RECENSIE: Mascagni / Leoncavallo

© Cory Weaver
New York, 21 april 2015

Eva-Maria Westbroek charismatische Santuzza in Met ‘Cavalleria Rusticana’

De Metropolitan Opera van New York was het eerste operahuis dat de opera’s ‘Cavalleria Rusticana’ van Mascagni en ‘Pagliacci’ van Leoncavallo op één avond bij elkaar bracht. De tweeluik is één van de meest gespeelde voorstellingen in de Met en op 21 april 2015 bracht het operahuis de 674ste uitvoering van ‘Cavalleria Rusticana’ en de 715ste uitvoering van ‘Pagliacci’.

De Metropolitan Opera vervangt langzaam maar zeker haar producties van regisseur Franco Zeffirelli door nieuwe ensceneringen. En dat pakt niet altijd goed uit. Had de ‘Cavalleria Rusticana’ / ‘Pagliacci’ van Zeffirelli sinds 1970 gedurende bijna vijftig jaar goede dienst gedaan, de nieuwe enscenering van de tweeluik door de Britse regisseur David McVicar (Glasgow, 1965) doet de Zeffirelli-productie niet vergeten.

McVicar staat bekend om zijn doorgaans sterke personenregie, maar in deze nieuwe productie weet hij de aard van de personages en hun relaties helaas niet goed te schetsen. In ‘Cavalleria Rusticana’ creëert hij een Siciliaans plein met een bakstenen kerk en café. De belichting is mysterieus donker – op Paasochtend? – maar ook kil en kaal. Het plein is een draaiende bühne omringd met stoelen, dat op den duur aan je ogen duizelt. De bezoekers vooraan in de zaal waren door dit hoge toneel overigens niet in staat het toneel te zien. De dorpsmensen verplaatsen op die draaibühne af en toe wat stoelen en in de finale van de opera keren zij Santuzza de rug toe, wellicht ten teken van haar eenzaamheid. Erg diep is het allemaal niet en het heeft niet veel sfeer.

Deze ‘Cavalleria Rusticana’ is gefocust op Santuzza, want zij is gedurende de hele opera op het toneel. En McVicar vindt in de Nederlandse sopraan Eva-Maria Westbroek als Santuzza – haar vierde productie in de Met in vier jaar – een goed actrice. Zij spoort door haar aanwezigheid het drama aan; intens de gebeurtenissen aanschouwend en breekbaar reagerend op de handelingen, ook als zij niet zingt. En als zij zingt, ontroert zij met haar charismatische en warme stem. Zij kruipt onder je huid en zorgt met frasen als “Sono scomunicata!”, “M’amò, l’amai” (in “Voi lo sapete, o mamma”) en “A te la mala Pasqua!” voor kippenvel!

De Argentijnse tenor Marcelo Álvarez zingt Turiddu. Zijn stem is helder en sterk en bezit Latijns aroma. Hij zingt gepassioneerd en met vuur, brengt subtiele nuances aan en speelt de dronken en bedriegende geliefde onstuimig. De Georgische bariton George Gagnidze heeft niet de meest kleurrijke stem voor Alfio, maar zingt robuust en nors. De veterane mezzosopraan Jane Bunnell is een hartverwarmende Mamma Lucia.

Op hetzelfde Siciliaanse plein laat McVicar een vaudevillegezelschap arriveren in ‘Pagliacci’. Men is echter inmiddels aangekomen in de twintigste eeuw, waar het plein is voorzien van telefoonpalen en elektriciteitskabels. Midden op het plein staat de oude truck van het gezelschap met opgestapelde bagage en uitgehangen wasgoed. McVicar heeft echter de komedie ingewisseld voor vaudeville en slapstick. Tonio zingt zijn proloog als een Britse “Music Hall performer” met microfoon voor een hemelsblauw doek, terwijl drie acrobaten hem aan zijn microfoon in de coulissen proberen te trekken. Schreeuwerige kostuums, buiksprekers, flaters, taartgooien; McVicars ‘Pagliacci’ is nooit echt geestig, maar wellicht is de opera door hem ook niet zo bedoeld. Het is vaak gewoon triviaal. En tot overmaat van ramp gaat ook aan het einde van ‘Pagliacci’ het toneel draaien.

Ook in ‘Pagliacci’ is de tenor weer dronken, opnieuw een link met ‘Cavalleria Rusticana’. En Marcelo Álvarez neemt de veeleisende taak op zich om ook hier de tenorpartij te zingen. Zonder een spoor van vermoeidheid geeft hij een opwindende vertolking van Canio. De felheid en de pijn van de – deze keer – bedrogen geliefde brengt hij overtuigend over, zijn testcase “Vesti la giubba” gezongen voor het doek – met een steeds smaller wordende schijnwerper op zijn gezicht – is ontroerend. De Amerikaanse sopraan Patricia Racette is net als in de Zeffirelli-productie in 2006 een schitterende Nedda. Zij portretteert de rusteloze Nedda charmant en zwoel met een goede balans tussen haar spot en hartstocht. Haar zwoele, zwevende, legato lijnen over het orkest in het enorme Metropolitan Opera House zijn akoestisch genot. En opnieuw George Gagnidze, deze keer als Tonio.

Dirigent Fabio Luisi is geen James Levine. Hij volgt de zangers, waardoor het orkest soms achterloopt en een goede sfeer weet hij daardoor in met name ‘Cavalleria Rusticana’ niet te treffen. Het intermezzo van ‘Cavalleria Rusticana’ was evenwel prachtig ingestudeerd door het Metropolitan Orchestra en het koor overrompelde in de eenakter met het fantastische Paaskoor.

Buitenlandse Recensies, Nieuwe Recensie