RECENSIE: Puccini – Turandot

© DNO

Berio maakt ‘Turandot’ af bij De Nederlandse Opera

DNO brengt haar oude productie van ‘Turandot’ uit 2002 op de planken, die eindigt met een destijds nieuw gecomponeerde finale van Luciano Berio. Als package-deal deed deze versie toen nog de Scala, Salzburg, de Met en Londen aan. Het nieuwe einde van de opera kreeg vernietigende kritieken en vrijwel alle operahuizen hebben sindsdien de Berio finale in de ban gedaan. Desondanks presteert DNO het deze versie terug te verkiezen.

Giacomo Puccini (1858 – 1924) werkte gedurende zijn laatste vier levensjaren aan ‘Turandot’. De onvoltooide opera werd op verzoek van Puccini’s zoon afgemaakt door de componist Franco Alfano en de wereldpremière werd een jaar uitgesteld naar 1926. Puccini had 36 bladzijden met notities achtergelaten. Alfano was trouw aan Puccini’s wensen en leverde een degelijke finale af. Kort voor de wereldpremière echter eiste dirigent Toscanini forse coupures in Alfano’s finale. Hij speelde uiteindelijk bij de wereldpremière zelfs de finale helemaal niet en de daaropvolgende uitvoeringen de finale met coupures. De volledige versie van de finale beleefde haar première pas in 1982 in Londen, werd in 2006 door de Reisopera met de Nederlandse tenor Frank van Aken gespeeld en anderhalf jaar geleden nog in Antwerpen. Toch presteert DNO het de verguisde Berio-versie uit 2002 terug te verkiezen.

Het ergste dat je Berio-versie kan verwijten is dat het helemaal niet meer als Puccini klinkt. Berio doet geen poging om de connectie te behouden met het voorgaande materiaal van Puccini. Hij recyclet nog wel – met lichtere orkestratie – het meeste materiaal dat ook Alfano al gebruikte, maar zijn versie klinkt wranger door het uitvoeriger gebruik van dissonanten dan zijn voorganger. In plaats van Puccini’s discrete dissonanten – getemperd door diens karakteristieke lyriek – hoort men hier muziek van iemand die niet meer onbevangen is door de 20ste-eeuwse muziek. Berio’s finale is van een heel ander idioom.

Berio vervangt de triomfantelijke finale door een verstillend slot. Hij vindt het ongeloofwaardig, dat de onderdrukten zich – zoals in het eerdere slot – verenigen in een koor en hun onderdrukker roemen. Na de gruweldaden van de 20ste eeuw zou het hedendaagse publiek een triomfantelijk einde oneerlijk vinden. Hiermee gaat Berio voorbij aan de gedachten van Puccini, die had geschreven dat “deze twee wezens [Calaf en Turandot], die buiten de wereld staan, in een duet door liefde zouden transformeren in mensen. Deze liefde zou dan bezit nemen van een ieder op het toneel in een orkestraal slotwoord”. Berio negeert het feit dat ‘Turandot’ een sprookje is, waarin alles mogelijk en plausibel is.

Berio haalt met zijn verstillende finale ook de vaart uit het drama en maakt het slot tot een slepende en statische anticlimax. Uit zijn correspondentie met zijn librettisten en zijn vertrouwelinge Sybil Seligman blijkt dat Puccini dit einde juist vlot en vrolijk wilde hebben. Hij voorzag het als een “meteoor, zich snel verplaatsend naar het einde, geen retoriek, maar met de roep van een uitzinnige menigte”. Zijn andere opera’s zoals ‘Tosca’, ‘Madama Butterfly’ en ‘La Boheme’ eindigen ook abrupt. Maar bij Berio eindigt ‘Turandot’ rustig en de opera gaat tenslotte als een nachtkaars uit.

Vóór de finale is er muzikaal gelukkig veel te genieten en dat komt met name door de fantastische lezing van dirigent Yannick Nézet-Séguin. Hij laat ‘Turandot’ groots zinderen en de bassen dreunen door Het Muziektheater. Prachtig tovert hij Puccini’s orkestrale kleuren en onverwachte harmonieën uit het Rotterdams Phiharmonisch Orkest. Het Koor van De Nederlandse Opera (door Puccini wordt het koor niet “coro” genoemd, maar “folla” = menigte) is in topvorm in zijn uitgebreide, dramatische rol.

De rol van de misantrope prinses Turandot vereist een krachtig, belastbaar en expressief kopregister en de Amerikaanse Lise Lindstrom voldoet daaraan. De Canadese lyrisch tenor Lance Ryan als Calaf heeft een fraaie hoogte, maar zou zich niet door operahuizen moeten laten verleiden tot dit soort Heldische partijen. De Puertoricaanse sopraan Ana María Martínez is een ontroerende Liù en zingt haar aria’s breekbaar, subtiel, gevoelig en stijlvol. De compromario rol van Altoum wordt gezongen door de Nederlandse tenor Jean-Léon Klostermann. Hij geeft goed karakter aan de oude keizer in zijn scène van de tweede akte. Helaas heeft DNO voor de drie buffo-partijen van Ping, Pang en Pong weer geen Nederlandse zangers kunnen vinden.

De enscenering is een oude productie van regisseur Nikolaus Lehnhoff (1940) uit 2002. Commedia dell’arte figuren in futuristische kostuums bewegen zich tussen bloedrode wanden, die beslagen zijn met spijkers. Het is een menging van circus, cultus, science fiction en fetisj. Lehnhoffs ‘Turandot’ is opnieuw – net als de ‘Les Troyens’ van Pierre Audi – pure kitsch, waar DNO patent op schijnt te hebben.

Tenslotte stoort het, dat de hele avond alle zangers “Turandot” met zingen. Als men bij DNO zijn huiswerk had gedaan, dan zou men hebben geweten dat de laatste t van “Turandot” niet uitgesproken wordt. De eerste protagonisten van de titelrol Rosa Raisa¹ en Dame Eva Turner hebben onafhankelijk van elkaar in interviews gezegd, dat Puccini het uitsprak als Turando[t] en ook op de opname van de eerst trio Ping, Pang en Pong is dit duidelijk te horen.

¹ Interview met Rosa Raisa: “The Man Behind the Legend” uitgezonden door NPR in seizoen 1978-1979

De Nationale Opera, Home