RECENSIE: Verdi – Rigoletto

***
© DNO
Amsterdam, 10 mei 2017

DNO ‘Rigoletto’ van dissociatieve gekkigheid

MUZIKAAL

1. Is men trouw aan de muziek of zijn er veranderingen? *****
– De Nationale Opera (DNO) speelt voor het eerst sinds dertien jaren weer eens ‘Rigoletto’ van Giuseppe Verdi (1813-19). De vorige productie dateert uit 2004 en was een enscenering van Monique Wagenmakers. ‘Rigoletto’ wordt anno 2017 in drie akten met discrete coupures opgevoerd. DNO vermeldt in het programmaboekje dat de wereldpremière in 1861 plaats vond, maar dat is tien jaren te laat.

2. Zijn de zangers rollendekkend? ***
– De Parmazaanse bariton Luca Salsi geeft vocaal een uitstekend portret van Rigoletto en elk woord maakt hij voelbaar. Hij zingt graag hard en zijn inzetten zijn wreed. Hij laat de hoge noten weg, die in de loop van de jaren door baritons in de partij zijn aangevuld (zoals aan het einde van “Pari siamo!” en in de finale), maar schrapt ook de hoge F aan het einde van “Si, vendetta”, die Verdi wél voorschrijft. De Cubaans-Amerikaanse sopraan Lisette Oropesa is een vocaal frisse, sierlijke en technisch goede Gilda, die aan het einde van “Caro nome” geen hoge E toevoegt. De Albanese tenor Saimir Pirgu is een “Draufgänger” Duca, die zonder veel legato zingt, al vroeg dekt in het borstregister en knijpt in het kopregister. Hij laat de hoge B aan het einde van “La donna è mobile” – conform de partituur van Verdi – weg, maar gaat in het duet met Gilda in de eerste akte wel mee naar haar hoge Des. De Poolse bas Rafał Siwek is een sonore Sparafucile met een lekkere lage F, maar in onverstaanbaar Italiaans. De Italiaanse mezzo Annalisa Stroppa is een modale Maddalena en ook de bijrollen zijn adequaat, maar niet opvallend bezet.

3. Is de dirigent betrokken bij het podium? ****
– Dirigent Carlo Rizzi maakte al in 1993 een CD-opname van ‘Rigoletto’ met de Welsh National Opera voor Teldec en dirigeerde de opera reeds in 1998 in de l’Opéra de Paris. Rizzi leidde bij DNO al zo’n tien producties. Hij heeft uitstekend contact met het podium, geeft goed aan en zingt mee. Rizzi onttrekt fraaie kleuren aan het Nederlands Philharmonisch Orkest, de tempi zijn passend en hij heeft de teugels goed in handen.

4. Vormen de (koor- en) orkestleden onderling en samen een eenheid? ****
– Het Koor van DNO en het Nederlands Philharmonisch Orkest voelen zich hoorbaar thuis in dit repertoire.

DRAMATURGISCH

5. Komt de enscenering overeen met het libretto? **
– ‘Rigoletto’ wordt bij DNO geregisseerd door Damiano Michieletto (Venetië, 1975), die eerder verantwoordelijk was bij DNO voor een krampachtige ‘Il Viaggio a Reims’ en bij het Royal Opera House Covent Garden van Londen voor een meer geslaagde, conventionele ‘Cavalleria Rusticana’/‘Pagliacci’. Michieletto grijpt voor ‘Rigoletto’ terug naar zijn conceptuele aanpak. De opera speelt zich af in een psychiatrische inrichting waar patiënten met dissociatieve identiteitsstoornissen zijn opgenomen. Rigoletto en Gilda vertonen symptomen van meervoudige, motorische tics en automutilatie en uiteindelijk ondergaat Rigoletto shocktherapie. Woorden en zinnen uit het libretto die niet in dit concept passen, worden teruggevoerd op deze dissociatieve stoornissen. Alles speelt zich af in het hoofd van de patiënt. Zo zingt bijvoorbeeld Rigoletto in zijn “Cortigiani, vil razza dannata!” tegen zichzelf, want de hovelingen (= cortigiani) zijn verdwenen en hij staat alleen op het toneel…

6. Wordt er een verhaal verteld? **
– Michieletto probeert zowel het verhaal van ‘Rigoletto’ in zijn concept te persen, als met dit concept een eigen verhaal te vertellen. Dit wordt allebei net niks, het doet geforceerd en onnatuurlijk aan en er is geen emotionele betrokkenheid. Het slot is niet hartverscheurend, maar droog, kalm, bedaard, koel, nuchter, onaandoenlijk, onbewogen, vlak en zakelijk, omdat niet Gilda overlijdt, maar een pop weggestopt wordt in een zak.

7. Hoe is de esthetiek en functionaliteit van de vormgeving? **
– De witte toneeldoos blijft de hele avond hetzelfde en dat gaat vervelen. In de tweede akte gebeurt er scenisch ook niet veel nieuws.

8. Hoe is de integratie regie-muziek? ***
– De witte toneeldoos is akoestisch sympathiek en de zangers krijgen hierin de gelegenheid in de richting van het publiek te zingen.

ALGEMEEN

9. Is de productie artistiek innovatief? *
– Er is een poppenspel, projectie, er zijn dubbelgangers, maskers; het zijn de nieuwe kleren van de keizer. Zelfs Pierre Audi keerde – vermoedelijk van ellende – na de pauze niet meer terug naar zijn zitplaats.

10. Is de productie onderscheidend of spraakmakend? *
– Een opera bezetten met psychiatrische patiënten is niet erg bijzonder meer. Eerder zag men dit bijvoorbeeld bij DNO al in ‘Lucia di Lammermoor’, ook onder muzikale leiding van Carlo Rizzi en in een regie van… Monique Wagenmakers!

11. Is er Nederlandse betrokkenheid bij de productie (zangers, regisseur, ontwerpers, dirigent)? *
Esther Kuiper als La Contessa di Ceprano en DNO-koorlid Peter Arink leveren Nederlandse bijdragen, maar DNO verzuimt om de overige bijrolletjes met jonge Nederlandse zangers te bezetten. Zo komen Ceprano en Borsa uit het land van de casting manager van DNO, is Giovanna uit Roemenië gehaald en Marullo uit Italie.

12. Hoe is het bezoekersaantal in verhouding tot de zaalcapaciteit? *****
– DNO heeft ervoor gezorgd dat ten minste de première van ‘Rigoletto’ uitverkocht is. Voor de overige voorstellingen zijn er nog voldoende kaarten te (ver)krijgen.

De Nationale Opera, Nieuwe Recensie