RECENSIE: Wagner – Der fliegende Holländer

© Be Creative

Nederland hoort Frank van Aken voor het eerst in Wagner

Yannick Nézet-Séguin dirigeerde op 11 augustus 2013 met een concertante opvoering van ‘Lohengrin’ in Montreal zijn eerste Wagner-opera. Op zondag 15 september leidde hij als chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest in concertzaal De Doelen te Rotterdam zijn tweede integrale Wagner-opera: ‘Der fliegende Holländer’. En Nézet-Séguin werd bijgestaan door een prima bezetting.

De titelrol werd gezongen door de Russische bas-bariton Evgeny Nikitin. Nikitin vertrok vorig jaar voortijdig uit Bayreuth – waar hij de titelrol van ‘Der fliegende Holländer’ zou zingen – nadat bekend werd dat hij ooit een tatoeage in de vorm van een hakenkruis had gedragen. Het is ironisch dat Nikitin de rol zingt van de Holländer, die net als hijzelf een man is met een jeugdzonde. Nikitin benadert de Holländer ceremonieel, plechtig, kalm en waardig en zingt zijn lijden meer beschrijvend dan als een werkelijke uitbarsting van diens wanhoop, zoals Wagner ook de rol beschreef in een essay in 1852 over hoe ‘Der fliegende Holländer’ diende te worden uitgevoerd. Nikitins stem is kernachtig en open en in de hoogte vaak – bij Wagner gepast – ongedekt. In het verloop van de opera werd hij echter steeds nonchalanter. Hij verkorte de klinkers door op de begin- en eindmedeklinkers te leunen, waardoor de gezongen vocalen minder inspanning kosten, de uitspraak verstaanbaarder wordt, maar de duur van de noten verkort wordt. Bij een meer geroutineerde operadirigent zou Nikitin hier niet mee weggekomen zijn.

En dan Frank van Aken. Sinds ruim tien jaar zingt de Nederlandse Heldentenor de grote Wagnerpartijen van Lohengrin, Siegmund, Parsifal, Tristan, Tannhäuser en Erik in het buitenland en nu eindelijk zingt hij voor het eerst een Wagnerrol in eigen land. Hij maakt van Erik geen sentimentele jager, zoals tegenwoordig vaak gebeurt, maar zingt hem stormachtig, impulsief en zwaarmoedig. Niet voor niets vraagt Wagner in de partituur uitdrukkelijk om een “Nordisch düster und sturmischer Typ”. De aria in de derde akte zingt Van Aken niet zijig, maar vol hartzeer en melancholie. De fraaie, ronde, hoge Bes vulde de zaal. Zullen de oren van de Nederlandse operabestuurders nu dan eindelijk geopend zijn?

De Duitse bas Franz-Josef Selig is één van de weinige, echte zwarte bassen van dit moment en zong Daland ook in Bayreuth vorig jaar. Zijn Daland heeft statuur en een ruig en robuust karakter. De Zweedse sopraan Emma Vetter is niet een zijdezachte en emotionele Senta, maar flink en naïef overeenkomstig de bedoeling van Wagner. Haar frasering laat af en toe nog wat te wensen over. De Duitse tenor Torsten Hofmann heeft een passende karaktertenor voor de stuurman. De Poolse mezzosopraan Agnes Zwierko zingt niet erg verfijnd en had waarschijnlijk de rol van Ježibaba voor ogen in plaats van Senta’s Amme Mary. Zij was ook de enige soliste met een piano-uittreksel in haar handen.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest speelt nauwkeurig en geconcentreerd. Yannick Nézet-Séguin leidt de orkestleden uitstekend door de grote stijlsprongen, dreigende orkestratie en eenvoudige melodieën, die ‘Der fliegende Holländer’ kenmerken en creëert sterke sferen en contrasten. Niet voor niets wordt Nézet-Séguin genoemd als mogelijke opvolger van Mariss Jansons als chef-dirigent van het Concertgebouw Orkest. Hij laat het orkest vol spelen ook al zou dat op sommige plaatsen in de zaal – gezien de matige akoestiek van de concertzaal van De Doelen – de zangers hebben kunnen overstemmen. Goede Wagnerzangers hopen echter vaak een stevig orkest in de rug te hebben om op te steunen. Het Koor van De Nederlandse Opera – ingestudeerd door Thomas Eitler – zingt met hun “Eier gegen die Wand”. Het vrouwenkoor in het “Summ’ und brumm’” van de tweede akte en het uitgebreide mannenkoor in “Steuermann, lass die Wacht” en het Spukgesang in de derde akte zingen aandachtig en intensief.

De concertante uitvoering wordt afgeleid door een video-art van de Australische kunstenaar Shaun Gladwell, die gelukkig eenmalig in Nederland te zien en te horen zal zijn. Als je de keuze maakt er niet naar te kijken, dan stoort het echter niet. Opmerkelijk prettig is overigens de pauze na de eerste akte. Deze coproductie van het Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival en het Rotterdams Philharmonisch Orkest doet hierna nog het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs en het Konzerthaus in Dortmund aan.

Diverse Recensies, Home