REPORTAGE: 125ste geboortedag tenor Louis van Tulder

19-05-2017

Op 22 mei 1892 werd de Nederlandse tenor Louis van Tulder als Lodewijk Alidus Johannes van Tulder in Amsterdam geboren.

 

Louis van Tulder was het twaalfde kind van Wilhelmus Jacobus van Tulder, horlogemaker en winkelier, en Johanna Cornelia Elisabeth Smit. Zijn moeder overleed toen Lodewijk zes jaar was. Aangezien zijn vader in het kerkkoor zong en zijn broer Fortunas piano studeerde, kreeg Louis de liefde voor de muziek al vroeg mee.

1905
Na de lagere school vond zijn vader een baantje voor Lodewijk als jongste bediende bij een likeurstokerij Het Schipblok in de Oude Hoogstraat. Reeds jong werd hij als tweede tenor opgenomen in het koor van ‘De Vereenigde Kerkzangers’ onder leiding van Anton ter Steege.*

Al in 1908 speelde Louis van Tulder piano en zong hij solopartijen bij het gemengd koor van de R.K.-vereniging Charitas. Dit koor stond onder leiding van dirigent Johannes Winnubst (De Telegraaf; 23-11-1908).

Anton ter Steege bracht Louis van Tulder in contact met Magdalena Geertruida van Wisselingh-Meerum Terwogt en van haar ontving hij vanaf 1909 zijn eerste zanglessen.*

1910
Louis van Tulder was vanaf 1 mei 1911 werkzaam als boekhouder bij de Amsterdamsche Bank.*

Op 24 april 1913 zong hij de tenorpartij in twee delen van ‘Die Jahreszeiten’ van Haydn bij zangvereniging Kunst door Oefening in Bellevue te Amsterdam (De Telegraaf; 15-4-1913).

Van Tulder viel op 11 januari 1914 in voor Jacques van Kempen in een uitvoering van ‘Die Jahreszeiten’ in het Concertgebouw van Amsterdam:

“Louis van Tulder, in plaats van de heer Jac. van Kempen […] Zijn echt lyrische tenorstem klinkt zeer gedistingeerd; jammer, dat hij, uit voorzichtigheid, wel eens wat te zoet wordt, vooral in de recitatieven waarin men meer uitdrukking kan wenschen” (Het Nieuws van den Dag; 12-1-1914)

1915
Louis van Tulder verliet in september 1915 zijn bureaukruk om zich geheel aan de zangkunst te wijden.*

Louis van Tulder, 1916

Door een optreden bij een familiefeest ontmoette Louis van Tulder de dirigent Willem Mengelberg.* Dit contact leidde ertoe dat Van Tulder in mei 1916 tijdens een pensioenfondsconcert onder diens leiding mocht zingen met het Concertgebouworkest in het slotdeel van de Negende Symfonie van Beethoven naast Aaltje Noordewier-Reddingeus, Pauline de Haan-Manifarges en Thom DeNijs (Algemeen Handelsblad; 2-5-1916).

Louis van Tulder trouwde op 14 september 1916 met Josephine Maria Winnubst (1893-1955), de dochter van koordirigent Johannes Winnubst. Uit dit huwelijk zouden drie zonen worden geboren.

Op 2 oktober 1916 maakte Louis van Tulder zijn operadebuut als Rodolfo in ‘La Bohème’ van Puccini bij De Nederlandsche Opera van Gerhardus H. Koopman in het Paleis voor Volksvlijt. De Nederlandse sopraan Annie Ligthart was Mimì:

“Louis van Tulder debuteerde als operazanger in de rol van Rodolphe. Zijn stem heeft een week lyrisch timbre, het geluid kan stijgen en dalen met Puccini’s zoete cantilenen. Alleen in het hooge register moest de tenor bij krachtuitzetting zich te veel inspannen, maar wij vernamen, dat hij slecht gedisponeerd was. Als acteur doet Van Tulder nog wat onbeholpen, wat wel spoedig veranderen zal, want voor een debutant bewoog hij zich al gemakkelijk” (Algemeen Handelsblad; 3-10-1916)

“En welk een krachten had men voor do beide hoofdrollen in Louis van Tulder en Annie Ligthart, beiden, meenen wij, voor het eerst op het tooneel, en beiden krachten die het beste opera-gezelschap ons benijden kan” (Het Volk; 3-10-1916)

