GESMOORDE STEMMEN: deel 10

Judith Toff, mezzosopraan (1907 – 1943) deel 3

1938
Judith Toff werd met ingang van 1 februari 1938 benoemd tot lerares solozang aan de muziekschool van het Amsterdamsen Conservatorium (Algemeen Handelsblad; 6-2-1938).

Op 15 februari 1938 verleende zij haar medewerking aan een optreden van het Moskowskykwartet in Diligentia te Den Haag. Uitgevoerd werd ‘Il Framonto’ voor kwartet en zang van Respighi:

“Judith Toff wist hier een zuivere sfeer te scheppen zonder in een te dik opgelegd dramatisch effect te vervallen, waartoe genoeg gelegenheid geboden zou zijn bij een minder fijn besef van de muzikale eischen van dit teer geïnstrumenteerde werk. Vooral tegen het slot trof een bewogenheid, die, volkomen beheerscht, het opera-effect vermeed en toch een episch hoogtepunt bood van zoowel qua stem als qua voordracht artistiek gehalte” (Algemeen Handelsblad; 16-2-1938).

“Deze talentrijke zangeres beschikt over prachtmateriaal, verrukkelijke bronzen borsttonen en het dramatische opera-achtige zangstuk, dat voor ons gevoel nog meer mogelijkheden biedt, werd met gulle vrijmoedigheid gegeven; op het laatst heeft het vredige karakter ons het meest sympathie doen gevoelen voor de zeer bijzondere figuur, die in dit gedicht van Shelley wordt afgeschilderd. De zangeres met haar uitmuntende, volkomen gave reproductie zal wellicht toch nog iels meer kleur in de voordracht weten te leggen. Zeker mag de inhoud daar wel toe inspireeren” (Het Vaderland; 16-2-1938).

Op 21 februari gaf zij een concert in Tivoli Utrecht met het Utrechtsch Stedelijk Orchest onder leiding van Willem van Otterloo:

“Soliste van de avond was Judith Toff, veiligheidshalve aangekondigd met zang, niet met: sopraan, mezzo-sopraan of alt. Haar geluid is n.l. moeilijk in een of andere categorie onder te brengen. De verschillende stemregisters liggen in karakter ver uit elkaar en hebben ieder hun eigen en meestal mooie kwaliteiten. De zangeres toonde een vastberaden zekerheid en zong zowel de beroemde Habanera uit Bizet’s ‘Carmen’, als de beide aria’s uit ‘Samson et Dalila’ van Saint Saëns, met de overtuiging van een routiniëre. Toch schoot zij te kort in de Habanera, die met een haar iets te snel tempo werd gespeeld en in de aria’s, omdat de Dalila een machtiger, rijker orgaan vraagt. Wanneer Judith Toff de juiste repertoire-keuze weet te treffen, dan is voor haar gezonden muzikaliteit en dramatisch materiaal een goede toekomst weggelegd” (Utrechts Volksblad; 22-2-1938)

“Judith Toff zong de “Habanera” uit ‘Carmen’. En wie het nog niet wist, kon hooren: “L’amour est un oiseau rebelle” en “L’amour est un enfant de Bohème”, maar de “amour” die Judith Toff zong, was geen Carmen-“amour”, ze leek op honig- of ulevel-“amour”, geen “amour”, die het bloed in de aderen doet koken. Judith Toff zal deze “amour” goed bedoeld hebben — maar Spaansche “amour” was het niet. Na de pauze droeg de zangeres nog de bekende aria’s uit ‘Samson et Dalila’ van Saint-Saëns voor: “Printemps qui commence” en “Mon coeur s’ouvre à ta voix”. Haar zang zou grooter indruk maken als die fijner gepolijst was, en aan de voordracht meer zorg werd besteed. Men heeft Judith Toff gehuldigd met veel applaus en haar twee bloemstukken vereerd” (De Gooi- en Eemlander; 22-2-1938)

