RECENSIE: Britten – Owen Wingrave

© Jurjen Stekelenburg

Succesvolle Nederlandse première ‘Owen Wingrave’ bij Opera Trionfo

Opera Trionfo bijt voor Nederland in het 100ste geboortejaar van Benjamin Britten het spits af met een goede uitvoering van diens opera ‘Owen Wingrave’.

‘Owen Wingrave’ was de op één na laatste opera van Benjamin Britten (1913 – 1976). Het libretto is gebaseerd op het gelijknamige boek van Henry James en geschreven door Myfanwy Piper, die ook in 1954 al het boek ‘Turn of the Screw’ van James had bewerkt tot een libretto voor een opera van Britten. Het verhaal gaat over Owen Wingrave, die zijn militaire opleiding staakt en daarmee als enige erfgenaam breekt met de traditie van zijn adellijke familie. Hij treedt niet in de voetsporen van zijn voorvaderen en stuit daarmee op weerstand van zijn familieleden en de geesten van zijn voorouders. De opera is een aanklacht tegen de wreedheden van oorlog. Het werk past helemaal in het oeuvre van Britten met thema’s als het individu tegenover het gezelschap en de schending van onschuld, schoonheid en verlangen. ‘Owen Wingrave’ was een opdracht van de BBC en werd in 1971 uitgezonden op de televisie. Het is een werk, dat afgetemd was op het medium televisie met close-ups, aandacht en dichtheid. De theaterpremière was op 10 mei 1973 in Londen, waarbij de Nederlandse dirigent Ed Spanjaard als repetitor meewerkte. Spanjaard dirigeert nu de uitvoering van de Nederlandse scenische première van ‘Owen Wingrave’ bij Opera Trionfo (OT).

In deze productie van OT probeert regisseur Floris Visser close-ups op te roepen door individuele personages en hun reacties uit te lichten. Een aantal malen lukt dat goed, zoals in de opkomst van Miss Wingrave, aan de dinertafel en in het rondedansje van de drie dames. Maar Visser laat soms mogelijkheden tot concentratie liggen, waardoor de enscenering op den duur aan aandacht inboet. De overtollige black-outs met het theaterdoek bij de korte tussenspelen zijn niet erg functioneel en bij de laatste black-out werd ook niet duidelijk, dat er een aantal uren tussen de scènes zit. Het monochrome decor van Gary McCann bevat slechts portretlijsten zonder portretten, waardoor de bovennatuurlijke en bedreigende sfeer ontbreekt, die de familieportretten van Owens voorouders kunnen oproepen. Verder zijn de kostuums en de make-up fantastisch.

Owen is bij Visser helaas geen krachtige persoonlijkheid, die zich afzet tegen de gemeenschap, maar een timide jongeman. De Canadese bariton Karel Ludvik zingt zijn rol echter voortreffelijk. Zijn prachtige toon in de Shelley-aria deed soms denken aan Gerald Finley en de centrale aria zong Ludvik vol expressie. Mark Omvlee is uitstekend als Lechmere en zet een energieke tegenpool van Owen neer. Zijn vertolking van deze lastige, hoge tenorpartij is wellicht zijn beste prestatie tot nu toe. Francis van Broekhuizen heeft goed gevoel voor de dramatiek van de gehoekte muziek van de tirannieke Miss Wingrave en Bauwien van der Meer heeft een mooie, lyrische sopraan voor de sympathieke Mrs Coyle. Vitali Rozynko is solide als haar echtgenoot Spencer. Bernard Loonen is erg goed als de aristocratische grootvader Sir Philip, maar helaas is zijn bijdrage als de verteller met het kinderkoor opgenomen en weergegeven via de luidsprekers.  Alexandra Schoeny klinkt helaas te jong voor Mrs. Julian, Anna Traub klinkt te oud voor haar dochter Kate. Het onrustige vibrato van Traub is overigens nu niet meer opvallend, maar inmiddels storend. Zij is een rasartieste en –muzikante, maar zou zich echt een tijd aan haar basistechniek moeten wijden. Vermeldenswaard is bovendien het prima Engels van alle zangers.

‘Owen Wingrave’ wordt bij OT gespeeld in de herinstrumentatie voor vijftien musici, die Brittens assistent David Matthews in 2007 vervaardigde. Ook Britten zelf had overigens al een aantal van zijn opera’s bewerkt voor klein ensemble. Ed Spanjaard dirigeert voor de vierde keer bij OT het Nieuw Ensemble, waarvan hij sinds 1982 vaste dirigent is. Hij laat de rijke schakeringen van Brittens muziek zo schitterend en precies uit de gereduceerde orkestpartij klinken, dat je het volle symfonieorkest niet mist. Spanjaard brengt sommige kleuren dikker aan en maakt heftige contrasten. Buitengewoon fraai realiseert hij de Britse sfeer van ‘Owen Wingrave’.

Het is te hopen dat OT doorgaat met haar kleinschalige producties in een tijd, dat mogelijkheden voor jonge zangers steeds zeldzamer worden. De afgelopen jaren heeft OT met sprankelende en onderhoudende voorstellingen – zoals ‘Il Pietra del Paragone’, ‘Skupoy’ en ‘Mirandolina’ – haar bestaansrecht bewezen. Het is één van de weinige plaatsen in Nederland, waar jonge Nederlandse zangers en regisseurs onder vakkundige leiding nog een podium krijgen.

Diverse Recensies, Home