RECENSIE: Kálmán – Die Zirkusprinzessin

****
© Jörg Landsberg
Osnabrück, 25 november 2017

Genieten van Kálmáns ‘Die Zirkusprinzessin’ in Osnabrück

Het Theater van de “Friedensstadt” Osnabrück biedt een unieke gelegenheid om ‘Die Zirkusprinzessin’ van Emmerich Kálmán te beleven. Een operette-avond om blij van te worden.

‘Die Zirkusprinzessin’ betekende voor de componist Emmerich Kálmán (1882-1953) en zijn librettisten Julius Brammer en Alfred Grünwald een nieuwe uitdaging na het succes van ‘Gräfin Mariza’ (1924) en zij borduurden daarop nog even voort. Opnieuw inspireerde de Weense en Hongaarse achtergrond van Kálmán hen tot soirée-kleding, prinsen, uniformen, liefdesduetten en danshits. De orgie van zang, circus, kostuums, extase en dansacrobatiek zorgde ervoor dat de wereldpremière op 26 maart 1926 in het Theater an der Wien zes uur duurde en de aria “Zwei Märchenaugen” en de huzarenmars “Mädel gibt acht!” werden wereldhits.

‘Die Zirkusprinzessin’ zit vol heerlijke, vervalste identiteiten. Fedora Palinska is de weduwe van de oom van Fedja Palinsky. Fedja was ooit verliefd op haar, maar zij zag hem niet staan en hij besloot zich aan te sluiten bij het circus als de geheimzinnige Mister X. De door Fedora afgewezen prins Sergius Wladimir kent de identiteit van Mister X. niet en probeert hem nu aan Fedora te koppelen om haar te compromitteren als “circusprinses”. En dan is er nog de relatie tussen de Weense Toni Schlumberger – die voor een aristocraat wordt aangezien en de Wienerin Mabel, die zich uitgeeft voor een Amerikaanse hondendompteuze.

Zeven jaren na de wereldpremière moesten de tekstschrijvers, de componist en diverse uitvoerenden – waaronder Betty Fischer (Fedora), Fritz Steiner (Toni) en Elsie Altmann (Mabel) – vluchten voor de Nazi’s en werden de operettes van Kálmán niet meer gespeeld. Af en toe wordt ‘Die Zirkusprinzessin’ nu weer op het programma genomen en dit seizoen zijn er nieuwe producties in de Volksoper Wien, de Oper Graz en het Theater Osnabrück. Zo’n half uurtje over de Nederlands-Duitse grens biedt de “Friedensstadt” Osnabrück een unieke gelegenheid ‘Die Zirkusprinzessin’ te bezoeken.

Het regieteam onder leiding van Sonja Trebes heeft zich gemengd in de spreekteksten, waarin de grappen en verhalen van Brammer/Grünwald zoveel mogelijk behouden zijn. De eerste akte biedt het circus Stanislawski in St. Petersburg, de tweede het bal in het paleis van prins Sergius in St. Petersburg en de derde de herberg van moeder Carla Schlumberger in Wenen. De enscenering verwart echter met een schemerige onderlaag. Zo is de periode waarin het speelt onduidelijk. Het verhaal lijkt in eerste instantie verplaatst naar de jaren vijftig van de 19e eeuw, waar Sisi en Franz Josef diverse malen door de operette dansen. Maar luchtaanvallen op Wenen in de derde akte doen de Tweede Wereldoorlog vermoeden. Hier wordt de Russische prins Sergius tot wrede moordenaar gemaakt. Bloedbaden en opgewekte operette laten zich echter – ook muzikaal – niet goed combineren en uiteindelijk zakt de spanning in. Ten slotte blijft het happy end uit en wordt de reprise van “Mein Darling muß lieb sein” slechts instrumentaal gespeeld weggelaten.

Er zijn discrete coupures. Zo zijn helaas het tweede couplet en refrein van zowel het Auftrittslied van Fedora als van Mister X. geschrapt. “Die kleinen Mäderln im Tricot” van Toni is naar voren gehaald en ook het tweede duet van Toni en Mabel uit de tweede akte is – zoals wel vaker – gecoupeerd. Aan het begin van de derde akte is er met “Schöne Marquise” uit ‘Kaiserin Josephine’ van Kálmán een overbodige bijlage voor Fedora.

De titelrol wordt met gekrenkte diva-allures gezongen door de Duitse sopraan Susann Vent-Wunderlich, die sinds 2012 ensemblelid is in Osnabrück. Het is een vreugde om een volle stem in dit repertoire te horen en haar brede sopraan laat een Brünnhilde vermoeden voor over zo’n twintig jaar. Alle interessante muziek van ‘Die Zirkusprinzessin’ is echter voor Mister X. en de Duitse tenor Ralph Ertel zingt hem als echte “Kálmán-tenorheld” met stralende hoogte en Schmalz. Zijn aria “Wieder hinaus ins strahlendes Licht” in de eerste akte – de pendant van “Recitar! Mentre preso dal delirio” van Canio uit ‘Pagliacci’ – bezorgt kippenvel en ook zijn finale van de tweede akte gaat onder je huid. De Duitse bariton Jan Friedrich Eggers geeft goed profiel aan Prins Sergius en het buffo-paar Toni en Mabel worden prima neergezet door de spieltenor Mark Hamman – sinds 1996 in Osnabrück – en de Amerikaanse mezzosopraan Gabriella Guilfoil. Genadijus Bergorulko als de Zirkusdirektor en de veteranen Kammersängerin Eva Gilhofer als Toni’s moeder en herbergierster Carla Schlumberger en Johannes Bussler – sinds 1987 in Osnabrück – als haar slenterende ober Pelikan completeren het ensemble.

De Duitse dirigent Daniel Inbal is sinds 2009/2010 Erste Kappellmeister van het Osnabrücker Symphonieorchester en levert Schwung en temperament aan de walsen en foxtrots. Klankrijk, losjes en goedgeluimd het Opernchor des Theaters Osnabrück. Al met al een operette-avond om blij van te worden.

Buitenlandse Recensies, Nieuwe Recensie