Heure Espagnole_maart 1938_v.ln.r. Joh. Lammen, Kees Smulders, Jos. Plemper, Judith Toff, Frans Vroons

L’Heure Espagnole, maart 1938; vlnr Johan Lammen, Kees Smulders, Jos. Plemper, Judith Toff, Frans Vroons

Op 24 en 26 maart 1938 zong zij ter herdenking van de op 28 december 1937 overleden componist Maurice Ravel de hoofdrol van Concepcion in zijn opera ‘L’Heure Espagnole’ bij de Wagnervereeniging in de Stadsschouwburg te Amsterdam. Frans Vroons zong Gonzalve, Kees Smulders was Torquemada en Johan Lammen was Don Inigo Gomez. Het Concertgebouw-Orkest stond onder leiding van Johannes den Hertog. H.M. de Koningin woonde de voorstelling bij:

“in „L’heure espagnole”, in welk werk men verder nog opmerkelijke zangprestaties hoorde van Judith Toff” (De Gooi- en Eemlander; 25-3-1938)

“Twee mooie vrouwenstemmen van Judith Toff en Augusta Reclaire, waarvan de eerste buitengewoon frappeerde. Dat is ras!” (De Tijd; 26-3-1938)

“Judith Toff toonde als Concepcion ook veel goeds, doch zet deze rol, als geboren Galli-Marié wel wat te veel in een Carmen-sfeer” (De Indische Courant; 2-4-1938)

Judith Toff was op zondag 20 maart aanwezig tijdens een feestavond met bal van het Joodsch Nationaal Fonds in de groote zaal van Krasnapolsky te Amsterdam (Nieuw Israelietisch Weekblad; 11-3-1938)

Op 13 april verleende zij opnieuw haar medewerking aan een optreden van het Moskowsky-kwartet in het Concertgebouw van Amsterdam:

“wederom moet ik van Judith Toff, evenals bij haar optreden in ‘L’Heure Espagnole’ van Ravel getuigen: dat is ras! Een prachtige altstem met een brillante hoogte en een volumineuze diepte en wat nog meer zegt: daar huist een zingende ziel in deze jonge kunstenares” (De Tijd; 15-4-1938)

Er bestaat een geluidsopname van het Paasdeclamatorium van 17 april 1938 voor de AVRO-radio, waarin Judith Toff te horen was naast Theo Baylé, Ank van der Moer, Kommer Kleyn, Pierre Palla en het Omroeporkest onder leiding van Nico Treep. Deze opname is in bezit van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Het instituut vraagt echter enkele duizenden euro’s om de opname vrij te geven.

Ter ere van de 25-jarige werkzaamheid van Rose Schönberg als zangpedagoge (zie deel 1) zong Judith Toff op 3 mei in de grote zaal van het muzieklyceum te Amsterdam. Het AVRO-orkest werd gedirigeerd door Nico Treep. Overige oud-leerlingen van Rose Schönberg die optraden waren Ria Focke, José Candel, Johan Lammen, Justus Bonn, Frieda van Hessen en Gerda Pons (De Telegraaf; 3-5-1938).

Op 19 mei trad Judith Toff op tijdens een feestelijke bijeenkomst in Hotel De Wittebrug te Amsterdam ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Joodsche Tehuis, een clubhuis voor jongens en meisjes (Het Vaderland; 6-5-1938).

Verder was zij op 26 juni in de grote zaal van het Concertgebouw van Amsterdam te horen in het derde concert van de zomercyclus. Het Residentieorkest stond onder leiding van Frits Schuurman:

“Soliste was Judith Toff met Debussy’s ‘Trois ballades de François Villon’ en Ravels ‘Kaddisch’. De ‘Trois ballades’ zijn heel moeilijk te realiseeren en men zou misschien wat suggestieve muzikale uitdrukking hebben kunnen wenschen; ook liet Schuurman den orkestklank iets te veel domineeren. Doch van zuiver vocaal standpunt uit was er zeer veel te prijzen en met “Kaddisch” demonstreerde Judith Toff zeer overtuigend de bijzondere qualiteiten van haar helder-getimbreerden en innig-muzikalen zang. Waarvoor het publiek haar dan ook een geestdriftige ovatie bracht” (Algemeen Handelsblad; 27-6-1938)