“Louis van Tulder debuteerde in de belangrijke rol van Rodolphe, den dichter, waarvoor we een tenor wenschen, die met een oneindige lyriek het hoofdthema boven het orkest kan uitzingen, welke lyriek de dirigent van Raalte in plotselinge enthusiaste oogenblikken bereikte, doch die niet lag in de schrale, onbeduidende en eenigszins geknepen hooge tonen van Van Tulder. Deze muzikale zanger met zijn schoon timbre moet voor zich zelf den stap beoordeelen, dien hij deed. toen hij – met de wetenschap, dat zijn hoogte niet af is – van de concertzaal naar den schouwburg overging. Het zou echter een grove onrechtvaardigheid zijn thans den speler te gaan critiseeren; we willen alleen constateeren, dat het laatste gewichtige moment hem vrijwel gelukt is, waarvoor hij Fortuna niet genoeg kan danken. Muzikaal heeft hij mooie dingen gedaan; wat buiten zijn bereik lag in de forti, compenseerde hij door prachtig en innig gezongen gedeelten met halve stem. We zullen met meer dan gewone belangstelling zijn creaties van andere rollen afwachten” (De Tijd; 3-10-1916)

“Men kwam me zeggen, dat Louis van Tulder heesch was en om half zeven niet wilde optreden. Het is mogelijk en de hooge noten klonken soms een tikje gescheurd, maar – oude enthusiasten – was het geen schitterend debuut, deze jonge zanger als Rodolphe. en hebben wij bij Cav. de Hondt, die ze wist te kiezen, al een tenor gehoord met een Italiaanscher timbre? Prachtig! Heuckeroth of Engelen moeten zijn spel nog wat losser maken en hij is er als meesterzanger” (De Telegraaf; 3-10-1916)

Twee weken later op 17 oktober 1916 was de pers lovend over zijn roldebuut als Basilio in ‘Le Nozze di Figaro’ van Mozart bij De Nederlandsche Opera in de Amsterdamse Stadsschouwburg:

“Louis van Tulder (Basilio) trof ons weer door het zoete, lyrische timbre van zijn stem” (Algemeen Handelsblad; 18-10-1916) 

“terwijl de Basilio van Van Tulder levendig en met frissche stem voor het voetlicht kwam” (De Tijd; 18-10-1916)

Puccini – Madama Butterfly; Louis van Tulder (Pinkerton); seizoen 1916 / 1917

Tijdens zijn roldebuut als Pinkerton in ‘Madama Butterfly’ van Puccini op 5 december 1916 bij De Nederlandsche Opera in de Amsterdamse Stadsschouwburg was hij niet gedisponeerd:

“ook van Tulder (Pinkerton) bleek daar niet geheel bij stem” (De Telegraaf; 6-12-1916)

Aangaande zijn eerste vertolking van Beppe in ‘Pagliacci’ van Leoncavallo op 17 februari 1917 bij De Nederlandsche Opera in de Groote Schouwburg te Rotterdam meldde de plaatselijk krant slechts zijn naam:

“Helvoirt Pel, een kranige Tonio, die terecht met den uitstekend gezongen proloog luide toejuichingen gevonden heeft, van Tulder en Lattink, wiens kunst van tooneelspelen nog gering is” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 18-2-1917)

In april 1917 was Van Tulder bij De Nederlandsche Opera voor het eerst te bewonderen als Julien in ‘Louise’ van Charpentier in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen:

“Louis van Tulder (Julien) zong zijn partij gevoelig muzikaal. Hij heeft een klankrijk lyrisch geluid, maar beweegt zich nog niet gemakkelijk op ’t tooneel” (Delftsche Courant; 14-4-1917)

Over zijn vocale prestatie in zijn roldebuut als Jean in ‘Hérodiade’ van Massenet op 7 juli 1917 bij De Nederlandsche Opera in het Stadion van Amsterdam vermeldt de pers niets concreets:

“de artisten Meissner, Ligthart, Helvoirt Pel, Pul, Kubbinga en van Tulder; (hunne stemmen klonken zonder uitzondering goed door de groote ruimte.)” (De Tijd; 9-7-1917)

“de stemmen van alle solisten klonken prachtig door en wij hebben menigmaal het orgaan van een tenor als Louis van Tulder, die de Johannes-partij vervulde en van Paul Pul, die als Vitellius fungeerde, minder fraai tot zijn recht hooren komen” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 9-7-1917)

“Johannes de Dooper zat in de gedaante van Louis van Tulder op een mak paard” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 10-7-1917)

Op 24 augustus 1917 kwam te Amsterdam zijn eerste zoon Joop ter wereld (De Maasbode; 25-8-1917).

