RECENSIE: Monteverdi – L’Orfeo

De ‘full Monteverdi’ bij De Nederlandse Opera

De wereldpremière in 1607 van de opera ‘L’Orfeo’ van Claudio Monteverdi (Cremona, 1567–1643 ) is de aanleiding voor diens operacyclus bij De Nederlandse Opera (DNO) als aftrap voor het seizoen 2007 / 2008. Het één en ander wordt aangevuld met nog Monteverdi restjes op een vierde avond. De componist schreef in totaal 10 opera’s waarvan slechts drie compleet bewaard zijn gebleven en tussen de eerste ‘L’Orfeo’ en de laatste twee zit een gat van maar liefst 30 jaren. Het was echter niet DNO, die als eerste op het idee kwam de ‘full Monteverdi’ uit te voeren; het duo Harnoncourt en Ponnelle brachten al een Monteverdi cyclus in Zürich én naar Amsterdam in de jaren 70.

Monteverdi was een historisch sleutelfiguur. Hij was niet zozeer de eerste operacomponist, want er waren hem enkele voorafgegaan, maar wel de eerste wat betreft de individualiteit en levensvatbaarheid van zijn werk. Er bestaan van ‘L’Orfeo’ twee partituren, uit 1609 en 1615, die echter verschillen van elkaar én van het libretto dat bewaard is van de première van 1607. En ook in de partituren zelf bevinden zich instrumentale onduidelijkheden, maar ook inconsequenties. Toch zijn zij een belangrijke informatiebron om te weten welke instrumenten Monteverdi voor welke muziek gebruikte.

Met deze DNO ‘L’Orfeo’ leveren dirigent Stephen Stubbs en zijn musici van Tragicomedia en Concerto Palatino een gedegen uitvoering met betrekking tot de invulling van de instrumentatie en geluidskeuze. Hij bereikt een variabiliteit door een afwisselende begeleiding en daardoor kleurrijk orkest. Dit alles maakt de harmoniek affectiever en emotioneel werkzaam. Het psychologisch inzicht en de menselijkheid van Orfeo wordt uitstekend vertolkt door de Britse tenor Jeremy Ovenden. In de virtuoze, eenvoudige en expressieve onderdelen van de aria “Possente spirto” toont hij zich een ware meester van de zangkunst. In belangrijke rollen zijn Nederlandse solisten te vinden. Judith van Wanroij maakt haar DNO debuut als Euridice, de enige operapersonage die twee maal sterft. Haar “Così per troppo amor” is ronduit ontroerend. Euridice werd ten tijde van de première gezongen door een castraat, net als Proserpina en La Musica. Dit verklaart wellicht de keuze voor de verwijfde interpretatie van de countertenor David Cordier in de proloog. Tania Kross beschikt over een verrassend kleurrijke stem voor La Messagiera.

Regisseur is Pierre Audi (Beiroet, 1957). Audi is nu al bijna 20 jaar de artistiek directeur van DNO (waar andere intendanten in de wereld gemiddeld zo’n 8 jaar aanblijven) en neemt dit seizoen 6 van de 14 producties voor zijn rekening. Hierdoor belooft het een eenkleurig jaar te gaan worden. Zijn ‘L’Orfeo’ kenmerkt zich door zijn minimale personenregie met typische Audi bewegingen, die altijd functioneel en esthetisch zijn. Het werkt alleen allemaal wat stijf, maar hier ook wel weer passend bij de traagheid van de goden en de onderwereld.

Met deze opvoering viert DNO de 400e verjaardag van ‘L’Orfeo’. We moeten DNO echter uit de droom helpen als zij denkt dat zij uniek is met dit initiatief, want een kleine zoekopdracht leert ons dat de opera dit jaar wordt opgevoerd in Aix-en-Provence, Beaune, Berlin, Bordeaux, Bremen, Cremona, Edinburgh, Glimmerglass, Halle, Hannover, Leeds, London, Pamplona, Praag, Stockholm, Wenen, Savona, Erfurt, Frankfurt en Jerez.

De Nationale Opera, Home