“Ook Judith Toff, de zangsoliste, kon op een succesvollen avond bogen zoodat men als totaalindruk kan vaststellen, dat de toehoorders volkomen tevreden weer huiswaarts zijn gegaan” (De Telegraaf; 27-6-1938)

“Judith Toff, is genoegzaam begaafd en vocaal ontwikkeld om ons meer voldoening te kunnen schenken dan zij thans deed. Debussy’s liederen had zij niet moeten kiezen. Zij zijn nog te moeilijk voor haar en deze verfijnde liedkunst past noch bij haar stem noch bij haar scholing. Ravel’s „Kaddisch” gaf haar vocaal betere kansen, maar de beteekenis van dit Joodsche gezang ligt heel wat dieper, dan een dankbare vocalise” (De Gooi- en Eemlander; 27-6-1938)

“Judith Toff zong weer een voortreffelijke solo in ‘Trois ballades’ van Debussy en in haar lievelings-nummer Ravel’s ‘Kaddisch’. Zij heeft én in de opera én in de kleine zaal al meerdere malen haar uitstekende talenten getoond: wij behoeven aan hetgeen bij die gelegenheden over haar is geschreven, niets toe te voegen. Het publiek toonde zich over haar zeer enthousiast, vooral toen haar twee groote bouquetten bloemen werden aangeboden” (De Tijd; 28-6-1938)

Op 8 september 1938 zong ter gelegenheid van het 40-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina in de Amsterdamse Stadsschouwburg de rol van Eleonora in ‘Le Donne Curiose’ van Wolf-Ferrari bij de Wagnervereeniging. Deze voorstelling werd op 3 oktober herhaald:

“Tot de eersten behooren Judith Toff (die de sopraanrol van Eleonora zong, waardoor we jammer genoeg haar mooie diepe tonen niet te hooren kregen)” (De Tijd; 5-10-1938)

1939
Voor de leden van de Wagnervereeniging was op 24 januari 1939 een buitengewone voorstelling van ‘Le Donne Curiose’ van Wolf-Ferrari voorzien in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Judith Toff zou opnieuw Eleonora zingen, maar twee weken voor de voorstelling werd haar betrokkenheid afgezegd:

“Bij de aanstaande voorstellingen van „Le Donne Curiose” door de Wagnervereeniging in den Stadsschouwburg te Amsterdam, zal, wegens ziekte van Judith Toff, de rol van Eleonora vervuld worden door Betty van den Bosch—Schmidt” (Algemeen Handelsblad; 11-1-1939)

Op 19 april zong Judith Toff in de Stadsschouwburg te Amsterdam voor de Wagnervereeniging in ‘El Sombrero de Tres Picos’ van De Falla (De Tijd 5-4-1939)

Twee dagen later was zij op 21 april in het Posthuis van Leeuwarden bij de Afdeeling Heerenveen der Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst te horen in de ‘Harmonie Messe’ van Haydn en het ‘Stabat Mater’ van Rossini. De overige solisten waren de sopraan Corry Bijster, de tenor Jan Schipper en de bas-bariton Otto Couperus. Het Haagsch Kamer-Orchest stond onder leiding van J. Heslinga:

“Judith Toff hebben wij maar weinig kunnen waardeeren. Haar stem klinkt lang niet altijd en doet soms wat aan metaal denken. Technisch valt er ook nog wel iets te verbeteren” (Leeuwarder Courant; 22-4-1939)

Verloving Judith Toff_Nieuw Israelisch Weekblad_28 april 1939In Amsterdam verloofde Judith Toff zich op 28 april 1939 met de in Den Haag wonende Joodse architect Jacob Sluijs (geboren in Amsterdam op 10 april 1908). Judith Toff woonde toen op de Deurloostraat 59 II (Nieuw Israelietisch Weekblad; 28-4-1939).

