BOEKEN: Villiers & Walthaus – ‘Making the Tailcoats Fit’

december 2015

 

De naam van de Friese dirigent en componist Richard Hageman zullen slechts weinigen kunnen thuisbrengen. Hij dirigeerde in de Metropolitan Opera van New York, componeerde zo’n zeventig liederen, een opera, twee oratoria, kamermuziek en filmmuziek en hij werd vijf maal genomineerd voor een Oscar. Over deze veelzijdige musicus is nu voor het eerst een biografie verschenen.

Richard Hageman werd op 9 juli 1881 in Leeuwarden geboren. Als jongeman begeleidde hij al zangers bij de Nederlandsche Opera en in 1900 werd hij van dit gezelschap dirigent. Zijn debuut was een last-minute optreden waarvoor hij een rokkostuum van een ober leende (‘Making the Tailcoats Fit’). Verder bracht hij aan het begin van de twintigste eeuw nog korte tijd door in Parijs als begeleider in de zangstudio van Mathilde Marchesi.

Het muzikale lot leidde Hageman naar de Verenigde Staten. Eind 1905 vergezelde hij de Franse cabaretière Yvette Guilbert naar Amerika voor een tournee en al snel maakte Hageman hier naam. Hij debuteerde op 24 november 1908 bij de Metropolitan Opera van New York als dirigent van de opera ‘Faust’ met niemand minder dan Enrico Caruso in de titelrol en Geraldine Farrar als Marguerite. Hageman zou tot en met 1937 bij de Met blijven dirigeren. Aan het einde van zijn Metropolitan-loopbaan beleefde zijn opera ‘Caponsacchi’ zelfs nog zijn Amerikaanse debuut met in de hoofdrollen de bariton Lawrence Tibbett – die tijdens de repetities per ongeluk een koorlid neerstak, dat later overleed – en de sopraan Helen Jepson.

Na zijn carrière aan de Met kwam Hageman in de filmindustrie terecht. Hij componeerde muziek voor zestien films, waaronder zeven films van de befaamde regisseur John Ford. Hageman werd voor vijf Oscars genomineerd en hij deelde een Oscar voor de muziek van de film ‘Stagecoach’ (1939). Hij werd tevens in elf films geëngageerd voor acteerrolletjes, waaronder die van operadirigent in ‘The Great Caruso’ (1951). Hagemans privéleven was turbulent. Zijn eerste echtgenote – de sopraan Rosina van Dyck – dreigde hem te vermoorden met een pistool, zijn tweede vrouw verliet hem voor een Italiaanse hertog en de derde bleef bij hem tot zij dood in Los Angeles op 6 maart 1966.

Er bestond nog geen goede biografie over Richard Hageman. Wel had Kathryn Kalinak in haar boek ‘How the West was Sung’ al Hagemans filmcomposities beschreven, analyseerde Ross Care Hagemans filmmuziek voor ‘Wagon Master’ in het artikel ‘A Cowboy has to Sing’ en had Asing Walthaus reeds een artikel over Hageman in het boek ‘Famous Frisians in America’ geschreven. Maar nu is dan het fascinerende levensverhaal van Richard Hageman voor het eerst opgetekend door de pianist Nico de Villiers en de journalist Asing Walthaus in een Engelstalige biografie ‘Making the Tailcoats Fit; The Life and Music of Richard Hageman’. Het boek werd op 12 november 2015 op het Noordelijk Film Festival in Leeuwarden gepresenteerd. De Villiers en Walthaus hebben in veertien hoofdstukken en een epiloog een overvloed aan interessante feiten over de vergeten Friese musicus boven water weten te krijgen.

Het boek bevat echter tamelijk veel fouten en lacunes. Hagemans debuut bij de Nederlandsche Opera kan onmogelijk in ‘Mignon’ eind oktober 1900 in Rotterdam zijn geweest, aangezien de Nederlandsche Opera ‘Mignon’ eind oktober 1900 niet in Rotterdam speelde (wel op 27 oktober in Den Haag, 28 oktober in Amsterdam, 29 oktober in Utrecht en 30 oktober 1900 weer in Amsterdam). Wel speelde het gezelschap op 31 oktober 1900 ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ in Rotterdam. Verder trouwde Hageman niet op 22 januari 1903 met Rosina van Dyck – haar echte naam Van Ophemert wordt overigens weggelaten – maar zij gingen op die datum in ondertrouw. Daarnaast wordt op pagina 54 de lengte van Hageman beschreven als “6 foot 3 inch”, maar vermeldt pagina 56 “6 feet 2 inches”. En Claire Dux was niet echt een coloratuursopraan.

