RECENSIE: Cherubini – Médée

© Matthias Stutte
Bielefeld, 18 mei 2014

Annemarie Kremer overdondert Bielefeld met Médée

Annemarie Kremer maakt in de Duitse plaats Bielefeld haar debuut in de titelrol van de opera ‘Médée’ van Cherubini. Het is een logische vervolg in de reeks successen van de Nederlandse zangeres in rollen voor dramatische coloratuursopraan.

Het Theater Bielefeld brengt een nieuwe productie van de opera ‘Médée’ van Luigi Cherubini (1760-1842) in de veelgeprezen reconstructie van de oerversie door Heiko Cullmann. Deze oerversie was tijdens de wereldpremière in 1797 in Parijs geen succes. Franz Lachner bewerkte vervolgens de opera voor een uitvoering in 1855 in Frankfurt door recitatieven op de plaats van de gesproken dialogen te componeren en in deze vorm vond ook de Italiaanse première plaats in Milaan, pas in 1909. Heiko Cullmann heeft de opera zogezegd hersteld naar de oerversie van 1797. Alle veranderingen en aanvullingen die in de loop van de afgelopen ruim 200 jaar waren aangebracht, liet hij weg en deze versie werd in 2011 voor het eerst gespeeld in Brussel. Deze editie van ‘Médée’ is een bondige en toegesneden opéra-comique. Toch wordt door de gesproken dialogen de actie van het drama niet muzikaal verenigd en door het ontbreken van recitatieven wordt de expressie niet geïntensiveerd. Dat heeft nadelige gevolgen voor de flow van het verhaal. Zo ontberen de gesproken verwensingen van Médée in het slotkoor van de tweede akte de woede en gaat de tweede akte als een nachtkaars uit.

De Nederlandse sopraan Annemarie Kremer voegt met Médée een nieuwe rol toe aan haar indrukwekkende lijst met partijen. Net als Cristina Deutekom zingt zij rollen voor dramatische coloratuursopraan, zoals Norma, Vitellia, Giselda en Donna Anna, maar ook met Salome, Madama Butterfly en Tosca viert zij triomfen. De titelrol van ‘Médée’ is ongelooflijk veeleisend in vocale techniek en uithoudingsvermogen. Haar muziek is een waarlijk mijnenveld van sprongen, intense declamaties en zachte lyrische passages. Annemarie Kremer is uitstekend tegen deze partij opgewassen en haar vertolking is een succes. Voortreffelijk differentieert zij met een uitgebreid palet aan kleuren tussen de woede, het verdriet, de twijfel, de frustratie en de genegenheid van de bedrogen Médée. Haar tonen boven de notenbalk hebben een aangrijpende intensiteit: De cavatina van de eerste akte “Vous voyez de vos fils” met de talloze hoge A’s en Bessen, het finale duet met Jason “Perfides ennemis” van de eerste akte vlamt – afgesloten met een vurige hoge B – en het “Quel horrible forfait” van de finale III met de hoge Bs is het hoogtepunt van de avond.

De Australische tenor Paul O’Neill als bokskampioen Jason heeft een mooie, lyrische tenor, grenzend aan het jugendliche heldenvak. Bij sommige tonen doet hij zelfs even denken aan Pavarotti. De Bulgaar Evgueniy Alexiev als Créon maakt indruk met zijn solide heldenbariton. De Duitse mezzosopraan Sünne Peters als Néris is inmiddels vier jaar lid van het ensemble van Bielefeld. Met haar mooie, volle stem zingt zij haar aria “Ah! Nos peines seront communes” in de tweede akte. Men zou toch denken dat deze zangeres door zou moeten groeien naar grotere theaters. En de Griekse dirigente Elisa Gogou is een talent. Al bij de Sinfonia naar de eerste akte laat zij met de Bielefelder Philharmoniker – bestaande uit zo’n 40 personen – een storm losbreken en zit je op het puntje van je stoel. Ieder moment wordt instrumentaal diepgaand en pakkend ondersteund.

De enscenering van de Duitse regisseur Florian Lutz (Keulen, 1979) daagt uit tot nadenken. Lutz – die ook ‘Così fan tutte’ in Dessau regisseerde – weet een interessant verhaal te vertellen over prestatiedrang, rivaliteit, begeerte en neurosen. In de eerste akte toont hij de verharding van de maatschappij wanneer in een klaslokaal de kinderen hardhandig onderwezen worden in carrière, zaken en geld. De zonen van Médée vertonen gedrag, dat past binnen het autistiforme spectrum en in de tweede akte blijkt Néris lesbisch en Médée niet ongevoelig voor haar avances. Uiteindelijk radicaliseert Médée tot terroriste, inclusief videoboodschap tijdens “Je suis Médée”. Haar zonen worden niet slachtoffer van haar wraak, maar wreken zichzelf en hun moeder door haar te begeleiden in het plegen van een aanslag op de maatschappij. Lutz zorgt voor grillig, maar ook spottend theater. Helaas valt de pauze in het midden van de tweede akte en onderbreken de vijf geprojecteerde, filosofische beschouwingen van de zonen van Médée het drama te zeer.

‘Médée’ staat zelden op de programma’s van de operahuizen en dat is jammer, vooral als je bedenkt dat de opera zich uitstekend leent voor muziektheater. Dat bewijst deze voortreffelijke productie van het Theater Bielefeld. En hopelijk hoort men Annemarie Kremer in deze titelrol ooit nog eens in Nederland.

Buitenlandse Recensies, Nieuwe Recensie