Op 8 juni 1939 zong zij de rol van Siegrune in ‘Die Walküre’ van Wagner bij de Wagnervereeniging. Marta Fuchs was Brünnhilde, Maria Müller zong Sieglinde, Franz Völker was Siegmund, Jaro Prohaska was Wotan, Ludwig Hofmann zong Hunding en Margarete Klose was Fricka. Heinz Tietjen dirigeerde het Concertgebouworkest:

“Dat in dit milieu het ensemble der Walküren allerminst uit den toon viel, houdt wel de grootste lof voor de dames Augusta Reclaire, Greet Koeman, Ans Stroink, Corry Bijster, Judith Toff, Jo van de Meent, Ria Focke en Maartje Offers in. Ook in Bayreuth hebben wij deze scène niet beter zien acteeren en hooren zingen. Het is bepaald verheugend, dat met Nederlandsche krachten een zóó uitstekende vertolking van een der moeilijkste ensemblefragmenten uit de gansche operaliteratuur mogelijk blijkt!” (Het Vaderland; 9-6-1939)

Zij zong op 22 juni 1939 opnieuw de hoofdrol van Concepcion in ‘L’Heure Espagnole’ in het Kurhaus van Scheveningen met het Residentie Orkest onder leiding van Johannes den Hertog:

“De medewerkende vokalisten vertolkten hun partijen prijzenswaardig: de sopraan Judith Toff zong haar Concepcion uitstekend” (De Telegraaf; 23-6-1939)

“Was de speelaard dus heel weinig in bet vereichste karakter, de stemmen en voordracht van Judith Toff, Concepcion, Frans Vroons, Gonzalve, Kees Smulders – Torquemade, Ramiro – Jos. Plemper, Inigo – Johan Lammen (verreweg de beste) waren evenmin van een Ravel-waardige en in alles hooghoudende Fransch-rake en steeds intelligente schoonheid, noch wat klanktimbres, noch wat technische afwerking betreft. leder, en zeer zeker Judith Toff. had vocaal momenten zeer verblijdend in de richting. Talent genoeg, maar niet speciaal hiervoor” (Het Vaderland; 23-6-1939)

1940

Hoffmann repetitie 1939 stadsschouwburg Amsterdam vlnr Justus Bonn, Judith Toff, Otto Couperus, Lothar Wallenstein, Chris Reumer, Michel Gobets, Johannes den Hertog

Hoffmann repetitie 1939 Stadsschouwburg Amsterdam; vlnr Justus Bonn, Judith Toff, Otto Couperus, Lothar Wallenstein, Chris Reumer, Michel Gobets, Johannes den Hertog

Op 10 januari 1940 maakte Judith Toff haar debuut bij de nieuw opgerichte Nederlandsche Operastichting van Johannes den Hertog. Zij zong de rol van Nicklausse in ‘Les Contes de Hoffmann’ van Offenbach in de Stadsschouwburg te Amsterdam. De titelrol wordt gezongen door de Nederlandse tenor Michel Gobets, die op 20 april 1945 overleed in het concentratiekamp Dachau.

“Bijzonder goed ook waren de Niklausse van Judith Toff, de Franz van Frans Vroons, de Crespel van Johan Lammen, de Schlemil van Willem van Santé. Noemen wij verder Gre Brouwerstijn als Giulietta” (Het Volk; 11-1-1940)

Judith Toff HoffmannAffiche 1940Ook zong Judith Toff de rol in de hernemingen van de opera op 1 en 3 februari 1940 eveneens in de Stadsschouwburg van Amsterdam:

“Judith Toff was een vlugge, levendige en vocaal zeer goede Niclausse” (Haarlem’s Dagblad; 2-2-1940)

“Bijzonder frappant was weer het levendig spel van Judith Toff als Niclausse” (De Maasbode; 2-2-1940)

Op 4 februari 1940 werkte Judith Toff mee aan een concert van het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum. Hier zong zij de “Air des letters” van Charlotte uit ‘Werther’ van Massenet en “Mon coeur s’ouvre à ta voix” uit ‘Samson et Dalila’ van Saint-Saëns. Fragmenten van dit concert zijn in bezit van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Het instituut vraagt echter enkele honderden euro’s om het fragment vrij te geven.