Louis van Tulder zong in het nieuwe seizoen 1917/1918 van De Nederlandsche Opera op 2 oktober 1917 Steketee in ‘Der Schneider von Schönau’ van Jan Brandts Buijs in de Amsterdamse Stadsschouwburg:

“Het trio van Steketee, Peketee, Feketee (Van Tulder, Monasch. v. Bijleveldt) moeilijk, doch volmaakt voorbereid, komisch, onderhoudend, levendig van typeering en pittoresk” (De Telegraaf; 3-10-1917)

Op 2 november 1917 zong Van Tulder bij De Nederlandsche Opera tevens de titelrol in ‘Faust’ van Gounod (De Tijd; 31-10-1917).**

Van Tulder zong op 20 november 1917 de rol van Tavannes in ‘Les Huguenots’ van Meyerbeer bij De Nederlandsche Opera in de Amsterdamse Stadsschouwburg:

“Anton Dirks (graaf de Nevers) en Louis van Tulder (Tavannes) droegen mede tot het succes bij” (De Tijd; 21-11-1917)

Op 13 december 1917 trad Van Tulder op als Wilhelm Meister in ‘Mignon’ van Thomas bij De Nederlandsche Opera in het Paleis voor Volksvlijt:

“Louis van Tulder was naast haar een wat nuchtere Wilhelm Meister, wiens jonge stem echter de zoetvloeiende muziek van Thomas alle recht deed wedervaren” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 18-12-1917)

Louis van Tulder vertolkte op 26 januari 1918 bij De Nederlandsche Opera de rol van Tamino in ‘Die Zauberflöte’ van Mozart in de Groote Schouwburg van Rotterdam:

“Van Tulder gaf aan den “heerlijken jongeling” Tamino al de klankvolle delicatessen van zijn frisschen lyrischen tenor” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 29-1-1918)

Op 5 maart 1918 zong hij de rol van Jaquino in ‘Fidelio’ van Beethoven bij De Nederlandsche Opera in de Amsterdamse Stadsschouwburg:

“Van Tulder was een aannemelijke Jacquino” (Algemeen Handelsblad; 6-3-1918)

Van Tulder was op 20 april 1918 Duca in ‘Rigoletto’ van Verdi bij De Nederlandsche Opera in de Groote Schouwburg te Rotterdam:

“Louis van Tulder had de rol van den hertog van Mantua voor zijn rekening genomen. Zijn geluid lijkt wat te schriel voor deze partij en zijn orgaan in de hoogere ligging niet geheel toereikend. Overigens gaf ook hij veel te genieten […] Van Tulder kreeg na afloop een bloemenhulde” (De Maasbode; 21-4-1918)

Op 15 december 1918 trad hij bij De Nederlandsche Opera op in de rol van Lyonel in ‘Martha’ van Von Flotow in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag (Haagsche Courant; 13-12-1918).**

Hij vertolkte op 17 februari 1919 Alfredo in ‘La Traviata’ van Verdi bij De Nederlandsche Opera in het Paleis voor Volksvlijt:

“De tenorpartij was toevertrouwd aan Van Tulder, die te voren liet annonceeren, dat hij verkouden was; dit in aanmerking genomen zong hij bevredigend, al is zijn geluid in de levenswarme muziek van Verdi wat erg dun en nuchter. Ik vrees, dat Van Tulder als tooneel-minnaar altijd den indruk zal blijven maken van een naïeven verwonderden knaap” (Algemeen Handelsblad; 18-2-1919)

“Van Tulder absoluut stil en schijnt zijn heele telent te hebben uitgeput Ik had werkelijk meer van hem verwacht dan een onbeholpen, sloomen, onnoozelen minnaar, dan een zanger, die zijne partij over ‘t algemeen stroef en zonder intelligentie afhakkelt dan een droge, spichtige stem, welke zich nergens ontplooit” (De Telegraaf; 18-2-1919)

