RECENSIE: R. Strauss – Arabella

© DNO

DNO ‘Arabella’ zonder Weense weelde

MUZIKAAL

1. Is men trouw aan de muziek of zijn er veranderingen?
– De Nationale Opera (DNO) brengt een productie van ‘Arabella’ van Richard Strauss (1864 – 1949) ter gelegenheid van de 150e geboortedag van de componist. De opera wordt opgevoerd in de versie van de Dresdener wereldpremière uit 1933 zonder de gebruikelijke coupures in de tweede of derde akte. ****

2. Zijn de zangers rollendekkend?
– De Amerikaanse Jacquelyn Wagner is een prachtige Arabella. Zij heeft een sterke sopraan met een vaste hoogte, die goed in contact staat met de rest van haar stem. Haar tonen zijn egaal, maar ook eenkleurig – wat overigens goed past bij de vrouwelijke afstandelijkheid van Arabella – en toch kan zij ook af en toe haar stem elegant verfijnen. De Brit James Rutherford is één van de belangrijkste heldenbariton van onze tijd en zingt zijn eerste Mandryka werkelijk fenomenaal. De Deense sopraan Susanne Elmark als Fiakermilli zingt strak en stralend met schitterende hoge Ds. Alleen de rollen van Waldner en Matteo zijn te licht bezet. ****

3. Is de dirigent betrokken bij het podium?
– Dirigent Marc Albrecht en het Nederlands Philharmonisch Orkest presenteren helaas niet de flair en weelde van Strauss. De details zijn aanwezig, maar de grote bogen lukken slechts zelden. De klankextase, die onder andere in de finale Arabella zou moeten dragen, ontbreekt helaas. **

4. Vormen de (koor- en) orkestleden onderling en samen een eenheid?
– Er is geen klankeenheid van de orkestbak met het toneel, want – zoals al zo vaak gezegd – Marc Albrecht dirigeert met zijn neus in de partituur en geeft inzetten voor de zangers slechts zelden aan. **

DRAMATURGISCH

5. Wordt er een verhaal verteld?
Christof Loy (Essen, 1962) is een regisseur met een wisselend oeuvre, dat hedendaagse operaregisseurs zich schijnbaar kunnen veroorloven. Zijn ‘Les Vêpres Siciliennes’ kon bij de opening van het DNO seizoen 2010/2011 rekenen op stevig boegeroep, een historisch moment voor een DNO seizoenopening. En toch is deze regisseur door DNO teruggevraagd. Loy weet in ‘Arabella’ echter uitstekend het verhaal te vertellen met een sterke personenregie. Hij is op zijn best in de geestige momenten – zoals hij bewees in zijn ‘Il Turco in Italia’ in Hamburg – en hij weet het Amsterdamse publiek aan het lachen te maken. ****

6. Hoe is de esthetiek en functionaliteit van de vormgeving?
– Loy ontdoet ‘Arabella’ van haar Weense weelde en laat de lyrische komedie achter de schermen afspelen, onder andere in diverse vertrekken van het huis en in het trappenhuis en de bestekamer van het bal. Dit decor is een bloedlege, witte ruimte met voortdurend bewegende schuifpanelen, dat overigens overal in de zaal wel goed te overzien is. Wie echter in staat is zich over deze witte toneeldoos, het ontbreken van de charme en het liggen en leunen van de zangers heen te zetten, kan veel plezier beleven aan deze ‘Arabella’. ***

7. Komt de enscenering overeen met het libretto?
– Loy heeft geen kritisch concept, is niet politiek, economisch of antiburgerlijk geëngageerd, maar blijft netjes en is nauwelijks aanstootgevend. Hij vult het verhaal op enkele plaatsen in en vermeerdert daarmee het bestaande verhaal, zonder tegen het libretto in te druisen. ****

8. Hoe is de integratie regie – muziek?
–  Loy is een muzikale regisseur, luistert prima naar Richard Strauss en laat de zangers overal goed naar het publiek spelen en zingen. ****

ALGEMEEN

9. Is de productie artistiek innovatief?
– Deze productie is niet vernieuwend. Sterker nog, de enscenering heeft veel weg van de zwart-wit opvoeringen uit de jaren tachtig en doet derhalve gedateerd aan. **

10. Is de productie onderscheidend of spraakmakend?
– Deze ‘Arabella’ is een typisch voorbeeld van de vakkundige, uitgebalanceerde en actualiserende ensceneringen van de regisseursgeneratie, waartoe Loy en ook Claus Guth en Barrie Kosky behoren. Onderscheidend of opzienbarend is zij echter niet. **

11. Is er Nederlandse betrokkenheid bij de productie (zangers, regisseur, ontwerpers, dirigent)?
Charlotte Margiono maakt indruk in de mezzopartij van moeder Adelaide. Zij schakelt intelligent tussen haar midden- en borstregister, maar een Herodias hoort men in haar nog niet. Het kwartet aanbidders bestaat voor de helft uit Nederlanders: Marcel Reijans als een fraai lyrische Elemer en de bariton Roger Smeets is een stijlvolle en elegante Dominik. ***

12. Hoe is het bezoekersaantal in verhouding tot de zaalcapaciteit?
– De zaal was tijdens de première op 11 april 2014 goed gevuld, maar niet uitverkocht. De drieakter ‘Arabella’ bevat twee pauzes en dat is plezierig. ****

De Nationale Opera, Nieuwe Recensie