REPORTAGE: 150ste geboortedag Anton Sistermans (deel 2)

De Nederlandse bas Anton Sistermans werd 150 jaar geleden geboren. De carrière van deze belangrijke zanger is door Opera Nederland in een vierdelige biografie opgetekend.
In deel 2: 1896 tot en met 1904

 

1896
De Haarlemse afdeling der Maatschappij tot bevordering der Toonkunst voerde op 16 december 1896 het oratorium ‘Eliah’ van Mendelssohn uit in de concertzaal der sociëteit ‘Vereeniging’. Daarin zong Anton Sistermans de baspartij en was de begeleiding in handen van het Amsterdamse Concertgebouworkest (Rotterdamsch Nieuwsblad; 17-10-1896).

Het bezoek van Edvard Grieg aan Wenen in november en december 1896 werd afgesloten met een concert, waarbij Anton Sistermans enige liederen van Grieg ten gehore bracht. Hij werd daarin door de componist zelf begeleid. Het concert werd bijgewoond door de kroonprinses-weduwe Stephanie (Algemeen Handelsblad; 23-1-1897).

In 1896 trad Anton Sistermans ook toe tot het docentenpersoneel van het Dr. Hoch’se Conservatorium van Frankfurt (Onze musici; Portretten en Biografieën – Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1898).


1897
Anton Sistermans werkte op 24 april 1897 mee aan het derde concert (Brahmsfeest) van de Sternsche zangvereniging in de Kaiser Wilhelm Gedächtniskirche van Berlijn (Rotterdamsch Nieuwsblad; 17-4-1897).

Sistermans was op 6, 7 en 8 juni 1897 te horen tijdens het 74ste Niederrheinische Musikfeßt in het Kurhaus te Aken. Op de eerste dag was hij te horen in het ‘Missa Solemnis’ van Beethoven, op de tweede dag in de ‘Vier ernste Gesänge’ van Brahms en een gedeelte uit ‘Les Béatitudes’ van Franck en op de derde dag in de finale van ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ van Wagner (Algemeen Handelsblad; 29-4-1897).

Op 21 december zong Sistermans bij de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst in het Tivoli te Utrecht in ‘Die Legende von der Heiligen Elisabeth’ van Liszt (Het Nieuws van den Dag; 18-12-1897).


1898
Anton Sistermans trad op 6 september 1898 op tijdens de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Het Concertgebouworkest stond onder leiding van Willem Mengelberg en in het “elite-koor” zongen onder anderen de sopranen Aaltje Noordewier-Reddingius en Louise Mulder, de alt Pauline de Haan-Manifarges, de tenoren Jacques Urlus en Josef Tijssen en naast Anton Sistermans als bassen Johan Messchaert en Jos Orelio. Dit koor zong na de opening a capella drie verzen van het Wilhelmus, voor deze gelegenheid door Mengelberg bewerkt. Na de inhuldigingsplechtigheid speelden het orgel en orkest de koraalmelodie “Nun danket Alle Gott”, waarna het koor op voor deze gelegenheid gezette tekst een vers a capella herhaalde (Algemeen Handelsblad; 21-8-1898)

Sistermans werkte op 30 november 1898 bij de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst afdeling Leiden mee ter gelegenheid van haar 61ste uitvoering in de Groote Stadszaal van Leiden. Uitgevoerd werd ‘Die Jahreszeiten’ van Haydn met het Concertgebouworkest onder leiding van Daniël de Lange (Het Nieuws van den Dag; 3-12-1898).

Op 20 december 1898 zong Anton Sistermans bij de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst afdeling Nijmegen en Omstreken in de Gralscène uit ‘Parsifal’ en fragmenten uit ‘Tannhäuser’ naast sopraan Jeanne Landré (Algemeen Handelsblad; 2-11-1898).


1899
Anton Sistermans zong slechts één seizoen bij de Bayreuther Festspiele. In 1899 was hij er als Veit Pogner in ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ te horen naast Anton van Rooy als Hans Sachs:

“Het is echter bij deze gelegenheid weder gebleken, dat men een uitstekend concertzanger kan zijn zonder talent voor het tooneel te hebben. Van het spel van Sistermans wil ik niet eens spreken, maar ook “stimmlich” drong hij niet door. Zijne stem, die in de concertzaal bijzonder goed is, klonk hier mat en onvoldoende, en wanneer hij onmiddellijk na andere bassisten, b.v. na Van Rooij, te zingen had, viel het onderscheid van stem niet te zijnen voordeele uit” (De Telegraaf; 27-8-1899)

Sommige bronnen vermelden, dat Sistermans in 1899 in Bayreuth optrad als Gurnemanz in ‘Parsifal’, maar de kranten en archieven van Bayreuth noemen alleen Felix von Kraus en Ernst Wachter als Gurnemanz in dat jaar.