Rossini – Il Barbiere di Siviglia; Lea Fuldauer (Rosina), Jacques van Bijlevelt (Bartolo), Eduard van der Ploeg (Figaro), Coen Muller (Basilio), Louis van Tulder (Almaviva); seizoen 1920 / 1921

Op 5 april 1919 als Almaviva in ‘Il Barbiere di Sivigia’ van Rossini bij De Nederlandsche Opera in de Groote Schouwburg te Rotterdam (Rotterdamsch Nieuwsblad; 4-4-1919)

In het seizoen 1918/1919 bij De Nederlandsche Opera tevens Nando in ‘Tiefland’ van D’Albert.**

Hij werkte op 19 en 21 juni 1919 mee als 3. Knappe in ‘Parsifal’ van Wagner bij de Wagnervereeniging naast Jacques Urlus, Bertha Morena, Heinrich Schlusnuss en Richard Mayr met het Concertgebouworkest onder leiding van Anton von Fuchs in de Amsterdamse Stadsschouwburg:

“Minnie van Velsen, Jeanne Beyenburg, Louis van Tulder en E. Miedema maakten de vier pages vrij dragelijk” (De Telegraaf; 20-6-1919)

Vanaf september 1919 maakte Van Tulder deel uit van de in Den Haag gevestigde NV Nationale Opera, onder directie van Willem van Korlaar jr.

Op 30 september 1919 zong Louis van Tulder bij de N.V. Nationale Opera van Willem van Korlaar jr. Ein Steuermann en Ein Hirte in ‘Tristan und Isolde’ van Wagner in de Amsterdamse Stadsschouwburg:

“Louis van Tulder heeft zich als herdersknaap en in het matrozenlied onderscheiden” (Nieuwe Rotterdamsche Courant; 1-10-1919)

“Van Tulder zong heel mooi de twee kleine partijen (zeeman en herdersknaap)” (De Tijd; 1-10-1919)

“Van Tulder zong het mooie zeemanslied in de eerste acte muzikaal en welluidend” (Algemeen Handelsblad; 1-10-1919)

“Louis van Tulder zong verdienstelijk de kleine partijen van herder en zeeman” (De Maasbode; 1-10-1919)

1920
Louis van Tulder vertolkte op 22 januari 1920 bij de N.V. Nationale Opera de rol van Der Hirt in ‘Die toten Augen’ van D’Albert in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te ’s-Gravenhage:

“Louis van Tulder heeft in timbre en opvatting alles om een engel van een herder te zijn” (Het Vaderland; 23-1-1920)

Op 31 januari 1920 werd zijn tweede zoon Peter geboren (De Maasbode; 5-12-1945).

Van Tulder zong op 20 maart 1920 bij de N.V. Nationale Opera de rol van Peter Ivanov in ‘Zar und Zimmermann’ van Lortzing in de Groote Schouwburg te Rotterdam:

“Louis van Tulder. vrijwel de eenige, die in zuiverheidsopzicht zich aan geen overtredingen schuldig maakte, trad als Iwanow op” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 23-3-1920)

Een maand later trad hij op 27 april 1920 bij de N.V. Nationale Opera op als Ange Pitou in ‘La Fille de Madame Angot’ van Lecocq:

“Van Tulder (Ange Pitou) en Jos. Besselink (Pomponnet) speelden en zongen bevredigend” (Algemeen Handelsblad; 28-4-1920)

d’Albert – Revolutionhochzeit; Louis van Tulder (Ernest de Tressailles), Faniëlla Lohoff-Poons (Alaine de l’Estoile), Leonard van Rhenouwen (Marc Arron); seizoen 1920 / 1921

Op 11 oktober 1920 vertolkte hij bij de N.V. Nationale Opera tevens Ernest de Tressailles in ‘Revolutionshochzeit’ van D’Albert in de Societeit Concordia te Breda:

“Louis v. Tulder moge als zanger over een uitstekende stem beschikken, als acteur voldeed hij gisteravond in zijn rol van den wuften Markies Ernest de Tressailies niet zoo best. Hij mist niet zoo zeer de buigzaamheid, die voor deze rol noodig is, als wel het vermogen, om er het noodige cachet aan te geven” (Bredasche Courant; 12-10-1920)

