RECENSIE: R. Strauss – Arabella

© Brinkhoff / Mögenburg
Hamburg, 4 juni 2014

‘Arabella’ Hamburg is de ware

Wie na de ‘Arabella’ van DNO de smaak te pakken heeft, kan in dit Strauss-jaar deze opera nog op vele plaatsen bezoeken. Zo wordt de opera in Europa opgevoerd in steden als Dresden, Barcelona, Wenen, Keulen en Hamburg. In Hamburg is een sterrenbezetting bijeen gebracht voor de herneming van de productie uit 2008.

De productie van ‘Arabella’ (1933) van Richard Strauss (1864-1949) wordt door de Staatsoper Hamburg voor het Strauss-jaar 2014 hernomen. Het is een co-productie met de Wiener Staatsoper uit 2008. De enscenering is van de hand van regisseur Sven-Eric Bechtolf (Darmstadt, 1957), die net als zijn collega’s Luc Bondy, Jügen Flimm en Martin Kušej uit de theaterwereld komt. Bechtolf brengt ‘Arabella’ naar de tijd, waarin Richard Strauss de opera componeerde. Deze jaren tussen 1927 en 1932 worden weerspiegeld door de onverhulde, opgewonden genotzucht en desoriëntatie van psychische en fysiek gedeformeerde mensen. Verder komt Josephine Baker voorbij, dragen mannen vrouwenkleding en vrouwen mannenkleren en ademen aanplakbiljetten van de sneltrein Parijs – Amsterdam ‘Étoile du Nord’, van de bar Mirleton en van de Weense Apollobioscoop de geur van die “gouden” jaren. De eerste akte speelt zich af in de foyer van het Hotel Metropol, de tweede in de lounge van het hotel met een bar, waarop Fiakermilli jodelt en de derde akte toont het trappenhuis van het hotel, waarvan Arabella neerdaalt met het glas water. Het heeft allemaal de sfeer van de film ‘Grand Hotel’ met Greta Garbo en Joan Crawford uit 1932. Bechtolf is conservatief, zijn enscenering doordacht en behoudend, niet ontwrichtend of tegendraads en te allen tijde onderhoudend.

Deze productie hanteert de Münchener versie van 1939. Hierin zijn een paar kleine coupures: een paar maten van de tweede akte in Mandryka’s finale en een kleine invulling van de hotelgasten tijdens de intrige in de derde akte. Maar ook zit in de finale van de derde akte een betreurenswaardige coupure: Het moment waarin Arabella zich tot haar zusje richt, is deels geschrapt, wellicht omdat Strauss ervoor niet zijn beste muziek componeerde. Maar het is de sleutelpassage van de opera, waarin Arabella haar bezinning en inzicht tot uiting brengt en derhalve een gemis.

De Finse sopraan Camilla Nylund is een ideale Arabella. Net als in de DNO ‘Tannhäuser’ is zij expressief en prachtig verstaanbaar. Haar zekere middenregister, zilveren hoogte en vermogen subtiel lyrisch en expressief dramatisch te schakelen is indrukwekkend. Zij speelt een sterke, zelfbewuste, moderne Arabella. Helaas waren er – waarschijnlijk door de weinige repetitietijd bij hernemingen in Duitse theaters – twee muzikale dwalingen van haar kant in de eerste akte. Haar “Richtige” Mandryka is de bariton James Rutherford, net als bij de DNO ‘Arabella’. In die twee maanden is zijn Mandryka al enorm gegroeid. Rutherford is krachtig en vocaal en acterend geweldig in de rol.

De bezetting van de oudjes Waldner is een luxe. De Graf is de bas Alfred Muff, die vier dagen voor de voorstellong 65 jaar was geworden. Heerlijk is het om een echte zwarte bas in deze partij te horen. Cheryl Studer is een genot als moeke Adelaide. En speciaal voor de 10-minuten durende partij van Fiakermilli heeft de Staatsoper Hamburg de Koreaanse sopraan Sumi Jo voor vier voorstellingen laten overkomen. Zodra zij op het toneel verschijnt lijken alle anderen onzichtbaar. Haar komische talent is volmaakt voor de “trillertante”, zoals Clemens Krauss Fiakermilli noemde. Sumi Jo zingt de partij met de vele hoge Ds op haar onnavolgbare manier: De “kick-ass” coloraturen en vioolachtige lange tonen zijn fabelachtig. Jammer alleen dat haar laatste jubelnoten aan het slot van de tweede akte in deze Münchener versie gecoupeerd waren.

De Russische sopraan Katerina Tretyakova is een prachtige Zdenka. Zij is een belofte voor de toekomst en gaat in Hamburg onder andere Lucia en Traviata zingen. De tenor Stephan Rügamer klinkt als Matteo onwaarschijnlijk identiek aan Franz Klarwein, één van de belangrijke vertolkers van de rol in de jaren 40 en 50. Alleen zette hij de hoge B in de derde akte vreemd aan.

De Tsjechische dirigent Stefan Soltesz als Strauss-expert stelt teleur. Mogelijk door te weinig repetitietijd bij hernemingen van Duitse theater hoort men Die Philharmoniker Hamburg zwoegen, zijn er vele onvolkomenheden en bruist en bloeit het orkestraal niet. Maar een opvoering van ‘Arabella’ kan niet stuk met zo’n sterrenbezetting!

Buitenlandse Recensies