RECENSIE: Previn – A Streetcar Named Desire

*****
© Theater Koblenz
Koblenz, 14 mei 2016

Op het puntje van je stoel bij ‘A Streetcar Named Desire’ in Koblenz

Zo nu en dan bezoek je een uitvoering die onder je huid kruipt en waarbij je op het puntje van je stoel zit. Zo’n productie is ‘A Streetcar Named Desire’ in Koblenz. Van de zo’n 50 operavoorstellingen die dit jaar op Opera Nederland worden besproken zal de opvoering van ‘A Streetcar Named Desire’ van het Theater Koblenz ongetwijfeld bij de belangrijkste drie behoren.

Het Theater Koblenz is een prachtige, kleine schouwburg, die ruimte biedt aan 464 toeschouwers van de zo’n 110.000 inwoners tellende stad. De zaal bevat slechts drie rijen en de drie balkons slechts twee. Het theater werd op 23 november 1787 geopend en bleef tijdens de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog – die 87% van Koblenz verwoestten – wonder boven wonder gespaard. Het Theater Koblenz maakt inmiddels dan ook deel uit van het UNESCO-Werelderfgoed.

Ieder seizoen staan er in Koblenz zo’n tien werken voor muziektheater op het programma. Dit seizoen presenteerde het Theater Koblenz al ‘Aufstieg und Fall der Stadt Mahagony’ van Kurt Weill met de Nederlandse bas Nico Wouterse als Dreieinigkeitsmoses en ‘Fidelio’ met de Nederlandse bariton Bastiaan Everink als Pizarro. En de laatste opera van dit seizoen is ‘A Streetcar Named Desire’ van André Previn (Berlijn, 1929).

‘A Streetcar Named Desire’ beleefde zijn wereldpremière op 19 september 1998 in San Francisco. Het libretto van Philip Littell is gebaseerd op het gelijknamig toneelstuk van Tennessee Williams uit 1947, dat in 1951 al werd verfilmd met Marlon Brando en Vivien Leigh. De opera ‘A Streetcar Named Desire’ wordt sinds de wereldpremière ieder jaar wel ergens opgevoerd. Zo was de Europese première in 2001 in Straatsburg, de Duitse première in 2002 in Giessen, was er een productie in 2003 in Turijn met de Nederlandse sopraan Barbara Haveman als Blanche, zag men de schitterende voorstellingsreeks in 2008 in het TheaterHagen met de Nederlandse bariton Frank Dolphin Wong als Stanley en wordt de opera dit jaar gespeeld in San Jose, Tulsa en dus Koblenz.

In Koblenz is de regie is in ijzersterke handen van Markus Dietze (Waiblingen bij Stuttgart, 1972), die sinds 2009 intendant is van het Theater Koblenz. Elke handeling van ‘A Streetcar Named Desire’ ligt in het libretto  opgesloten en Dietze is daaraan volkomen trouw. Hier ziet men een geesteszieke Blanche DuBois die bij haar zuster Stella Kowalski in New Orleans intrekt en gekweld wordt door haar brute zwager Stanley, terwijl de werkelijkheid om haar heen afbrokkelt. Dietze treft de sfeer van verdriet, gemis en melancholie perfect in een depressief appartement met karakteristieke schemerbelichting. Dit decor van Bodo Demelius met retromeubilair, een geiser, een make-up tafel, een ijskast en een gasfornuis ademt in alles de atmosfeer van de naoorlogse tijd. Een hoog gelegen terras geeft de broeiige namiddagen van New Orleans weer.

De flow van de vertelling wordt enkel na de verkrachting van Blanche door Stanley jammer genoeg kortstondig verbroken. Tijdens het volgende muzikale interlude namelijk wordt de gewelddadige spanning scenisch niet vastgehouden, omdat er met open doek wordt opgeruimd.

Overigens wordt de focus van het drama niet afgeleid door het orkest, gezien het interessante coup de théatre om de Nederlandse dirigent Enrico Delamboye en het Staatsorchester Rheinische Philharmonie achter het decor te verbergen. Slechts tijdens de tussenspelen worden zij even zichtbaar door de achterwand van het toneel. Er zijn kleine coupures en er zijn kleine ongelukjes in het orkest, maar Delamboye ontvouwt op natuurlijke wijze de benauwende bijklanken, de bevlogen liefdesmuziek, de ruwe en meeslepende dissonanten en de jazzmuziek van New Orleans die ‘A Streetcar Named Desire’ herbergt.

Voor de hoofdrol van Blanche DuBois heeft Koblenz de sopraan Kerrie Sheppard als gast geëngageerd. Zij heeft een uitstraling en een authenticiteit die te vergelijken is met die van Beverly Sills. Sheppard geeft een fantastische karakterstudie van de persoonlijkheidsstoornis van Blanche DuBois, die in de eerste akte al haar intriges speelt en de driftbuien, de alcoholabuses, kortom alles heeft waardoor het tragische, onafwendbare einde vanzelfsprekend wordt. Sheppards vertolking van Blanche is zo overweldigend dat het je 100% meesleept, onder je huid kruipt en je op het puntje van je stoel brengt.

De andere zangers Michael Mrosek als Stanley Kowalski, Irina Marinaş als Stella Kowalski, Juraj Hollý als Mitch en Anne Catherine Wagner als Eunice zijn de zangers van het ensemble van het Theater Koblenz, die allen meer of mindere resonansen hebben, maar treffend de toon raken voor dit repertoire. Verder in de bijrollen Christoph Plessers als Steve Hubbell, Junho Lee als A Young Collector en Haruna Yamazaki als de Mexican Woman.

Het programmaboekje bevatte geen biografieën van de betrokkenen en dat is onsympathiek, terwijl wel overbodig een vertaald libretto is afgedrukt. De zaal was voor 90% van de zaal uitverkocht en de bezoekers toonden zich vlammend enthousiast. In het komende seizoen speelt Theater Koblenz onder andere ‘Die Herzogin von Chicago’ van Kálmán in een regie van Michiel Dijkema. Zeker iets om naar uit te kijken.

Buitenlandse Recensies, Nieuwe Recensie