Op 26 januari 1921 trad Van Tulder bij de N.V. Nationale Opera op als Alfred in ‘Die Fledermaus’ van Johann Strauss jr. in de Amsterdamse Stadsschouwburg:

“Van Tulder, die na zijn ziekte weer optrad in de rol van Alfred, kreeg na het eerste bedrijf een fraai bloemstuk” (Het Vaderland; 27-1-1921)

Louis van Tulder vertolkte op 10 februari 1921 bij de N.V. Nationale Opera de rol van Erik in ‘Der fliegende Holländer’ van Wagner in et Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Den Haag. De pers erkende dat hij geen Wagnerzanger was:

“Alleen van Tulder schoot te kort in zijne middelen” (Voorwaarts; 14-2-1921)

Op 18, 20 en 22 april 1921 werkte Van Tulder mee aan gastvoorstellingen van ‘Tristan und Isolde’ door de N.V. Nationale Opera in het Théâtre des Champs Elysées van Parijs:

“De voorstellingen van „Tristan en Isolde”, die de Nationale Opera, daartoe uitgenoodigd, in het Théatre des Champs Elysées te Parijs zal geven, zullen plaats vinden op 18, 20 en 22 April e.k. Het orkest van het Théatre des Champs Elysées, voor deze gelegenheid aanmerkelijk versterkt, zal gedirigeerd worden door Albert van Raalte, die eenige dagen vroeger zal vertrekken. De hoofdpartijen worden vervuld door de heeren Jac. Urlus, Anton Dirks, Hendrik Kubbinga, Louis van Tulder en André Span en de dames Liesbeth Poolman-Meissner en Greta Santhagens-Manders. De voorstellingen zullen plaats vinden in de Nederlandsche taal” (Arnhemsche Courant; 24-3-1921)

Op 2 oktober 1921 zong Louis van Tulder de rollen van Faust, Rodolfo en Duca bij de Nederlandsche Opera van Chris de Vos in het Theater Carré van Amsterdam.**

Louis van Tulder richtte in 1922 samen met de sopraan Janna Brandsma, de alt Suze Luger-van Beuge en de bas Jan Dekker het Hollandsch Vocaal Kwartet op. Met dit kwartet gaf Van Tulder vele concerten (Algemeen Handelsblad; 7-6-1922).

Vanaf 1928 nam Jo Vincent de sopraanpartijen over en vanaf 1930 zong Willem Ravelli de baspartijen.

Louis van Tulder zong in het seizoen 1922/1923 bij de N.V. Nationale Opera van Karel van Bijlevelt, Jan Heijthekker en Gehardus Koopman opnieuw Faust, Duca en Rodolfo.**

In dat seizoen 1922/1923 vertolkte hij bij het Gezelschap Chris de Vos een aantal malen de rol van Duca in de Amsterdamse Stadsschouwburg (De Telegraaf; 21-9-1922).

Hij maakte in augustus 1924 acht plaatopnamen: Een fragment uit ‘Messa da Requiem’ van Verdi, ‘Ave Verum’ van Mozart, van W.P.H. Jansen ‘Quasi aurora’ en ‘Cor Jesu’, ‘Ave Maris Stella’, ‘Ave Maria’ van H. Cuypers, ‘Rorate Coeli’ en ‘Ecce Panis’ van Viotta.

Louis van Tulder trad in het seizoen 1924/1925 op bij Co-Opera-Tie van Albert van Raalte en Alexander Poolman in de rol van Faust in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te ’s-Gravenhage.**

In dat seizoen 1924/1925 zong hij ook bij de N.V. Opera van Chris de Vos en Désiré Pauwels een aantal malen Faust. Op 28 september 1924 vertolkte hij de titelrol in Theater Carré van Amsterdam:

“Louis van Tulder (Faust) behoort tot onze beste tenoren. Ik ken onder onze operakrachten geen zo muzikaal en beschaafd zanger. Maar zijn stem is te klein voor ’n gebouw van de omvang van Carré, en legt ’t in de samenzang tegen ’t zware geluid van Paul Pul (Mefisto) volledig af” (Het Volk; 29-9-1924)

1925
In 1925 of 1926 werd zijn derde zoon Alexander geboren.

Louis van Tulder stond op 23 augustus 1927 in de opnamestudio van His Master’s Voice te Londen voor twee liederen van Hugo Wolf: “Wenn du zu den Blumen gehst” en “Ach im Maien war’s im Maien”. Twee dagen later nam hij twee opera-aria’s op onder leiding van dirigent George W. Byng: “La fleur que tu m’avais jetée” uit ‘Carmen’ van Bizet en het Franstalige “Votre main est glacée” uit ‘La Bohème’.

