RECENSIE: Gounod – Roméo et Juliette

© Clärchen & Matthias Baus

DNO braakt Roméo en Juliette uit

Net op het moment dat men meent het dieptepunt van DNO te hebben mogen aanschouwen, verrast het best gesubsidieerde muziekinstituut van Nederland met – zover dat nog mogelijk was – één van haar meest afschuwelijke ensceneringen ooit. Het is niet te hopen voor DNO, dat de nieuwe minister van Cultuur de DNO voorstelling van ‘Roméo et Juliette’ bezoekt en inspiratie opdoet voor nieuwe bezuinigingen.

De bekendste opera’s van Charles Gounod (1818 – 1893) zijn ‘Faust’, ‘Mireille’ en ‘Roméo et Juliette’. ‘Roméo et Juliette’ was de negende van de 13 opera’s van Gounod en ging in 1867 in Parijs in première. De opera wordt wereldwijd vaak gespeeld, maar de laatste keer dat zij in Nederland werd opgevoerd was alweer vijftig jaar geleden met Lucy Tilly als Juliette. Recentelijk was de opera te horen tijdens de Salzburger Festspiele en later dit seizoen zal het worden opgevoerd in de Scala. Gounods verrukkelijke melodieën en diepgaande melancholie zijn evident, maar de concentratie vestigt zich met name op de hoogtepunten en de muziek als geheel heeft weinig continuïteit. Het verhaal van ‘Roméo et Juliette’ mag als bekend worden verondersteld: twee jonge mensen met een verschillende achtergrond worden verliefd op elkaar, maar hun omgeving probeert hen tegen te houden. Het verhaal van Shakespeare over onmogelijke liefde is aangrijpend, universeel en van alle tijden.

De Franse regisseur Olivier Py heeft het bij De Nederlandse Opera (DNO) echter presteert dit hartverscheurende verhaal gevoelloos en koel te presenteren. Py schijnt geobsedeerd te zijn door de massamoord op 7000 moslims in Srebrenica midden jaren negentig en geeft van die moorden de Nederlanders de schuld. Zijn enscenering bij DNO wendt Py opnieuw aan om zijn frustratie te uiten. Het donkere, sombere en grauwe decor in grijs en zwart bestaat uit onderdelen, die onnodig omhoog en omlaag, naar links en naar rechts bewegen en de ruïnes van de oorlog worden geaccentueerd met doodskisten en -koppen, graven, schedels en lijken, die door honden worden aangevreten. Een draaibühne is het strijdtoneel van de rivaliserende partijen. Tijdens de tussenspelen gebeuren de meest vreselijke dingen, zoals executies en andere gruweldaden. De helft van de tijd staan de personages in het donker. Roméo (met zwarte vleugels van de doodsengel Azraël) en Juliette zijn gekleed in het zwart en een touw verbindt de geliefden, waar iedereen onderdoor of overheen moet of aan blijft hangen. Intimiteit is ver te zoeken en zelden komen de geliefden bij elkaar; in hun duetten staat Juliette boven en Roméo beneden. Deze ‘Roméo et Juliette’ van DNO is een voorbeeld van slecht provincietheater, waarin de regisseur eerst het concept lijkt te hebben verzonnen en daarna het verhaal van de opera slechts als bijlage heeft toegevoegd.

Gelukkig zijn er uitstekende bijdragen van Nederlandse zangers in de bijrollen. Cora Burggraaf vertolkt haar glansrol van Stéphano. Ze was dit jaar en twee jaar geleden al tijdens de Salzburger Festspiele in deze rol te bewonderen – waarvan een DVD is uitgebracht – en zal later dit seizoen de partij in de Scala zingen. Cora Burggraaf vertolkt haar aria “Que fais-tu, blanche tourterelle” in de derde akte zelfverzekerd en met jeugdige pit. Haar stem heeft een gouden laagte en indrukwekkende hoogte. Het is onaardig van de regisseur dat hij haar haar solo achter op het toneel laat zingen. Py laat de zangers ook teveel handelingen uitvoeren tijdens het zingen. Zo is Henk Neven als Mercutio druk in de weer tijdens zijn “Ballade de la Reine Mab” in de eerste akte met een shot heroïne. Hij zingt de ballade evenwel prachtig lichtvoetig en virtuoos. De bariton van Neven, die de rol van Mercutio ook al in 2008 tijdens de Zaterdag Matinee zong, heeft aan kracht gewonnen – nu eens “ringing” en breed, dan weer warm en slank – en hij zingt stijlvol, intelligent en met temperament. Mattijs van de Woerd is een verheven bediende Grégorio in voorbeeldig Frans. Maarten Koningsberger is een nobele Paris en zijn bariton is muzikaal idiomatisch voor het Franse repertoire. Jean-Léon Klostermann straalt als Roméo’s vriend Benvolio.

De Franse dirigent Marc Minkowski is met name bekend vanwege zijn uitvoeringen van barokmuziek, maar ook van zijn Offenbach-projecten met Laurent Pelly. De aria van Stéphano nam hij een aantal jaren geleden al op met Magdalena Kožená. Minkowski’s lezing van Gounods romantische opera is gevoelig en heeft finesse. Hij verrast met het Residentie Orkest door een idiomatische behandeling van tempi, frasering en orkestrale details. Zijn gevoel voor de subtiele kleuringen van Gounods harmonische taal, zijn aandacht voor Gounods oneindige variatie in articulatie en zijn greep op de steeds veranderende rubati zijn bewonderenswaardig.

Ooit ging men naar de opera om een vreemde wereld in te duiken en zich een moment aan de realiteit te onttrekken. Maar als geprobeerd wordt om op het toneel te tonen wat men in het dagelijkse leven en op de televisie ziet – zoals in deze ‘Roméo et Juliette’ – dan wordt de betovering van de opera weggenomen en de muziek haar kracht ontnomen.

De Nationale Opera, Home