Ook in 1899 voltooide de componist Eugen d’Albert zijn vijf ‘Lieder, Op. 21’, die hij aan Anton Sistermans opdroeg.


1900
Anton Sistermans maakte begin januari 1900 een concerttournee door Rusland en Oostenrijk met de pianiste Margaretha Cussert:

“Vooral te Weenen, dat Messchaert zoo weet te waardeeren, vond ook Sistermans een warm onthaal. Getuige het volgende bericht in de Neue Musikalische Presse van 11 Februari: “Over den liederenavond van Anton Sistermans valt inderdaad niets nieuws te zeggen. Zijne heerlijke kunst, zijn klankvol, omvangrijk orgaan en zijne éénige declamatie zijn gaven, die wij reeds lang bewonderen. Hg zong tot aller opgetogenheid liederen van Kahn, Brahms, Rückauf en den cyclus ‘Dichterliebe’ van Schumann. En bij de warm bezielde voordracht moeten wij ook de capaciteit van Sistermans geheugen roemen. Over de dertig liederen zong hij woordgetrouw van buiten” (Het Nieuws van den Dag; 26-2-1900)

“Anton Sistermans heeft op een concertreis door Rusland een zeer onaangename ervaring opgedaan. Op de reis tusschen Libau en Koschedary werd hij van al zijn geld en zijn reispas beroofd. Daar hij de opbrengst van vier concerten bij zich droeg, was dat verlies niet onbelangrijk” (De Sumatra Post; 21-6-1900)

Op 12 januari 1900 zong Anton Sistermans in de Concertzaal te Leiden in de ‘Hohe Messe’ van Bach naast Aaltje Noordewier-Reddingius, Pauline de Haan-Manifarges, en Josef Tijssen. Het Concertgebouworkest stond opnieuw onder leiding van Daniël de Lange (Het Nieuws van den Dag; 9-1-1900).

Sistermans zong op 16 januari 1900 in Tivoli te Utrecht in ‘Eliah’ van Mendelssohn met het Utrechtsch Stedelijk Orkest (Het Nieuws van den Dag; 12-1-1900).

Verder wordt in 1900 gemeld dat Sistermans woonachtig is in Wiesbaden. (De Tijd; 14-1-1900).

Sistermans was op 17 januari 1900 bij de R.K. Zangvereeniging ‘Arti et Religioni’ te horen in een uitvoering van het oratorium ‘Joshua’ van Händel in het Concertgebouw van Amsterdam. Naast Anton Sistermans stonden Aaltje Noordewier-Reddingius, de alt Jeanne Blyenburg en Johan Rogmans:

“Deze heer beschikt over een sonoor, goed geschoold geluid met bewonderenswaardige techniek, dat heerlijk klinkt zoolang het mezza-di-voce niet wordt overschreden. Daarentegen wordt bij de fortopassages, door het teveel willen geven, de stem vaak te hoog, wat hier en daar zeer hinderlijk was, o.a. in het recit: “So krönt das Werk” in het tweede deel” (De Tijd; 19-1-1900).

Op 8 april 1900 zong Sistermans in het Concertgebouw van Amsterdam in de ‘Matthäus Passion’ van Bach met het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Tot de overige solisten behoorden Aaltje Noorderwier-Reddingius en Jacques Urlus:

“De Heer Anton Sistermans vertolkte op zeer waardige wijze de Christus-partij. Vooral in de gedeelten, waar kracht en ernst hand in hand gaan, verhief deze zanger zich tot een groote hoogte. In de oogenblikken, waar het sentiment meer uitsluitend aan het woord is, trof de zang van Sistermans ons niet zoo diep. In elk geval heeft de vertolking van het geheel opnieuw het bewijs geleverd, dat wij met fierheid op Sistermans mogen wijzen als een der illustraties op muzikaal gebied van ons land” (Het Nieuws van den Dag; 11-4-1900)

Tijdens het Zesde Muziekfeest in Stuttgart zong Sistermans met een nieuw vocaal kwartet bestaande verder uit de sopraan Jeannette Grumbacher-de Jong, de alt Therese Behr en de tenor W. Schmidt het ‘Spanisches Liederspiel’ van Brahms. Zij werden begeleid door Coenraad V. Bos. De Koning woonde dit feest bij (Algemeen Handelsblad; 2-6-1900).