Louis van Tulder zong de rol van Valentijn in ‘Beatrijs’ van Willem Landré op 1 oktober 1927 in de Stadsschouwburg van Utrecht en op 3 oktober 1927 in de Groote Schouwburg van Rotterdam:

Louis van Tulder, 1927

“Louis van Tulder zong zijn niet minder moeilijke, zij het dan minder omvangrijke partij, met bewonderenswaardige zekerheid, en hij was zoowat de eenige, wiens intonaties altijd juist waren” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 4-10-1927)

In mei 1928 zong Van Tulder tijdens het Stravinsky-festival in de Salle Pleyel van Parijs op uitnodiging van de componist Igor Stravinsky zelf in zijn ‘Oedipus Rex’:

“De eenige mooie „rol”, maar ook de moeilijkste, is die van den ongelukkigen Oedipus en ’t is geen kleinigheid, dat men die had opgedragen aan Louis van Tulder (en niet Van Thulder, zooals het programma-van-een-gulden-vermeldde). Verleden week hebben we Van Tulder bewonderd in de beide Passionen van Bach en nu zijn Oedipus. Ik zeg met opzet zijn Oedipus, want Van Tulder’s interpretatie is verre, boven hetgeen de componist mocht verwachten, uitgegaan. Deze Nederlandsche tenor weet van de moeilijke, maar ook eenigszins verwarde, als door een zekeren waanzin aangetaste, muziek iets aangrijpend menschelijks te maken en dat, terwijl hij gehandicapt wordt, door den tekst, dat Stravinsky wel een abonnement bij Van Tulder mocht nemen voor alle volgende Oedipus-opvoeringen. Van Tulder’s veelzijdigheid (wat zijn we hier ver van den Evangelist) heeft op de velen, die speciaal voor hem naar de Pleyel-zaal terug waren gekomen, een diepen indruk gemaakt. En we gelooven, dat hij zich vooral gisteravond een blijvende plaats heeft veroverd in de Fransche muziekwereld” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 25-5-1928)

In het seizoen 1928/1929 was hij bij Co-Opera-Tie van Albert van Raalte en Alexander Poolman te bewonderen als Tamino en Wilhelm Meister in ‘Mignon’.**

Op 22 juni 1929 zong Louis van Tulder nogmaals als 3. Knappe in ‘Parsifal’ van Wagner bij de Wagnervereeniging – tien jaren na zijn vorige optreden in de opera – opnieuw naast Jacques Urlus en verder Elisabeth Ohms, Rudolf Bockelmann en Emanuel List. Het Concertgebouworkest stond onder leiding van Max von Schillings in de Amsterdamse Stadsschouwburg. De voorstelling van 24 juni 1929 werd door de radio uitgezonden (Haagsche Courant; 22-6-1929). Dit was het laatste optreden van Louis van Tulder in een opera.

1930
Louis van Tulder nam voor het label Columbia in Londen met de sopraan Jo Vincent op 8 juli 1930 het liedduet “Ich denke dein” van Schumann” en op 10 juli 1930 het duet van Hanne en Lukas “Ihr Schönen aus der Stadt” uit ‘Die Jahreszeiten’ van Haydn op.

Na terugkeer in Nederland werd hij getroffen door een maagbloeding:

“Naar wij vernemen, is de bekende tenor zanger Louis van Tulder dezer dagen, kort na terugkeer uit Engeland, waar hij voor de gramofoon had gezongen, ernstig ongesteld geworden aan storingen in de maag. Hij wordt thans verpleegd in de inrichting St. Antonius Hove te Voorburg en naar de geneesheeren verzekeren zal van een optreden in verscheidenen maanden geen sprake kunnen zijn. Voor het oogenblik is de toestand van den zanger zeer ernstig” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 21-7-1930)

“De toestand van Louis van Tulder, die naar men weet wegens een maagbloeding in Bt. Antonius-Hove te Voorburg wordt verpleegd, is vooruitgaande. De bloeding is thans tot stilstand gekomen” (Het Vaderland; 24-7-1930)

“De heer Louis van Tulder, die sedert geruimen tijd verpleegd werd in het ziekenhuis St. Antonius te Voorburg, is thans in zooverre hersteld, dat hij Donderdag a.s. het ziekenhuis zal verlaten” (Tilburgsche Courant; 13-8-1930)

Louis van Tulder gaf vanaf de zomer van 1930 alweer solozangcursussen aan de Rotterdamsche Toonkunst-Muziekscholen (Voorwaarts; 29-8-1930).

