ‘Lohengrin’, het Frühlingslied uit ‘Die Walkure’ en ‘Walthers Preislied’ uit ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ (Arnhemsche Courant; 7-11-1935).

Vanaf dat moment kwam de concertloopbaan van Gerard van den Berk van de grond en werkte hij met bekende zangers, dirigenten en orkesten. Hij was inmiddels 43 jaar.

1936

Gerard van den Berk was op 28 januari 1936 één van de solisten in ‘La Damnation de Faust’ van Berlioz in het kader van het 50-jarig bestaan van het Gemengd Koor Rotterdam. Hier zong hij naast Hélène Cals, Otto Couperus en Coen Muller begeleid door het Residentie-Orkest onder leiding van Georg Rijken:

“Verrassend was de Faust-vertolking van Berlioz door een geheel onbekenden zanger uit St. Oedenrode, Gerard van den Berk, in zijn verschijning een eenvoudige Noord-Brabander. Die enorm zware Faust-partij. Hadde van den Berk het zóó gedaan, dan zouden we het al bewonderenswaardig gevonden hebben. Dat hij zich van deze uiterst zware opgave zoo voortreffelijk zou kwijten, zal echter niemand verwacht hebben. Natuurlijk zal de zanger nog verder moeten werken, nog moeten studeeren, maar dat neemt niet weg, dat wij hem kostelijk prijzen voor zijn kranige prestatie. Hij zong met overtuiging, met bijzonder zuiver doorvoelde voordracht en in tal van momenten hebben wij een rijk tenorgeluid gehoord. Zoo heeft deze feestuitvoering ons in kennis gebracht met een nieuwe, veelbelovende verschijning ln de Nederlandsche zangerswereld” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 29-1-1936)

Op 3 mei 1936 zong Gerard van den Berk tijdens de repatriëring van de stoffelijke resten van Pater Damiaan in België. Tijdens de aankomst van het Belgische schip Mercator met het stoffelijk overschot van de pater in Antwerpen zong Van den Berk in de Kathedraal Antwerpen met de bariton Jos Bazelmans en het koor van de Damianusstichting de ‘Pater Damiaan-cantate’ – componist en tekstdichter onbekend – met orgelbegeleiding. De KRO legde het optreden op vier glasplaten vast. De herbegrafenis van Pater Damiaan was twee dagen later in de crypte van de Sint-Antoniuskerk aan het Pater Damiaanplein te Leuven.

De platen werden niet in de handel gebracht en de enige exemplaren kwamen in het bezit van het Damianenstichting in Sint-Oedenrode. Onlangs zijn vier platen met de opname tevoorschijn gekomen tijdens de verhuizing van de Paters Damiaan van de Schijndelseweg te St. Oedenrode naar de Nijnselseweg. Ondanks de beschadigingen is het grootste deel van de opname veiliggesteld.

Op 21 oktober 1936 gaf Van den Berk vier fragmenten van zijn bekende Wagner-repertoire ten gehore net het Residentie-Orkest onder leiding van Issay Dobrowen in het Gebouw voor Kunst en Wetenschappen te Den Haag:

“Wij zouden de waarheid te kort doen, als we beweerden, dat dit optreden ons niets dan genoegen bereid heeft. In het Gebed van Rienzi misten wij al dadelijk innigheid en overgave, terwijl In de Gralserzählung de climax naar het dramatisch hoogtepunt: „Sein Ritter ich, Bin Lohengrin genannt” ook niet tot zijn voile recht kwam. Het ontbreekt den zanger zeker niet aan vocale kwaliteiten (ofschoon het geluid geen groot volume heeft) terwijl hij een gezonden afkeer toont van alles, wat naar theatraal effectbejag zweemt. Maar…. Wagner eischt méér! Na de pauze kwam de zanger wat beter los, al ontkwam Slegmunds liefdeslied nog niet aan een zekere matheid. Van Walthers Prijslied kregen wij een zeer aannemelijke vertolking te hooren” (Haagsche Courant; 22-10-1936)