Judith Toff trad op 7 maart 1940 op tijdens een concert van de enige Joodsche Dameszangvereniging in Nederland (J.D.Z.) in Huize Maas te Groningen. Het geheel stond onder leiding van den heer Th. Westen, directeur van de vereniging (Nieuw Israelietisch Weekblad; 22-3-1940).

Er bestaat een geluidsopname van 38’18” van een Paasdeclamatorium van 24 maart 1940 voor de AVRO-radio, waaraan Judith Toff haar medewerking verleende naast Theo Baylé, Ank van der Moer, Kommer Kleyn, Pierre Palla en het Omroeporkest onder leiding van Nico Treep. Deze opname is in bezit van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Het instituut vraagt echter ook hiervoor enkele duizenden euro’s om de opname vrij te geven.

Op 10 mei 1940 vielen de Nazi’s Nederland, België en Luxemburg aan en op 15 mei 1940 tekende de bevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten de capitulatie. Voor de Nederlandse Joden – tot dan in Nederland een getolereerde en niet-vervolgde gemeenschap – was dit een vernietigende klap.

Judith Toff werkte op 27 juni 1940 nog mee aan een concert ten bate van het Rotterdamsch Philharmonisch Orkest in het Concertgebouw te Amsterdam. Het Concertgebouworkest stond onder leiding van Eduard van Beinum en overige solisten waren door Theodora Versteegh, Marinus Flipse, Piet van Egmond, Betty van den Bosch-Schmidt, Corry Bijster, Mary Dresselhuys, Ruth Horna, Jo lmmink, Suze Luger, Jo van de Meent-Walter, Else Rijkens, Dora Schrama, To van der Sluys, Nelly Wagenaar, Ankie van Wickevoort-Crommelin, Annie Woud en Ella van Hall (Het Vaderland; 26-6-1940).

Na dit concert werd het stil rondom Judith Toff. Ook in Nederland werd al snel de anti-Joodse wetgeving geïntroduceerd. Op 8 oktober 1940 werd van ambtenaren en studenten geëist dat zij konden aantonen dat zijn niet van Joodse afkomst waren. Op 22 oktober dienden Joodse zaakeigenaren hun bedrijf te registreren en op 4 november 1940 werden alle Joodse ambtenaren ontslagen.

1941
Op 10 januari 1941 werden de Neurenberg-rassenwetten van 1935 ook uitgebreid naar Nederland. Hierin waren zij Joods die drie Joodse grootouders bezaten. De anti-Joodse wetten werden uitsluitend in het daarvoor opgerichte Joodsche Weekblad gepubliceerd. In de maand februari 1941 werden in Amsterdam de eerste razzia’s op de Joden gehouden en kort daarna werden hen allerlei beperkende maatregelen opgelegd. Vanaf 3 juni 1941 werden verplichte identiteitspapieren uitgegeven: Joodse papieren werden bestempeld met een J.

Judith Toff en bariton Hermann Schey traden op 24 augustus nog op in het derde zomerconcert van het Nieuw Amsterdamsch Kamerorkest in de Grote zaal van de Joodse vereniging Handwerkers Vriendenkring in de Roetersstraat 34-36 te Amsterdam. Het geheel stond onder leiding van de dirigent S. Abas:

“En terecht, want zoowel Judith Toff als Hermann Schey hebben veel te genieten gegeven. Van de zangeres hoorde men o.m. een mooie en fijnzinnige vertolking van Diepenbrock’s prachtige „Berceuse” (waarin de violoncel-solo door Jo Samehtini zeer fraai werd gespeeld) en een uitstekende reproductie van de Habanera uit Bizet’s „Carmen”, voor welke partij Judith Toff’s timbre wel bij uitstek geschikt lijkt” (Het Joodsche Weekblad; 29-8-1941)

Vanaf september 1941 mochten Joden niet meer aan openbare voorstellingen deelnemen.