In het rijtje illustere namen waarmee Hageman optrad wordt de tenor Jacques Urlus niet genoemd – niet hun concert op 20 april 1899 – en wordt ook niet vermeld dat Hageman de sopraan Nellie Melba heeft gecoacht. Over Hagemans tijd in Chicago wordt ook niet veel gesproken, terwijl dat een interessante tijd onder leiding van – de niet genoemde – Mary Garden moet zijn geweest. In een onderhoud in De Telegraaf van 31 augustus 1922 vertelt Hageman over het muziekleven in Chicago, maar dit artikel was de auteurs waarschijnlijk niet bekend. Ook wordt geen melding gemaakt van geluidsopnamen van Hageman, zoals de registratie van “Care selve” van Händel door de sopraan Alma Gluck op 26 september 1916 (Victor 74504) onder muzikale leiding van Hageman als dirigent.

En er zijn talrijke spellingsfouten. Zo leest men in het voorwoord John McCormick (niet McCormack), Hagemans vader heette niet Maurits maar Mauritz, pagina 21 vermeldt Stadsschhouwburg, een bladzijde later staat er “the Nederlands Opera” (niet Nederlandsche), op pagina 23 staat Marcelina in ‘Fidelio’ in plaats van Marzelline en wordt het meervoud van “opera” in het Engels “opera’s” genoemd, op pagina 25 staat ‘Il Pagliacci’ in plaats van ‘Pagliacci’, op pagina 28 staat “Chapentier” in plaats van Gustave “Charpentier”, op pagina 36 staat “where she perform the songs” en niet “performed” en op pagina 55 staat “Lawrence Melchior” in plaats van Lauritz.

In het voorwoord schrijft Kathryn Kalinak “you will simply have to read Nico and Asing’s book to find out why” de Nazi’s ‘Caponsacchi’ verboden. Maar in hoofdstuk negen wordt slechts gespeculeerd over het motief waarom de opera werd verbannen en de drie redenen die Hageman zelf gaf zijn niet erg bevredigend.

Er worden in het boek weinig exacte data genoemd en bronvermelding wordt nauwelijks gegeven. Zo leest men “other sources” of “the press” of “some reports”. Ook de aanduidingen “Maurice’s unpublished memoirs” en “Geert (Ger?, red) van der Tang’s biography of Cor van der Linden” zijn niet duidelijk genoeg om te controleren. En achterin het boek ontbreekt een lijst met bronnen.

Verder ontbreekt een personenindex en er is ook geen discografie van Hagemans werken. Zijn meest beroemde lied “Do not go my love” werd overigens opgenomen door onder anderen Roberta Alexander, Marguerite d’Alvarez, Rose Bampton, Dino Borgioli, Tudor Davies, Nancy Evans, Nance Grant, Arthur Hacket, Thomas Hampson, Kiri Te Kanawa, Jeanette MacDonald, Lauritz Melchior, Zinka Milanov, Theodor Uppman en Robert White.

Ondanks dat is het boek een uitstekende pleitbezorger voor de herontdekking van het levensverhaal en de muziek van Richard Hageman. De biografie is geïllustreerd met prachtige, zeldzame foto’s en er is een overzicht van al zijn werken. Het boek is een goede opmaat voor het doctoraal onderzoek van Nico de Villiers, dat zal zijn gericht op de liederen van Richard Hageman. En deze scriptie op haar beurt dient weer te resulteren in CD-opnamen van Hagemans liederen door het label Toccata Classics.

Uitgeverij Wijdemeer, Leeuwarden
2015; €15,00
ISBN: 9789492052162
96 blz, Paperback

Boeken, Nieuwe Reportage