“Gerard van der Berk, tenor-solist verraadde door wat onwennigheid zijn debuut, Wij kregen van hem een sympathieken indruk. Voor de groote zaal van het gebouw is zijn stem maar nauwelijks genoeg dragend. Voor de pauze waarin zijn stem nog geen moeheid verraadde, zong hij het gebed uit de opera ‘Rienzi’ en de Graalvertelling uit ‘Lohengrin’ op zeer evenwichtige wijze. Siegmund’s liefdeslied uit ‘Die Walkure’ en Walther’s Preislied uit de ‘Meistersinger’ klonken matter, zoodat wij gelooven dat het opera-genre niet de richting zal worden, waarvoor den zanger, die intusschen veel belooft, het meeste succes zal liggen” (Delftsche Courant; 22-10-1936)

1937

Gerard van den Berk zong nooit in voorstellingen van de grote Nederlandse operagezelschappen. Hij trad alleen op in liederenavonden, concerten met opera-aria’s, werkte incidenteel mee aan lokale, concertante opera-uitvoeringen en zong uiteraard in talrijke oratoria.

In de Ned. Herv. Kerk van Dokkum werkte Gerard van den Berk op 16 maart 1937 mee aan een uitvoering door het Dokkum’s Chr. Gemengd Koor van ‘Die Schöpfung’ van Haydn:

“Dit indrukwekkende werk van Haydn werd zeer goed uitgevoerd. De solisten zongen uitstekend en ook het koor gaf de bedoeling goed weer. Het talrijke publiek heeft dan ook genoten van deze kunstavond” (Leeuwarder Nieuwsblad; 17-3-1937)

Op 7 april 1937 viel Gerard van den Berk in voor de partij van Dimitri in een concertante uitvoering van de opera ‘Boris Godoenov’ van Moessorgsky bij het Arnhemsch Orkest. Otto Couperus zong de titelrol:

“Dadelijk na haar moet Dimitrl worden genoemd, de tenor Gerard van den Berk, die, zooals men mij vertelde, eerst enkele weken geleden de uitnoodiging voor zijne omvangrijke, zware partij ontving. Welk een schoon, onvervalscht tenortimbre, hoe weet hij reeds wat „zingen” is, hoe zal deze eenvoudige zangvogel nog van zich doen spreken, wanneer de klank nog vrijer uitstroomt, al maar uitstroomt, wanneer zijn dictie duidelijker, vlak bij de lippen gesolfiëerd wordt, wanneer hij los komt van andere dingen des levens, welke hem nu nog hinderen? De overwinning ligt vóór hem, de strijd begon reeds toen hij zijne eerste schrede zette op het pad, waarop de kunstenaar zoo zielsgaarne voorwaarts streeft” (Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant; 8-4-1937)

Bij de Koninklijke Christelijke Oratoriumvereeniging ‘Excelsior’ werkte Gerard van den Berk op maandagavond 26 april 1937 in de Groote Zaal van het Concertgebouw van Amsterdam mee aan een uitvoering van ‘Jephta und seine Töchter’ van Carl Reinthaler. Overige solisten waren de sopraan To van der Sluys, de alt Annie Hermes en de bas Willem Ravelli:

“Gerard v.d. Berk, tenor, vestigde dadelijk de aandacht op zijn zeer duidelijke uitspraak bij den recitatiefzang. Een lyrisch geluid met een trek naar het heldentype. Was in den aanvang een lichte weifeling te bespeuren in egaliteit der vocaalvorming, na de pauze als „Junger Krieger” kwam de zanger in vorm en beheerschte in toongeving en uitbeelding uitmuntend aria en recitatief: “Wie, Mirjam soll sterben?”” (De Tijd; 28-4-1937)

Eind april 1937 zong Gerard van den Berk de tenorpartij in ‘Das klagende Lied’ van Gustav Mahler bij de gemengde zangvereeniging “Caecilia, afdeeling Zwolle en omstreken, der Maatschappij tot bevordering der Toonkunst”:

“Toch heeft het veel genot verschaft, niet het minst door het gelukkige solistische medewerking van Gerard v.d. Berk, wiens tenor een zeer aangenaam timbre heeft” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant; 29-4-1937)

Op 30 juni 1937 zong Gerard van den Berk de tenorpartij in het ‘Te Deum’ van Jos. van Schaick in de Grote Zaal van het Concertgebouw van Amsterdam in het kader van het tienjarig bestaan van het R.-K. Amsterdams Kinderkoor:

“Bloemen waren er ook voor de dames Corry Bijster en Jo Immink, die met den tenor Gerard van der Berk het solo-terzet vormden” (Algemeen Handelsblad; 1-7-1937)

Van den Berk vertolkte op 25 november 1937 de titelpartij van ‘Judas Maccabaeus’ van Händel in de Groote Sociëteit van Enschede:

“Gerard v. d. Berk (tenor) met z’n echte natuurstem en onopgesmukte voordracht, heeft met z’n stralend geluid alle allures van een heldentenor” (Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche Courant; 26-11-1937)

Op dinsdag 14 december 1937 zong Van den Berk bij het Christelijk Gemengd Koor te Dokkum in een uitvoering in de Groote Kerk van de ‘Messiah’ van Händel (Leeuwarder Courant; 11-12-1937).

1938

Gerard van den Berk werkte op 16 februari in Zwolle bij de Chr. Oratoriumvereening Hallelujah mee aan een uitvoering van ‘Das Lied von der Glocke’ van Max Bruch. De overige solisten waren de sopraan Ankie van Wickevoort Crommelin, de alt Ans Stroink en de bas Johan Lammen:

“Niet terstond zoo overtuigend was de tenor Gerard van den Berk, in „die Jahre fliehen pfeilgeschwind”, maar na de aanvankelijke onzekerheid herstelde hij zich, en zooals hij het „Freiheit und Gleichheit”, aan het slot zong, was ook hij in dit milieu volkomen op zijn plaats” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant; 17-2-1938)

Bij de Christelijke Oratoriumvereeniging te Groningen zong Van den Berk op maandag 21 en dinsdag 22 februari 1938 de titelpartij in het oratorium ‘Samson’ van Händel naast de sopraan Jo Vincent, de alt Annie Woud en de bas Lucien Louman:

“De titelpartij was toevertrouwd aan Gerard van der Berk, een ons tot nu toe onbekenden tenor. Hij beschikt over een mooie en volle tenorstem, terwijl ook zijn voordracht in vele opzichten zeer lofwaardig was. Vermoedelijk door een tekort aan techniek klinkt het geluid soms wat rauw en in sommige klanken gesluierd; verder liet zijn uitspraak van het Duitsch te wenschen over. Men krijgt echter den indruk, dat meer routine een vrijere wijze van zingen zal bevorderen, waardoor een nog meer overtuigende voordracht kan volgen” (Nieuwsblad van het Noorden; 23-2-1938).

De Chr. Oratorium-Vereeniging te Hilversum gaf op donderdag 5 mei 1938 in de concertzaal van Hotel Gooiland met medewerking van het Utrechtsch Stedelijk Orchest en de solisten Corry Bijster, Gerard van den Berk en Laurens Bogtman een uitvoering van ‘Die Jahreszeiten’ van Haydn. De dirigent was Jan Wagenaar:

“De Lukaspartij werd vertolkt door den tenor Gerard van den Berk. Enkele vergissingen in het duet „Ihr Schonen aus der Stadt” uitgezonderd, zorgde ook deze voor een alleszins respectabele uitvoering: vooral in de recitatieven kwam zijn helder en gevoelig geluid goed tot zijn recht” (De Gooi- en Eemlander; 6-5-1938)

Van den Berk zong op 10 november 1938 de rol van Erik in een concertante uitvoering van ‘Der fliegende Holländer‘ van Wagner in de Concertzaal van Haarlem naar Ruth Horna, Maartje Offers, Ed van de Ploeg en Johan Lammen*.

