RECENSIE: Mozart – Così fan tutte

© Jurjen Stekelenburg

Eerste klas zang bij ‘Così fan tutte’

Het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam hebben na het succes van ‘Die Entführung aus dem Serail’ in 2011 opnieuw de handen ineen geslagen voor een opera van Mozart.

Samen maken het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam in de maand oktober 2013 een grote tournee door Nederland met elf voorstellingen van de opera ‘Così fan tutte’ (1790) van W.A. Mozart (1756-1791). Deze komedie vertelt een tijdloos liefdesverhaal in Napels, waar de twee officieren Ferrando en Gugliermo een weddenschap sluiten met de filosoof Don Alfonso over de trouw van hun geliefden, de zussen Fiordiligi en Dorabella. Net als in 2011 bij ‘Die Entführung aus dem Serail’ tekent Jeroen Lopes Cardozo voor de regie van de semi-concertante versie. Lopes Cardozo vertelt het verhaal ‘Così fan tutte’ duidelijk en benut de ruimte uitstekend. Er zijn een aantal recitatieven geschrapt, wat voor een vlot verloop van het verhaal zorgt en tenslotte geeft hij een subtiele, onverwachte draai aan het einde.

De zang is eerste klas. De Britse bariton David Wilson Johnson zingt de rol van Don Alfonso, weer voor het eerst sinds zijn vertolking in de Royal Opera House Covent Garden van Londen in 1992. Als motor van het verhaal en intrigant is hij helemaal in zijn element en alle facetten van de rol vult hij kleurrijk in. De school van de geliefden wordt aangevoerd door de sopraan Lenneke Ruiten – de belangrijkste, Nederlandse Mozart-zangeres van dit moment – als Fiordiligi. De moeilijke coloraturen en grote intervallen van haar partij zingt zij met het schijnbaar grootste gemak. Met de aria “Come scoglio” reikt zij aan de grenzen van haar expressiviteit, maar de aria “Per pietà, ben mio, perdona” zingt zij hartverscheurend.

De Nederlanse mezzosopraan Rosanne van Sandwijk is een gepast bescheiden Dorabella en kleurt prachtig in de duetten met Fiordiligi. Haar aria’s “È Amore un Ladroncello” en “Smanie implacabile” zingt zij schitterend. De bariton André Morsch is passend bezet als Gugliermo en de sopraan Ilse Eerens is hilarisch als het kamermeisje Despina annex notaris. De tenor Anders Dahlin beleeft plezier aan zijn partij van Ferrando. Zijn lastige aria “Ah lo veggio quell’anima bella” van de tweede akte is – niet ongebruikelijk – geschrapt.

Duizendpoot Ed Spanjaard lijkt een vreemde eend in de bijt van het Orkest van de Achttiende Eeuw, maar ook onder zijn leiding als gastdirigent speelt het orkest trefzeker. Een gebrek aan ervaring in dit genre is niet waar te nemen. Het koor Cappella Amsterdam zingt zijn bescheiden aandeel zorgvuldig. Kortom, na de uitstekende ‘Die Entführung aus dem Serail’ en deze eerste klas ‘Così fan tutte’ is het te hopen, dat het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam doorgaan met deze projecten en in de toekomst meer opera’s van Mozart op de planken zullen brengen.

Diverse Recensies, Home