En een kleine maand na het verlaten van het ziekenhuis stond Louis van Tulder alweer op het concertpodium:

“De bekende opera-zanger Louis van Tulder, die eenigen tijd wegens een maagaandoening in St. Antonius Hove te Voorburg werd verpleegd, is sedert 24 Augustus in zijn woning te Rijswijk teruggekeerd en thans geheel hersteld. Hij zal op Woensdag 10 en Donderdag 11 September medewerken in de 9e Symphonie van Beethoven, in het Kurhaus, te Scheveningen” (Haagsche Courant; 8-9-1930)

1935
Louis van Tulder werkte op 24 juni 1935 mee aan een uitvoering van de ‘Matthäus Passion’ in het Concertgebouw van Amsterdam onder leiding van Willem Mengelberg. Van deze uitvoering is een opname bewaard gebleven, die in 2004 op CD is uitgebracht (label Naxos).

Louis van Tulder verhuisde in 1937 van Rijswijk naar Voorburg. Hij werd in december van dat jaar ter gelegenheid van zijn 25-jarig zangersjubileum bevorderd tot officier in de orde van Oranje-Nassau:

“Bij K. B. van 15 December is Louis van Tulder, concertzanger te Voorburg, bevorderd tot officier in de orde van Oranje-Nassau” (De Noord-Ooster; 18-12-1937)

Ten tijde van zijn zilveren jubileum zou Louis van Tulder de tenorpartij uit de ‘Matthäus Passion’ reeds 225 maal hebben vertolkt (Algemeen Handelsblad; 13-11-1969).

Louis van Tulder en Jo Vincent verleenden op 22 en 23 november 1938 hun medewerking aan uitvoeringen van de ‘Matthäus Passion’ te Weenen onder leiding van Wilhelm Furtwangler (De Tijd; 9-11-1938).

Op 5 november 1939 trad Van Tulder op met het Toonkunstkoor onder leiding van Carl Schuricht in het Concertgebouw van Amsterdam in de tenorpartij van het ‘Messa da Requiem’ van Verdi (De Telegraaf; 5-11-1939). Van de uitvoering is een opname bewaard gebleven, die in 2003 op CD is uitgebracht (label Arioso).

1940
Louis van Tulder werkte op 28 april 1940 mee aan een uitvoering van de Negende Symfonie van Beethoven in het Concertgebouw van Amsterdam onder leiding van Willem Mengelberg. Van de uitvoering is een opname bewaard gebleven, die in 2001 op CD is uitgebracht (label Classica d’Oro).

1945
Louis van Tulder ontving op 3 december 1945 na jaren van onzekerheid bericht dat zijn zoon Peter als Luitenant ter Zee der Koninklijke Marine in de Javazee op 27 februari 1942 was gestorven (De Maasbode; 5-12-1945).

In 1946 werd Louis van Tulder benoemd tot directeur van het zangkoor van de St. Liduinakerk in Den Haag (De Tijd; 13-11-1969).

Zijn autobiografie ‘Van kantoorkruk tot hoge C’ verscheen in 1947.

1950
Louis van Tulder nam op 12 mei 1950 afscheid van het concertpodium:

“Op die 12e mei 1950 heb ik bericht gekregen, dat, mijn jongste zoon leed aan een hersentumor en ten dode was opgeschreven. Ik kon niet meer zingen” (De Telegraaf; 22-5-1962)

Naast dit persoonlijke motief was er voor Van Tulder ook een financiële reden om zijn concertpraktijk te staken:

“Voor de oorlog kon een zanger van vijftig, zestig concerten per jaar bestaan; de honoraria zijn sindsdien onvoldoende gestegen. Wie nu een redelijk leven voor zichzelf en zijn gezin bij elkaar wil zingen moet meer dan honderd engagementen per jaar aannemen, liefst op zo jeugdig mogelijke leeftijd. Welke stem houdt dat vol?” (Algemeen Handelsblad; 21-5-1957).