Anton Sistermans gaf begin november 1900 in Wiesbaden een liederenavond ten bate van het fonds voor het gedenkteken, dat men voor Robert Franz te Halle plaatsen wilde:

“Sistermans gaf twintig liederen, hoofdzakelijk van Sohubert, Sohumann, Brahms en Robert Franz. Niet één was er onder die menigte, waarmede hij zijn auditorium niet boeide, bekoorde, bij oogenblikken in opgetogenheid bracht. Met zijn groot orgaan en zijne zeldzame expressieve voordracht stond voor ons deze zanger in zijne volle kracht. Inzonderheid het mannelijk pathetische en het edel gedragene vinden in hem een voortreffelijk interpreet” (Het Nieuws van den Dag; 10-11-1900)

Sistermans werkte in november 1900 mee bij het Volkskoor te Mainz in ‘Judas Maccabeus’ van Händel naast Pauline De Haan-Manifarges (Algemeen Handelsblad; 8-11-1900).


1901
Anton Sistermans zong op 25 januari 1901 bij de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst te Rotterdam in ‘Odysseus’ van Bruch (Algemeen Handelsblad; 5-10-1900).

Hij gaf op 20 februari 1901 te Frankfurt een concert met uitsluitend liederen van Richard Strauss. De componist begeleidde zelf (Rotterdamsch Nieuwsblad; 9-2-1901).

In Berlijn zong Sistermans eind februari of begin maart 1901 opnieuw werken van Richard Strauss, waaronder ‘Die Ulme zu Hirsau, op.43 nr.3′ (Algemeen Handelsblad; 2-3-1901).

Eind maart 1901 was Sistermans in Parijs. In het Nouveau Théatre gaf hij drie liederenavonden: op 21 maart zong hij in het kader van de geboortedag van J. S. Bach liederen van Bach, Mendelssohn, Schubert, Brahms, Loewe en Schumann, op 26 maart in het kader van de sterfdag van Beethoven liederen van Beethoven, Liszt, Wagner en Schumann en op 3 april de sterfdag van Brahms liederen van Cornelius, Hugo Wolf en Richard Strauss:

“’Le Menestrel’ vermeldt dat Anton Sistermans met zijn eersten liederavond in het Nouveau-Théâtre te Parijs veel succes heeft behaald. De weinige Parijzonaars die tegenwoordig waren (de zaal was voornamelijk met onze landgenooten gevuld) hoorden met verbazing dat hij de Fransche taal met een accent sprak dat meer van de oevers van. de Garonne dan van die van den Rhijn scheen te komen” (Algemeen Handelsblad; 1-5-1901)

Ook in april 1901 zong hij nog een aantal malen in Parijs (Algemeen Handelsblad; 17-4-1901).

Verder in april 1901 werkte Anton Sistermans mee aan de ‘Matthäus Passion’ in Gladbach naast Aaltje Noordewier-Reddingius (Middelburgsche Courant; 25-4-1901).

Bij de Stadtischer Gesangverein te Emmerik was Sistermans op 12 mei 1901 te horen in de ‘Messiah’ van Händel (De Graafschap-Bode; 27-4-1901).

Begin oktober 1901 zong Anton Sistermans in Frankfurt:

“Anton Sistermans heeft te Frankfurt op een concert, waar Felix Weingartner zich als liederencomponist, speler vau werken voor kamermuziek deed kennen, met diens liederen, door zijn schoone stemmiddelen en bijzondere voordrachtskunst, een grooten indruk gemaakt” (Algemeen Handelsblad; 9-10-1901)

Op 25 december 1901 trad hij bij de zangvereniging ‘De Stem des Volks’ op in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam met aan een Groot Volksconcert onder leiding van Otto de Nobel:

“Het geweldige basgeluid van den heer Anton Sistermans was in letterlijken zin ongehoord, en in het bijzonder over het “In diesem heiligen Halle”, bij elk kind bekend, en over sommige van de zeven liederen van Brandts Buijs – “Twee Oudjes”, bijv. en “Bekentenis” – was het publiek één en al opgetogenheid” (Het Volk; 28-12-1901)

