RECENSIE: Gluck – Orphée et Eurydice

****
© Marco Borggreve
Enschede, 3 mei 2015

Reisopera brengt ‘Orphée et Eurydice’ warmhartig tot leven

De Nederlandse Reisopera heeft met ‘Orphée et Eurydice’ gekozen voor de Parijse revisie van de opera uit 1774, waarin Christoph Willibald Gluck (1714-1787) de rol van Orphée herschreef voor tenor. De talentvolle Nederlandse regisseur Floris Visser maakte voor de Reisopera een boeiende enscenering.

Floris Visser (1981) bewees al eerder zijn talenten met een succesvolle ‘Owen Wingrave’ bij Opera Trionfo en een spannende ‘Agrippina’ bij de Dutch National Opera Academy (DNOA), maar was langdradig in ‘Il Signor Bruschino’ en rommelig in ‘La Clemenza di Tito’ bij dezelfde DNOA.

Voor ‘Orphée et Eurydice’ heeft Visser een grotendeels scherpzinnige en vaak warmhartige enscenering bewerkstelligd. In de ouverture toont hij het voorafgaande, waarin Orphée zijn echtgenote Eurydice tijdens het huwelijksfeest geblinddoekt najaagt. Maar hij kan haar – symbolisch – niet krijgen en nog tijdens het feest sterft zij, waarna de toeschouwer getuige is van haar begrafenis.

Aan het einde van de eerste akte geeft L’Amour de door liefde “verblinde” Orphée toestemming door het graf van Eurydice af te dalen naar de onderwereld en belandt hij in een droom. Het schaduwrijk van de eerste scène van de tweede akte – waarin Orphée vijf evenbeelden van zichzelf tegenkomt – lijkt een illusie te zijn als hij zich daarna opeens weer hervindt op de zandvlakte van de eerste akte. Vervolgens ziet hij zichzelf in de gedaante van L’Amour in die tweede scène opnieuw trouwen met Eurydice. Even heeft de enscenering in de derde scène van de tweede akte een inzinking als het koor elkaar in slow motion omarmt.

In de laatste akte ontwaakt Eurydice uit het graf, maar blijft een evenbeeld van haar liggen. Helaas verwaarloost Visser het moment waarop de blikken van Orphée en Eurydice elkaar zouden moeten kruizen en gaat hij hier zwak om met wat het hoogtepunt van de opera had moeten zijn. Necrofiele neigingen bekruipen Orphée wanneer hij op lugubere wijze met het lijk van Eurydice vrijt. Uiteindelijk is er een happy end met voor ieder van hen een graf en wordt meedogenloos de laatste scène van opera geschrapt.

Gluck heeft eigenlijk altijd een mannenstem in gedachten gehad voor de rol van Orfeo. En de tenorpartij van Orphée uit 1774 staat bekend als veeleisend en zeker niet geschikt voor een beginnende zanger. De jonge, Britse tenor Samuel Boden heeft een mooi lyrisch geluid met af en toe te onstuimige aanzetten. Zijn ademsteun is nog niet sterk genoeg, waardoor helaas zijn stem herhaaldelijke malen overslaat. Knap evenwel de moeilijke aria “L’espoir renaît” met L’Amour op zijn schouders. De Sloveense sopraan Kristina Bitenc maakte in 2011 al bij DNOA een sterke indruk in ‘La Voix Humaine’ van Poulenc en met haar prachtig lyrische stem, haar goede uitspraak van het Frans en fraaie legato maakt zij van Eurydice een tragisch personage. De Duitse sopraan Hanna Herfurtner overziet als L’Amour het gebeuren in de tweede en derde akte en dient soms als gesprekspartner. Onduidelijk is overigens waarom zij “Cet asile aimable et tranquille” zong en niet Eurydice. Jammer genoeg dient men te concluderen dat de Reisopera in deze uitvoering weer geen Nederlandse zangers heeft geëngageerd.

Het ensemble Consensus Vocalis zingt geestdriftig als de furiën en de dorpslui, ook al wordt het koor door de regisseur continu massaal neergezet. De Ierse dirigent Roger Hamilton leidt het beheerst spelende HET Symfonieorkest zorgvuldig door de Bärenreiter-partituur.

De Nederlandse Reisopera, Nieuwe Recensie