RECENSIE: Puccini – La Bohème

© Staatsoper Hamburg

‘La Bohème’ in Hamburg: Mimi in divaformaat

In Duitse operahuizen worden goedlopende producties keer op keer herhaald voor volle zalen. Zo wordt de enscenering van ‘La Bohème’ inmiddels voor de 43e keer sinds de première in 2006 gespeeld. En deze 43e keer wordt de rol van Mimi gezongen door Angela Gheoghiu. Een reden om Hamburg – drie uurtjes rijden van de grens – te bezoeken.

‘La Bohème’ van Giacomo Puccini (1858 – 1924) is een opera, die voor de één te sentimenteel is om te kunnen verdragen, maar waaraan de ander zich ongegeneerd kan overgeven. De wereldpremière vond plaats in 1896 in Turijn en de Nederlandse première was vijf jaar later in Amsterdam met tenor Sam Poons – de vader van Sylvain – in de dubbelrol van Benoit en Alcindoro. Guy Joosten (Antwerpen, 1963) regisseerde in 2006 een enscenering van ‘La Bohème’ voor de Staatsopera van de Duitse stad Hamburg en dit jaar is in drie voorstellingen van deze productie de Roemeense sopraan Angela Gheorghiu te horen als Mimi. Gheorghiu zong de rol van Mimi in Hamburg al in 1995 aan het begin van haar carrière en in datzelfde jaar eveneens aan de Weense Staatsopera. Zij nam de rol voor de CD op in de Decca-studio in 1998 en op EMI verscheen een DVD met Gheorghiu als Mimi in een uitvoering van ‘La Bohème’ van de Metropolitan Opera in 2008. Gheorghiu is een diva, aan wie – volgens eigen zeggen – vanaf haar 18e niemand meer iets kon leren. En deze divahouding blijkt een probleem voor de rol van Mimi. Gheorghiu speelt en zingt Mimi, maar ís haar niet. Zij kruipt niet in de huid van Mimi en daardoor kruipt haar Mimi niet onder de huid van de toeschouwer. In de derde en vierde akte gelooft men haar ziekte en overlijden niet. Haar midden- en borstregister zijn overigens niet indrukwekkend, maar haar fortein de hoogte heeft kwaliteit. Daarmee weet Gheorghiu in de derde akte te scoren als zij met haar stem voluit gaat en Mimi’s angst portretteert in “C’è Rodolfo?”.

Haar tegenspeler is de Italiaanse tenor Giuseppe Filianoti, die de rol van Rodolfo ook in 2010 in Brussel zong. In de eerste akte klinkt hij nerveus en is hij in de hoogte nu eens te breed, dan weer te geknepen. In “Che gelida manina” maakt hij niet dankbaar gebruik van Puccini’s alternatieve slot, maar zingt hij de aria een semitoon lager. En nog komt de hoge B van de aria helaas niet goed uit de verf. Maar als de eerste akte achter de rug is, lukt hem alles en is Filianoti een genot om naar te luisteren en te kijken. Dirigent Simone Young is geen veristisch wonder. Young heeft moeite alles onder elkaar te krijgen en het feit dat bij “Wiederaufnahmen” weinig repetitietijd is, is geen excuus. Haar Puccini klinkt nogal hoekig. Haar beste moment was de opening van de derde akte, waar Young met twee fortissimo akkoorden van het orkest het applaudisserende publiek het zwijgen oplegt.

Guy Joosten heeft ‘La Bohème’ in deze productie discreet in de huidige tijd overgebracht en er is veel te zien. Joostens ensceneringen zijn vaak psychologisch, gedetailleerd, effectief en geestig en zijn producties van komische opera’s behoren tot zijn beste. Maar deze ‘La Bohème’ is niet erg bevlogen en het ontbreekt Joosten hier aan een duidelijk concept. In de eerste akte ziet de toeschouwer negen vertrekken van een sociale woningbouw, waarin het kunstenaarskwartet woont. Hier probeert Joosten de ironische kant van het verhaal te tonen, dat slechts ten dele lukt. De tweede akte wordt satirisch en Cafe Momus is een bar waar Musetta op kerstavond een striptease uitvoert. De treurigheid van de tweede helft van ‘La Bohème’ weet Joosten echter niet goed over te brengen. De derde akte toont de achterkant van het bordeel waar Musetta werkt en de situatie is niet zozeer sober als wel kil. En in de vierde akte is men terug in het flatgebouw, dat inmiddels een bouwval is. Daar zoeken alle vrienden tijdens Mimi’s dood een eigen vertrek op en uiteindelijk is iedereen alleen. Zoveel kilheid detoneert tegenover Puccini’s hartstochtelijke muziek helaas teveel.

Buitenlandse Recensies, Home