Op 17 november 1938 werkte Van den Berk bij de Enschedesche Chr. Oratoriumvereeniging onder leiding van den heer J. A. Ketel mee aan een uitvoering van ‘Paulus’ van Mendelssohn in Ons Huis te Enschede:

“Gerard v.d. Berk, de Brabantsche heldentenor, had zich in zijn partijen wel allergelukkigst ingeleefd en gaf met zijn prachtig stemmateriaal en muzikale gaven een ideale reproductie van zijn partij” (Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche Courant; 18-11-1938)

1939

Gerard van den Berk zong op 3 maart 1939 in Leeuwarden in ‘Elias’ van Mendelssohn bij de Leeuwarder Chr. Oratorium-Vereeniging onder leiding van dirigent R. Beintema. Als solisten traden verder op de sopraan Corrie Bijster, de alt Roos Boelsma en de bas Theo Baylé:

“In de aanvang liet de tenor Gerard v.d. Berk, zich nog al eens hooren. Of hij gehinderd werd door een verkoudheid, of minder goed gedisponeerd was, weten wij niet, doch van de vier solisten heeft hij ons het minst voldaan. Zijn stem klonk te omfloerst, het was alsof die niet geheel kon loskomen. Af en toe klonk de stem bepaald ijl en doorgaans miste zij de noodige gloed” (Leeuwarder Nieuwsblad; 4-3-1939)

Op 5 april 1939 zong Gerard van den Berk de tenoraria’s in de ‘Johannes-Passion’ van Bach bij de Bredasche Bach-Kring in Concordia te Breda. De overige solisten waren de sopraan Corry Bijster, de alt Jo van de Meent-Walter, Jos. Luyten als de Evangelist, Wim van Sante in de Christus-partij en Siebe Carustra in de kleine baspartijen (Bredasche Courant; 1-4-1939).

Op 21 december 1939 werkte Gerard van den Berk mee aan een uitvoering van het ‘Weihnachts-Oratorium’ van Bach door de Chr. Oratorium Vereeniging Hallelujah in de Buitensocieteit te Zwolle. Overige solisten waren onder anderen Corrie Bijster, Jo van de Meent en Theo Baylé (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant; 15-12-1939).

1940

Gerard van den Berk zong op 22 en 23 januari 1940 de rol van Samson in een concertante uitvoering van ‘Samson et Dalila’ van Saint-Saëns in Haarlem. De Dalila-partij zong Jeanne van de Rosière en Otto Couperus was Le Grand-Prêtre de Dagon:

“Ook de duetten met Samson waren uitstekend, wat evenzeer te danken is aan haar partner Gerard van den Berk, een vertolker der Samson-partij, wiens prestaties in alle opzichten met grooten lof genoemd dienen te worden. Mooie stem, duidelijke uitspraak en dramatisch uitdrukkingsvermogen vereenigden zich hier tot een schoon geheel” (Haarlem’s Dagblad; 24-1-1940).

Ook na de inval van de Duitsers bleef Gerard van den Berk optreden. Zo was hij op 12 mei 1942 één van de solisten in ‘Christus am Ölberge’ van Beethoven in Haarlem naast Jo Vincent, Jo van de Meent-Walter en de bariton Herman Hülsmann (Oprechte Haarlemsche Courant; 21-3-1942).

1945

Kort na de bevrijding zong Gerard van den Berk alweer op 30 en 31 mei 1945 tijdens twee jubileumconcerten van de Bredasche Oratorium Vereeniging in de Groote Kerk te Breda  in ‘Die Schöpfung’ van Haydn (De Stem; 26-5-1945).

Op woensdag 17 april 1946 zong Gerard van den Berk de partij van de Evangelist in de ‘Matthäus-Passion‘ in Rotterdam naast Theo Baylé als Christus en Annie Hermes in de altpartij. De uitvoering werd gegeven voor leden van de Rotterdamse Gemeenschap in de Wilhelminakerk aan de Oranjeboomstraat te Rotterdam werd bijgewoond door Prins Bernhard (Het Vrije Volk; 15-4-1946).

