RECENSIE: Rossini – Le Comte Ory

****
© Roland Zweers
Breda, 23 juni 2017


Begijnen even terug in Breda voor ‘Le Comte Ory’

De Bredase Opera heeft een uiterst bijpassende opera gevonden voor de viering van het 750-jarig bestaan van het Begijnhof in Breda. Op deze locatie voert het semi-professionele gezelschap op 23, 24 en 25 juni 2017 ‘Le Comte Ory’ van Rossini uit en men heeft er een bruisend feest van gemaakt.

De grond van het Begijnhof in Breda werd in 1267 door Hendrik V aan de Bredase begijnengemeenschap geschonken en in het kader van het 750-jarige jubileum van het Begijnhof voert de Bredase Opera de opera ‘Le Comte Ory’ van Gioacchino Rossini (1792-1868) uit.

‘Le Comte Ory’ (1828) is de laatste komische opera van Rossini en speelt zich af rond 1200 in de tijd van de Kruistochtvaarders. In de tweede en laatste akte van de opera dringt de titelheld met zijn vriend Raimbaud als bedevaartgangers het kasteel van gravin Adèle binnen om naar haar hand te dingen. Zij heeft echter slechts oog voor Isolier, de page van de Gouverneur van de Comte. Dit verhaal met zijn verkleedpartijen en geestige verwarringen leent zich uitstekend voor het thema van de begijnen.

Tegen het natuurlijke decor van de historische bebouwing van het Bredase Begijnhof krijgt de opvoering van ‘Le Comte Ory’ door de Bredase Opera een sfeervol podium. Op het bleekveld van het hof vinden de bezoekers hun zitplaats op een kleine tribune en zien zij de komische taferelen zich afspelen voor het kleine kerkje, dat is omringd door 29 huisjes. Heel toepasselijk voegt de kerkklok zich in de laatste akte vóór de finale bij de trompetten van het orkest wanneer de kruisvaarders aan de kasteelpoort wederkeren.

De Bredase Opera heeft voor de productie van ‘Le Comte Ory’ passende Nederlandse zangers geëngageerd. Jan Willem Schaafsma zingt de hoge tenorpartij van de titelrol en is op geen enkel moment onvast of wankel. Zijn hoge Cs staan als een huis – zoals in zijn cavatina “Que les destins prospères” – en hij toont zijn spottend komische talenten. De sopraan Maartje Rammeloo toont zich bij de Bredase Opera een goede opvolgster van Waldin Roes en een uitstekende Comtesse Adèle met perfecte coloraturen. De bariton Martijn Sanders is in spel en zang een schitterende Raimbaud en de lastige tekst van de acht coupletten in de aria “Dans ce lieu solitaire” vertolkte hij uitmuntend. De Belgische Anita Dur heeft een fraai ronde mezzo voor de huishoudster Ragonde en de beginnende countertenor Bram de Pauw als Isolier is een gewaagde, maar geslaagde keuze. Bariton Willem de Vries zingt de baspartij van de Gouverneur en zijn aria “Veiller sans cesse” werd uit de eerste akte geschrapt. Ula Biela als Alice, Erik Bomers als 1e Coryphee en Jan Willem van der Hagen als 2e Coryphee vervolmaken het ensemble.

Het Koor van de Bredase Opera is in zijn schik in de rol van begijnen aan het Begijnhof; de dames als de hofhouding van de gravin en de heren als de entourage van de graaf. De lastige invullingen van het koor zingen zij aandachtig en nauwkeurig. Het drinklied van de heren in de tweede akte – kostelijk onderbroken door een gebed – was briljant. Het Zuid-Nederlands Begeleidingsorkest – sinds 1998 bestaande uit Brabantse en Vlaamse beroep- en amateurmusici – speelt trouw en gedegen onder leiding van dirigent Lex Wiersma en de tempi zullen in de komende uitvoeringen ongetwijfeld nog meer bruisend en nog minder afwachtend worden. Er zijn kleine coupures gemaakt, zoals in de vierde scène van de eerste akte en in de tweede akte in de scène vóór het trio en vóór en tijdens de finale.

De Bredase Opera brengt met ‘Le Comte Ory’ de begijnen terug op het begijnhof, waar in 1990 de laatste begijn vertrok. Het is een muzikaal gedurfde keuze voor een opera die ruim 25 jaar geleden niet meer in Nederland werd opgevoerd. Dankzij de lange operatraditie en ervaring van het koor – opgericht in 1954 – werd het een geslaagd project. Het genodigde publiek luisterde geconcentreerd en toonde zich opgetogen door spontaan applaus.

Diverse Recensies, Nieuwe Recensie