Zijn jongste zoon Alexander overleed op 23 augustus 1953 (De Telegraaf; 24-8-1951).

Louis van Tulder vond na zijn afscheid van het concertpodium, een bevredigende levensvulling:

“Niet in de grote steden, maar in de kleine plaatsen van het Westland: De Lier en andere. Daar trof hij, als koordirigent. een korps van zangers en zangeressen aan dat, onbekend met het grote repertoire, onbekend zelfs met het notenschrift, bereid bleek voor de koorzang alles op te offeren” (Algemeen Handelsblad; 21-5-1957)

1955
Louis van Tulder raakte op 16 maart 1955 gewond bij een verkeersongeval:

“Woensdagavond is de bekende zanger Louis van Tulder in het plaatsje Den Hoorn nabij Delft bij een auto-ongeluk betrokken geweest, waarbij hij een hersenschudding en een hoofdwond opliep. Bij de landbouwer Vollering aan de Woudseweg kwam de vrachtauto van C. Tetteroo achteruitrijden. Uit de richting Delft kwam een Volkswagen, waarin Louis van Tulder met een chauffeur. Vermoedelijk door de regen kreeg de chauffeur de manoeuvrerende vrachtwagen te laat in het oog, waardoor de Volkswagen er tegenaan reed. De Volkswagen werd aan de voorzijde geheel vernield en de inzittenden raakten bekneld. De chauffeur kon zelf nog uit de wagen komen, maar de heer Van Tulder had daarbij de hulp nodig van de EHBO-er P. Sosef en enige omstanders. Het slachtoffer is bij de heer Vollering binnengedragen, waar hem eerste hulp is verleend. De heer Van Tulder is per ziekenauto naar St.-Antoniushoeve in Voorburg vervoerd” (Het Vrije Volk; 17-3-1955)

“De zanger Louis van Tulder, die zich enige jaren geleden van het concertpodium heeft teruggetrokken en thans als paedagoog en koordirigent werkzaam is, is Woensdagavond gewond bij een autoongeluk. Vlak bij de plaats Den Hoorn is onverhoeds een vrachtwagen achteruit de weg opgereden, waardoor een botsing met de naderende personenauto, waarin de heer Van Tulder gezeten was, onvermijdelijk werd. Louis van Tulder liep een hersenschudding en een aantal snywonden op; hij is in de St. Antoniushoeve te Voorburg opgenomen; zijn toestand baart geen directe zorgen. De bestuurder van de personenauto, waarin de heer van Tulder zat, en die van de vrachtwagen bleven ongedeerd” (Algemeen Handelsblad; 18-3-1955)

Een half jaar later in 1955 overleed zijn echtgenote.

1960
Louis van Tulder huwde op 15 november 1961 de 24 jaar jongere Wilhelmina Johanna Beringer (1916-2004). Dit huwelijk bleef kinderloos.

1965
Louis van Tulder werd op 12 november 1969, toen hij in Hilversum de weg overstak, door een auto aangereden. Hij overleed bij aankomst in het ziekenhuis:

“Gisteravond is op 77-jarige leeftijd de zanger Louis van Tulder overleden. Toen hij het etablissement De Jonge Haan verliet en de ‘s-Gravelandseweg in Hilversum overstak, werd hij gegrepen door een naderende personenauto. De bestuurder remde vergeefs. De heer van Tulder overleed even later in het RK ziekenhuis te Hilversum” (Algemeen Handelsblad; 13-11-1969)

Louis van Tulder werd op 17 november 1969 begraven op de R.K. Begraafplaats aan de Brinckhorstlaan te Den Haag. De rechthebbende(n) heeft/hebben in 1990 afstand gedaan van het graf, waarna de stoffelijke resten van Van Tulder werden geschud en een etage lager zijn herplaatst. De grafsteen werd niet bewaard.

Bronnen:
* Louis van Tulder – Van Kantoorkruk tot Hooge C (Baarn: Uitgever De Boekerij, 1941)

** Annalen van de Operagezelschappen in Nederland [eindred. Piet Hein Honig] (Amsterdam: Theater Instituut Nederland, 1996)

Reportage