RECENSIE: Offenbach – Hélène aux Enfers

© Trevor Leighton

Amusante Offenbachiade in Brussel

De naam Offenbach is vrijwel geheel uit de programmaboekjes van de Nederlandse en Belgische operagezelschappen verwijderd. Daarom is het lovenswaardig, dat is de Munt Opera in Brussel een semi-concertante bewerking uitvoert van diens opéra bouffe ‘La belle Hélène’. Het succes van deze collage onder de titel ‘Hélène aux Enfers’ is verzekerd door de medewerking van Dame Felicity Lott.

De componist Jacques Offenbach (1819 – 1880) schreef zo’n 100 opera’s, waarvan ‘La belle Hélène’ (1864) naast ‘Orphée aux Enfers’ (1858), ‘La Grand-Duchesse de Gerolstein’ (1867) en ‘Les Contes d’Hoffmann’ (1881) één van de bekenste is. ‘La belle Hélène’ is gebaseerd op het oude verhaal van de mooie koningin Hélène van Sparta en haar liefde voor de Trojaanse prins Paris. De opéra bouffe is een literair-esthetische parodie op de Griekse koningen en grapt met de oudheid. Het is tevens een muzikale parodie op de opera’s uit Offenbachs tijd, waaronder die van Wagner, Rossini, Auber, Meyerbeer en Gluck. Daarnaast is het een politieke satire op Napoleon III en de zedenverval van de hoge Franse bourgeoisie.

De Belgische regisseur Charlie Degotte heeft voor de concertante versie in de Munt Opera van Brussel een bewerking van ‘La belle Hélène’ gemaakt. Te midden van het decor van de nog lopende voorstellingen van Pierre Audi in De Munt – herkenbaar aan de stellages met ijzeren plateaus en stangen – is deze ‘Hélène aux Enfers’ een “best-off” van ‘La belle Hélène’ aangevuld met een paar fragmenten uit andere Offenbach opera’s. Zo zingen – tijdens de parodie op de zangwedstrijd van ‘Tannhäuser’ – Ménélas (tenor Yves Saelens) de aria “Moi, je suis Aristée” van Aristée uit ‘Orfée aux Enfers’ en Achille (bariton Marcel Vanaud) “Et pif paf pouf” van Boum uit ‘La Grand-Duchesse de Gerolstein’. De dialogen in deze collage zijn vervangen door effectieve projectie van tekstballonnetjes – wellicht een trend, want ook het Utrechts Operakoor gebruikte ze de afgelopen maand bij de ‘Cavalleria Rusticana’ – die worden gedacht en “geademd” door de zangers. Offenbach – die het woord “onmogelijk” niet kende – zou hebben genoten van deze geestige en amusante enscenering.

Offenbach wist dat er voor zijn opera’s geen betere bezetting was dan de zangeres Hortense Schneider en tegenwoordig kan men zich geen betere zangeres voor Offenbach wensen dan de Britse sopraan Dame Felicity Lott. Felicity Lott, die nooit bij De Nederlandse Opera zong, was in Brussel al eerder te horen als onder andere de Gravin in ‘Capriccio’, de Marschallin in ‘Der Rosenkavalier’ en in de titelrol van ‘Louise’ van Charpentier. Zoals de Parijzenaars alle avonden naar het theater gingen om Schneiders Venuszang “On me nomme Hélène la blonde” te horen, is alleen al deze aria door Felicity Lott de voorstelling waard. De bewegingen van haar schouders, haar heupen en handen elektriseren de uitverkochte Munt Schouwburg en voor haar “pantomime”-lach schieten superlatieven tekort. Felicity Lott is een ware comedienne en de Hortense Schneider van deze tijd. Haar minnaar Paris is de Amerikaanse tenor William Burden in zijn Muntdebuut. Hij heeft een baritonaal borstregister, stralende hoogte, fraaie frasering en perfect Frans en gebruikt bij elk woord het juiste gebaar. Zijn prachtige aria “Au mont Ida”, het jodellied “Je suis gai” en zijn prijslied “Eh hop! Et hop!” van Mercure uit ‘Orfée aux Enfers’ waren hoogtepunten. De Belgische zangers Werner van Mechelen, Anne-Catherine Gillet en de Zwitserse Gilles Cachemaille zijn ieder voortreffelijk. Dirigent Patrick Davin en de leden van het Symfonieorkest en koor van de Munt beleven genoegen aan het “o la, la” van Offenbachs bacchantische en onvergankelijke muziek. Voor één keer was de naam van Offenbach weer terug op het programma en ontnam de alledaagse zorgen.

Buitenlandse Recensies, Home