RECENSIE: Hartmann – Wachsfigurenkabinett

© Hans Jörg Michel

‘Wachsfigurenkabinett’ in Düsseldorf belangrijk, bruikbaar, maar niet boeiend

‘Wachsfigurenkabinett’ van Hartmann is een belangrijk werk, dat oorspronkelijk is bedoeld voor een Opera Studio. De Opera Studio van Düsseldorf benut de bruikbaarheid van het vijfluik voor een ensemble, maar boeiend is de uitvoering helaas niet.

De Opera Studio van de Deutsche Oper am Rhein te Düsseldorf voert viermaal het operavijfluik ‘Wachsfigurenkabinett’ van Karl Amadeus Hartmann (1905-1963) op. Deze kameropera’s werden door Hartmann in 1929/1930 gecomponeerd voor de toen nieuw opgerichte Opera Studio van de Staatsopera van München. Drie van de vijf delen bleven echter onvoltooid en slechts “Leben und Sterben des heiligen Teufels” werd in het voorjaar van 1929 opgevoerd in München. Plannen om de vijfluik op het programma van het Stadttheater Münster te zetten mislukten door de economische crisis van 1930. Pas tijdens de eerste Münchener Biennale in 1988 ging ‘Wachsfigurenkabinett’ in première. De componisten Hans Werner Henze, Günter Bialas en Wilfried Hiller hadden daarvoor Hartmanns schetsen en indicaties voor instrumentatie van de drie onafgemaakte delen voltooid. Inmiddels werd ‘Wachsfigurenkabinett’ in deze hoedanigheid al opgevoerd in Bremen, Eisenach, Gelsenkirchen, Leipzig en Trier.

‘Wachsfigurenkabinett’ is Hartmanns eerste compositie voor muziektheater en derhalve een belangrijke werk. Na de Tweede Wereldoorlog trok de componist al zijn vroege werken terug, waarin hij zich had bediend van de “Gebrauchsmusik” van de jaren twintig, zoals revue-, dans- en filmmuziek. Mede door deze muziek werden zijn composities door de Nazi’s verworpen en toen zij aan de macht kwamen, trok Hartmann zich uit het Duitse muziekleven terug. Hij bleef echter in Duitsland en volgde tussentijds privélessen in Wenen bij Anton Webern.

De Opera Studio van de Deutsche Oper am Rhein te Düsseldorf voert ‘Wachsfigurenkabinett’ op in het binnenhof van het Maxhaus te Düsseldorf. De studio heeft zijn eigen volgorde bepaald van het vijfluik en de door Hartmann zelf voltooide delen “Die Witwe von Ephesos” en “Leben und Sterben des heiligen Teufels” zijn respectievelijk het openings- en sluitingsdeel. De zeven zangers en zangeressen van de opera studio zijn afkomstig uit vijf verschillende landen en in de vijf korte opera’s zijn zij in diverse partijen te horen. In het eerste deel – een satire over menselijke verharding ten tijde van falende economische ontwikkelingen – valt de Duitse bas Felix Rathgeber op als Bürgermeister, die werkelozen terechtstelt. In andere delen wordt Rathgebers sonore bas ingezet bij (te hoge) baritonale partijen. De Grieks-Amerikaanse sopraan Jessica Stavros laat jugendlich-dramatische potentie horen als Miss Vera Bancroft in “Chaplin-Ford-Trott”, een parodie op Amerikaanse consumptie, corruptie, seksuele moraliteit, entertainment en racisme. De Roemeense, lyrische bariton Attila Fodre toont tenorale toekomst als Der Reiche in “Der Mann, der vom Tode auferstand”, waarin een rijke Amerikaanse zakenman een hoorspel te letterlijk neemt en vreest voor zijn leven. De Duitse sopraan Aïsha Tümmler heeft een prachtige lyrische stem als de Frau in “Fürwahr…?!”, een klucht over twee dronken mannen, die proberen een deur te openen en ontdekken dat zij vader en zoon zijn die thuiskomen. De Israëlische mezzosopraan Hagar Sharvit valt op als de Magd in de Moritat “Leben und Sterben des heiligen Teufels”. Met geduld kan zij uitgroeien tot een echt dramatische mezzo. De gesproken teksten in deze uitvoering – ook als zij toebehoren aan de zangers – komen uit de speakers, waardoor er op deze plaatsen helaas minder samenhang met de personages optreedt. Leden van de Düsseldorfer Symphoniker in kamerbezetting staan onder solide leiding van de Finse dirigent Ville Enckelmann.

De enscenering is van de hand van Mechthild Hoersch, de artistiek leider van de Opera Studio van Düsseldorf. Hoersch lukt het helaas niet om de verhalen van de vijf opera’s te vertellen en er is geen scherpe, toegespitste dramaturgie. De zangers zijn door Inga Gürle allen gekleed in spijkerbroek met zwarte schoenen, das, bretels en shirt en het gezicht is half vrolijk, half treurig geschminckt. Men ontneemt de personages hun individualiteit ten teken van hun uitwisselbaarheid en wil het wassenbeeldenmotief op de spits drijven. Hierdoor worden de vijf opera’s momentopnamen, waarin tijd en plaats uitgevlakt zijn. Dit concept is echter rampzalig voor de humor, ironie en satire van Hartmann en het werk slaat daardoor helemaal dood. ‘Wachsfigurenkabinett’ is een ideaal werk voor een opleidingsinstituut, maar het is jammer te moeten constateren, dat ook in Duitse opleidingsinstituten – net als in de Nederlandse academies en studio’s – de uitvoeringen worden bepaald door het CV van de opleiders.

Buitenlandse Recensies