Sistermans zong op de middag van 26 december 1901 bij de Liedertafel ‘Apollo’ in het Gebouw voor den Werkenden Stand:

“De Heer Sistermans zong een drietal “Weihnachtslieder”, tekst en muziek van Peter Cornelius” (Het Nieuws van den Dag; 27-12-1901)

Gelijk daarna op dezelfde middag was hij te horen in het Concertgebouw van Amsterdam in een Buitengewoon Namiddag-Concert onder leiding van Willem Mengelberg. Hier zong Sistermans de cantate ‘Dominica 19 post Trinitatis’ van J. S. Bach, de liederen “Traum durch die Dämmerung’ en “Ach, weh mir, unglückhaften Mann” van Richard Strauss, de ballade “Tom der Reimer” van Carl Loewe en het recitatief en arioso uit de opera ‘Le Roi de Lahore’ van Massenet (De Telegraaf; 24-12-1901).


1902
Anton Sistermans zong op 4 februari 1902 bij de R.K. zangvereniging ‘St. Caecilia’ in de Groote Zaal der Harmonie te Groningen in het oratorium ‘Die Legende von der Heiligen Elisabeth’ van Liszt. Verder was als soliste onder andere Aaltje Noordewier-Reddingius te horen (Nieuwsblad van het Noorden; 26-1-1902).


1903
Anton Sistermans zong eind november 1903 in de derde uitvoering van het Gürzenich-kwartet te Keulen acht Magelone-liederen van Brahms:

“de Köln. Ztg. releveert de temperamentvolle voordracht, zoodat de indruk groot was” (Rotterdamsch Nieuwsblad; 30-11-1903)

In november of december 1903 gaf Sistermans een liederenavond in zijn geboorteplaats ’s Hertogenbosch (Rotterdamsch Nieuwsblad; 14-10-1903).

Rond die tijd gaf hij nog een concert in Barmen:

“Onder de rubriek „Kunst und Wissenschaft” in de Rheinisch-Westfalische Zeitung vinden wij een recensie van een concert te Bannen, waarin de bekende baszanger, de heer Anton Sistermans, met bijzonderen lof vermeld wordt” (De Graafschap-Bode; 2-12-1903)

Hij zong op 8 december 1903 in Emmerich in het oratorium ‘Die Jahreszeiten’ van Haydn (De Graafschap-Bode; 2-12-1903).

Ook in december 1903 werkte Sistermans mee aan het vijfde Gürzenich concert te Keulen in een uitvoering van ‘Benedict et Beatrice’ van Berlioz (Rotterdamsch Nieuwsblad; 18-12-1903).


1904
Anton Sistermans en Aaltje Noordewier-Reddingius werkten in de stille week van 1904 mee aan een uitvoering van de ‘Hohe Messe’ van Bach te Aken (Rotterdamsch Nieuwsblad; 8-4-1904).

Sistermans was op 24 april bij de Stadtischer Gesangverein in Emmerich te horen in het oratorium ‘Paulus’ van Mendelssohn (De Graafschap-Bode; 16-4-1904).

Eind mei 1904 zong hij op de derde avond van het 40ste Muziekfeest van het Tonkünstler-Versammlung het werk ‘Worpsnede’ voor bariton, viool, Engelse hoorn en klavier van Paul Scheinpflug en de liederencycles ‘Herbst’ van Theodor Müller-Reuter:

“door Anton Sistermans uitstekend gezongen, zijn goed klinkende zangen met een afwisselende begeleiding” (Algemeen Handelsblad; 1-6-1904)

Eind juli werd bekend gemaakt dat Anton Sistermans benoemd was tot leraar aan het conservatorium Klindworth-Scharwenka van Berlijn en derhalve in Berlijn ging wonen (De Telegraaf; 31-7-1904). Sistermans was inmiddels 39 jaar oud. Hij zou daar ruim tien jaren blijven werken.

Anton Sistermans maakte een klein aantal grammofoonopnamen in 1904 – en mogelijk ook in 1906 – beperkt tot liederen van Brahms en Richard Strauss. In 1904 nam hij de liederen “Sapphische Ode” en “Feldeinsamkeit” van Johannes Brahms en “Traum durch die Dämmerung” van Richard Strauss op:

♪ Johannes Brahms – “Sapphische Ode” ♪:

♪ Johannes Brahms – “Feldeinsamkeit” ♪:

♪ Richard Strauss – “Traum durch die Dämmerung” ♪:

Reportage