In het kader van de Alphons Diepenbrock Herdenking in Nederland werd op zaterdag 28 september 1946 in de St. Bonifatius Kerk te Leeuwarden diens ‘Missa’ voor dubbel vierstemmig mannenkoor uitgevoerd. Gerard van den Berk was hierin de solist (Leeuwarder Koerier; 24-9-1946).

Op 20 juni 1949 won Gerard van den Berk één van de tweede prijzen in de categorie “Oratorium en Lied” van het Nationaal Vocalisten Concours in Diligentia te Den Haag. De eerste prijzen gingen naar Leo Ketelaars en Clementine Oomes. De beoordelings-commissie bestond uit Berthe Seroen (presidente), Theo Baylé, Eduard Flipse, Paul Hupperts, Kor Kuiler, Frans Vroons en Hermann Schey (Algemeen Handelsblad; 21-6-1949).

1950

Het laatste concert van Gerard van den Berk waarover de pers melding maakte, was een uitvoering van de ‘Matthäus-Passion’ van Bach in de St. Janskerk te Gouda op 8 april 1952. Bij de afdeling Gouda en Omstreken der Maatschappij tot bevordering der Toonkunst trad hij op naast de sopraan Corry Bijster, de alt Roos Boelsma, de tenor Frank Berga en de bassen Anton Eldering en Jan v. d. Ree. Het Rotterdamsch Philharmonisch Orkest, het Jongenskoor van Piet ’t Hart en het gemengd koor Caecilia stonden onder leiding van dirigent Nico Verhoeff (Trouw; 10-3-1952).

Op 31 maart 1953 werkte hij nog mee aan een uitvoering van de ‘Matthäus-Passion’ in de St. Janskerk te Gouda als de Evangelist (Trouw; 10-3-1953).

1955

Gerard van den Berk overleed op 2 augustus 1957 op 64-jarige leeftijd in St. Oedenrode (De Volkskrant; 5-8-1957).

“Nog vorig jaar gaf deze tenor op 63-jarige leeftijd een concert, dat grote bewondering afdwong […] Wie in St. Oedenrode naar de Brabantse zanger vroeg, werd door elke schooljongen naar de Nijnselseweg A 154 gewezen. Op een boerderij met een grote boomgaard er achter heeft de vrijgezel Gerard van den Berk zijn laatste levensdagen gesleten: midden in het boerenland, waar hij geboren werd” (De Volkskrant; 6-8-1957)

Op 6 augustus 1957 was de uitvaart van Gerard van den Berk in de St. Martitiuskerk in St Oedenrode.

“Deze scholing bracht Van den Berk in de theaters van vele Europese steden. De “Rooyse” zanger, die zijn ouders aanvankelijk (zonder succes) gesmeekt had om onderwijzer te mogen worden, was in de jaren 1935 tot 1940 een van de beste tenoren van West-Europa. Hij zong enkele malen onder Willem Mengelberg” (De Volkskrant; 6-8-1957)

Van optredens van Gerard van den Berk met Willem Mengelberg en ook van buitenlandse optredens van Van den Berk werd in de Nederlandse pers geen melding gemaakt.

1993

Ter gelegenheid van de 100e geboortedag van Gerard van den Berk werd door diens dorpsgenoten Bert Slits, Alphons van Horen en Gijs van Aarle in 1993 het boekje ‘Herinneringen aan Gerard van den Berk; Boer en Zanger’ samengesteld. In het boekje werd door hen veel materiaal verzameld, waaronder biografische gegevens, foto’s, programma’s, recensies en anekdotes.

2015

Op 19 augustus 2015 werd in St. Oedenrode een pad naar Gerard van den Berk vernoemd. Het pad loopt door natuurgebied Diependaal en is zo’n achthonderd meter lang. Gerard van den Berk moet hier gelopen hebben toen hij vanuit huis naar zijn ouders ging aan de Nijnselseweg.

Bronvermelding:
* Gijs van Aarle – ‘Herinnering aan Gerard van den Berk; Boer en Zanger’; 1993; Sint-Oedenrode.

Reportage