RECENSIE: Van de Wall – Attima

© Robert Benschop

Hartverscheurend verismo in ‘Attima’

Ter gelegenheid van het 50ste verjaardag van de Pasar Malam Besar, de jaarlijkse oost-westmarkt in Den Haag, wordt de opera ‘Attima’ van de Nederlands-Indische componist Constant van de Wall (1871 – 1945) opgevoerd in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Hier vond ook de Franstalige wereldpremière plaats in 1917, waarna het werk in vergetelheid geraakte. Cultureel antropoloog Henk Mak van Dijk vond enige jaren geleden de partituur terug en de prachtige Nederlandstalige opvoering van ‘Attima’ nu overtreft werkelijk elke verwachting.

‘Attima’ speelt op Java begin 1900 en gaat over het liefdesdrama tussen de KNIL-onderofficier Armand en de Javaanse danseres Attima, wier vriend een danser in haar gamelangezelschap is. De opera gaat over keuzes maken of gekozen worden en regisseur David Prins wil laten zien dat deze menselijke thematiek van alle tijd is. Daardoor wordt het contrast echter te groot tussen het rommelige ‘hedendaagse’ begin (met de semi-professionele bijrollen van toeristen, gesluierde moslima’s, reisgidsen en solisten met zonnebrillen) en de authentieke dansen in de finale van de eerste akte en het verstilde en dramatische beeld van de tweede akte. Prins accentueert hiermee de zwakheden van het gefragmenteerde scenario. De Indonesische dansen vervaardigde choreograaf Arnaud Kokosky Deforchaux, specialist in Balinese en Javaanse dans en choreograaf van onder andere de musical ‘Max Havelaar’. Zijn professionele dansers én de operazangers zelf vertolken schitterend sierlijk en ingetogen de vreugde-, schakings- en bruidsdansen.

Van de Wall had, net als vele Europese kunstenaars van zijn tijd, een fascinatie voor het Oriëntaalse en hij liet zich bij ‘Attima’ inspireren door gamerlan- en krontjongmuziek. Maar ‘Attima’ is in de eerste plaats een westerse partituur, die gebaseerd is op Indische klanken en de associatie daagt met veristische componisten zoals Puccini (‘Madama Butterfly’), maar ook met Debussy en Bellini. De opera vraagt dan ook om grote solisten en die zijn er. Annemarie Kremer is Attima. Zij draagt de voorstelling met haar ronde lyrisch-dramatische sopraan en het hele palet aan kleuren van Attima’s gemoed beheerst zij volkomen. Van de verliefde danseres (en zo prachtig gedanst) tot de eenzame verstotene is zij hartverscheurend. Annemarie Kremer ís werkelijk Attima. Naast haar schittert Quirijn de Lang als Kartono. Zijn bariton heeft een mooi timbre en elk woord is verstaanbaar en hij is overtuigend in zijn afgunst en liefde. Zijn verschijning maakt het echter minder overtuigend dat Attima juist hem in de dans en in het verhaal laat vallen. Nanco de Vries zingt Pawino, de pleegvader van Attima, met een volle, kernachtige heldenbariton en de mezzosopraan Karin Strobos straalt als Wangi, Attima’s zusje. Dirigent Dick van Gasteren leidt het grote, semi-professionele orkest, koor en kinderkoor en de solisten, koorsolisten en dansers en verklinkt het oorspronkelijke van de partituur met haar vloeiende muziek en bijzondere instrumentatie.

‘Attima’ is de ontbrekende schakel in de Nederlandse muziekgeschiedenis. Het is de enige grote, romantische opera in Nederland en het strekt de stichting Attima dan ook tot eer dat zij dit werk uit het stof heeft gehaald. De opera verdient het een repertoirestuk te worden en gespeeld te worden door grote operagezelschappen. Deze opvoering is in elk geval een ‘must’ voor iedere operaliefhebber!

Diverse Recensies, Home