1942
JoodscheSchouwburgProgram15021942
Het laatste optreden van Judith Toff was waarschijnlijk een concert op zondagmiddag 15 februari 1942 in de Joodsche Schouwburg. In de serie concerten van het Joodsche Symohonie-Orkest onder leiding van Albert van Raalte zong zij in de Joodsche Schouwburg te Amsterdam werken van Mahler:

“Ook de zangeres Judith Toff heeft, vooral op het middagconcert, met het „Urlicht-fragment uit Mahler’s Tweede Symphonie en ’s meesters liederen „Ich bin der Welt abhanden gekommen” en „Wer hat das Liedlein erdacht?” veel en verdiend succes geoogst door haar fraaie vocale kwaliteiten en fijne muzikaliteit. In de hoogte lijkt het geluid nog wat onvast, doch het medium bezit uitstekende kwaliteiten en de toonvorming kan aan hooge eischen voldoen” (Het Joodsche Weekblad; 20-2-1942)

Daarna werd in de Nederlandse pers geen melding meer gemaakt van Judith Toff. Tijdens de oorlog kregen haar ouders een onderduikadres aangeboden. Het echtpaar meende echter op grond van hun leeftijd geen gevaar te lopen en beschouwden onderduiken als te gevaarlijk. Haar zus Roza wilde niet langer in Veendam blijven, kreeg een persoonsbewijs van een vriendin van de familie en ging naar haar zus Judith in Amsterdam. Judith was min of meer ondergedoken in haar eigen woning in de Deurloostraat 127 II. Roza kreeg vervolgens een onderduikadres van een leerling van Judith en verliet Amsterdam. Na enige omzwervingen vond zij een veilig adres in Zaandam en wachtte aldaar op het einde van de oorlog. Judith kon ook onderduiken via één van haar vele relaties, maar weigerde dit. Zij voelde dat zij bij haar man hoorde.

1943
Overlijden moeder 1943
Begin april 1943 volgde het oude echtpaar Tof het bevel van de bezetter op, waarin was bepaald dat elke nog niet weggevoerde Jood zich moest melden. Per taxi en voorzien van enkele koffers zocht het bejaarde echtpaar eerst familie in Groningen op en meldde zich daarna op het station in Groningen. Het paar werd naar kamp Vught gebracht, waar de 78-jarige Hanna Tof-Woudstra kort na aankomst op 18 april 1943 overleed. Benjamin Tof werd naar het vernietigingskamp Sobibór bij de Pools-Russische grens gedeporteerd, waar hij op 14 mei 1943 op 73-jarige overleed.

Yad Vashem

Yad Vashem ref. no. 287063

Op 26 mei 1943 werd Judith Toff met haar echtgenoot Jacob Sluijs en onder anderen zijn jongere broer Joseph bij een razzia opgehaald en van de Jodenbreestraat 60 naar het doorgangskamp Westerbork gebracht. Van daaruit werden zij naar Sobibór gedeporteerd, waar zij op 1 juni 1943 aankwamen en op 4 juni 1943 zijn vermoord (In Memoriam; Staatsdrukkerij Sdu, 1995 ISBN 9012091785 / Yad Vashem / Overlijdensverklaring WO II Amsterdam).

Roza Tof – de oudere zus van Judith – overleefde de oorlog en overleed op 13 september 1990 te Zaandam (R.C. Hage / J.H. de Vey Mestdagh – ‘De Joodse gemeenschap van Veendam-Wildervank, Muntendam en Meeden’; Groningen: Stichting Vrienden van het Rijksarchief Groningen, 1985).

Gesmoorde stemmen, Nieuwe Reportage