RECENSIE: Wagner – Tannhäuser

Stalkende tenor in ‘Tannhäuser’ zonder ontstemming

Wie bij De Nederlandse Opera (DNO) op het lumineuze idee gekomen is samen te gaan werken met het Festspielhaus Baden-Baden verdient een koninklijke onderscheiding. Dit kuuroord waar jaarlijks vele rijke oude vrouwtjes hun geld uitgeven, staat garant voor financiële zekerheid en kwaliteit. En zie daar, DNO weet zich weer eens verzekerd van een aardig succesje: de co-productie ‘Tannhäuser’ van Richard Wagner.

‘Tannhäuser’ speelt zich af in de 13e eeuw en gaat over de innerlijke strijd van Tannhäuser m.b.t. zijn liefde voor de wulpse Venus (die inmiddels toch zo’n 3000 jaar oud moet zijn) en voor de reine Elisabeth. Hij verlaat Venus, stalkt vervolgens Elisabeth, waarna hij door haar vader wordt weggestuurd naar de paus voor vergiffenis. Net als in andere Wagner opera’s geneest hier de liefde van een vrouw, iets wat wel erg veel fantasie van de meeste mannelijke operaliefhebbers vergt. ‘Tannhäuser’ werd in 1845 voor het eerst opgevoerd, is Wagners vijfde opera en de laatste in zijn reeks vroege werken. De opera werd al tijdens het leven van de componist gezien als een onsamenhangend fiasco en ook de Parijse ‘deuxière’ in 1861 kon daar niet veel verandering in brengen. Wagner bracht daarna nog talrijke revisies aan en DNO komt nu met de uiteindelijke Weense versie uit 1875.

Voor deze ‘Tannhäuser’ hebben DNO en Baden-Baden opnieuw zaken gedaan met de Duitse regisseur Nikolaus Lehnhoff, wiens ‘Lohengrin’ drie weken geleden nog werd weggehoond in de Milanese Scala. Een betere regisseur dan Lehnhoff had men voor deze productie niet kunnen vinden. Geen enkel aanstootgevend moment zal de in het Kührort badderende oudjes shockeren. Geen bloed of porno in deze ‘Tannhäuser’ zoals in de Brusselse ‘Tannhäuser’ van regisseur Jan Fabre. Ook geen pauselijke staf als fallisch symbool of naakt opgebaard lichaam van Elisabeth. In plaats daarvan de kostuums zoals we ze Lehnhoff kennen: hooggesloten, zonder één enkel bloot lichaamsdeel. Lehnhoffs ‘Tannhäuser’ is ontdaan van al het overbodige, is prachtig en verstillend en van alle tijden. Hij is een uitstekende regisseur voor zangers met een subtiele personenregie. Zijn kwaliteiten zijn een tegenbeweging in een tijd waarin het publiek genoeg heeft van vormen en interpretatie.

Soms is het jammer dat in Wagners opera’s ook nog gezongen wordt, maar in deze productie valt dat gelukkig allemaal wel mee. De Amerikaanse tenor Robert Gambill is een grootse Tannhäuser. Hij bezit een rijk kleurenpallet en een goede focus en is muzikaal en exact. Zijn collega landgenoot John Keyes daarentegen op de alternerende dagen is de belichaming van een zingende uitsmijter: hij is ongenuanceerd, monochroom en de volumeknop van zijn stem lijkt vastgeroest op 10. Ook Petra Lang als Venus is in haar element als ze hard mag zingen, maar in de lyrische stukken zet zij de noten teveel aan en sleept ze ernaar toe, wat voor onze toch al overbelaste oren uiteindelijk erg vermoeiend wordt. Martina Serafin zingt de relatief korte en eenvoudige Wagner sopraanpartij van Elisabeth prachtig. Roman Trekel was Wolfram ook al in Bayreuth in 2004 en 2005 en zingt met een donkere bariton en mooi gedoseerde, lange adem. Een verademing was het ook, na de inmiddels geroyeerde Ingo Metzmacher, opnieuw dirigent Hartmut Haenchen met het Nederlands Philharmonisch Orkest in Wagner te horen. Door het publiek werden hij en de productie dan ook verwelkomd met een uitzinnig applaus.

De Nationale Opera, Home